Bekijk het origineel

Gilboa

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Gilboa

8 minuten leestijd

Wanneer men door het land Israël reist en op de plaatsen staat die ook in de Bijbel genoemd worden, dan kan zo'n geschiedenis uit de Heilige Schrift ineens voor ons gaan leven. Dat overkwam ons toen we door de vruchtbare vlakte van Jizreël reden en onze gids ons wees naar het gebergte van Gilboa, dat tussen Samaria en de vlakte van Jizreël ligt. Daar hebben immers koning Saul en zijn zoon Jonathan de dood gevonden. En we horen David zijn klaagzang opheffen die ons wel diep ontroeren moet: „O sieraad van Israël, op uw hoogten is hij verslagen; hoe zijn uw helden gevallen..." En het moet ons ook hier weer treffen dat David in koning Saul toch steeds de gezalfde des Heeren is blijven zien, ook al heeft hij hem nog zoveel leed en verdriet bezorgd en hem zelfs naar het leven gestaan. Wanneer David de tijding van de dood van Saul en Jonathan verneemt is hij inderdaad diep bedroefd: „Hoe zijn de helden gevallen in het midden van de strijd! Jonathan is verslagen op uw hoogten!"
Wanneer David zijn klaaglied zingt, is hij in Ziklag, ver van het strijdgewoel. De Filistijnen waren echter ver het land van Israël binnengetrokken. Dat de strijd gevoerd wordt bij Gilboa wijst er duidelijk op dat de Filistijnen in deze tijd een grote macht hebben ontwikkeld. De Heere God heeft Saul en zijn volk overgegeven in de hand van de vijanden omdat ze de Heere verlaten hebben en in Zijn wegen niet gewandeld hebben. Een groot deel van de vlakte van Saron moet in hun bezit geweest zijn. Het is goed dat we dit weten, want daardoor kunnen we ook beter begrijpen dat we lezen: „Toen Saul het leger der Filistijnen zag, zo vreesde hij, en zijn hart beefde zeer" (1 Samuël 28 : 5). Want niet alleen staat hij tegenover een sterke vijand, maar Samuël is ook gestorven. En ondanks alles wat er voorgevallen was,..had hij toch op die richter Gods gesteund. En nu had hij niets meer, hij was God kwijt en hij was ook de oude Samuël kwijt.
Ondertussen hebben de Filistijnen zich te Sunem gelegerd. En we worden hier herinnerd aan de dagen van de richter Gideon, toen een grote legermacht van de Mideanieten zich op dezelfde plaats had gelegerd, want Sunem lag aan de voet van het gebergte van Moree. Saul heeft zijn soldaten op het gebergte van Gilboa vergaderd. De Filistijnen liggen tegen het gebergte van Moree in de vlakte van Jizreël. Maar in de dagen van Gideon was de Heere met Zijn volk, zodat de Mideanieten verslagen werden door die kleine Gideons bende, nu echter heeft de Heere Saul verlaten omdat hij Hem verlaten heeft.
Israël lijdt een verschrikkelijke nederlaag in deze strijd. Die nederlaag moet voor Saul niet onverwacht zijn gekomen. In de nacht, die aan de strijd voorafgaat heeft hij immers nog een bezoek gebracht aan de waarzegster van Endor, die hem de slechte afloop reeds heeft voorspeld. Men wijst tegenwoordig Endor nog aan, gelegen aan de voet van de berg Tabor, en het kan heel goed mogelijk zijn dat die plaats daar ten tijde van koning Saul ook heeft gelegen. Vanaf het Gilboa gebergte was die plaats ook binnen enkele uren te bereiken. Ondanks het feit dat Saul kort tevoren zelf de waarzegsters de uitoefening van hun beroep had verboden, vindt hij niet alleen in Endor zo'n waarzegster, maar uit haar mond hoort hij zelfs de waarheid, want zij zegt hem eerlijk wat ze ziet dat er gebeuren zal. Ze vertelt hem door middel van de opgeroepen geest van Samuël dat hij de strijd tegen de Filistijnen zal verliezen en aan zijn einde zal komen. We gaan hier nu niet in op de vraag wat daar nu werkelijk in die nacht bij dat bezoek van Saul aan die waarzeggende vrouw van Endor is gebeurd. We willen alleen stellen dat die vrouw — hoe dan ook en wie haar dan ook die wijsheid gegeven mag hebben — de volle waarheid zegt en dat precies is uitgekomen wat ze aan de koning heeft voorgehouden. Wel kunnen we zeggen dat het met Saul ver gekomen is, dat hij in plaats van de Heere in zijn nood op te zoeken, zijn toevlucht neemt tot die waarzegster, die in Israël naar zijn eigen bevel haar duistere praktijken eigenlijk niet mag uitoefenen.
Wanneer de volgende morgen de strijd ontbrandt, dan blijkt al spoedig dat Israël de nederlaag zal lijden. Israëls soldaten slaan op de vlucht en er vallen veel doden op het gebergte van Gilboa. Ook de zoons van Saul sneuvelen. En Saul zelf is al zover dat hij de nederlaag niet kan verwerken en een einde maakt aan zijn eigen leven. En wanneer de Filistijnen de volgende dag de verslagenen gaan plunderen, dan vinden ze ook Saul en zijn drie zonen. Ze nemen de lichamen, onthoofden ze en hangen ze op aan de muren van Beth-Sean. De wapenrusting leggen ze neer in de tempel van Astarte en de hoofden worden in de tempel van de afgod Dagon opgesteld. Bij Beth-Sean heeft men bij opgravingen de resten gevonden van enkele tempels die uit deze tijd dateren. Het is best mogelijk dat het de tempels zijn die in I Samuël 31 genoemd worden. Rond 1050 voor Christus hebben er Filistijnen in deze stad gewoond, zo hebben opgravingen uit die tijd aangetoond. Ook oude stadsmuren zijn opgegraven, zodat het de muren kunnen zijn waar men de lichamen van Saul en zijn zonen aan heeft opgehangen. Tegenwoordig is Beth-Sean een betrekkelijk moderne plaats, maar in de onmiddellijke omgeving hebben de opgravingen de oude stad blootgelegd.
Voor David is de tijding van de dood van Saul en van Jonathan en zijn broers een verschrikkelijk bericht geweest. Met Jonathan was hij immers nauw verbonden door een diepe vriendschap. En voor de koning als de gezalfde des Heeren, was hij steeds met diepe eerbied vervuld geweest. Vandaar ook het aangrijpende klaaglied van David: „Hoe zijn de helden gevallen". Het was alsof we het hem hoorden zingen toen we het gebergte van Gilboa zagen liggen.
Overigens kwam ons nog in gedachten wat de inwoners van Jabes hebben gedaan. Daar waren ze nog niet vergeten wat Saul bij het begin van zijn koningschap had gedaan voor hen, hoe hij hen gered had uit de hand van Nahas de Ammoniet, die alle mannen in Israël het rechteroog wilde uitsteken. Ze waren nu zeer geschokt door het bericht dat het lichaam van hun koning en redder te schande hing aan de muur van Beth-Sean. Ze konden het niet verdragen. En de soldaten van Jabes lopen een hele nacht en ze nemen het lichaam van koning Saul in alle stilte van de muur, om althans deze smaad weg te nemen. Zo doen ze ook met de lichamen van de zonen van Saul. Ze hebben de lichamen verbrand en de beenderen begraven onder een tamariskboom bij Jabes.
Maar daar is het gebeente toch niet blijven rusten. Later heeft David Saul als de gezalfde des Heeren toch nog geëerd. Want toen hij koning was geworden, heeft hij het gebeente van Saul en Jonathan laten opgraven. En hij heeft die beenderen laten begraven in het graf van Kis, de vader van Saul. Zo bewijst David ook na Sauls dood hem nog de eer, die aan de gezalfde des Heeren toekomt, ondanks het feit dat Saul door eigen schuld in zo'n grote nood is gekomen.
De Filistijnen hebben ondertussen gejuicht. Ze menen dat Israël nu voor goed verslagen is en dat zij de heerschappij zouden hebben over het ganse land. Maar dat is wel anders uitgekomen. De Heere had immers andere bedoelingen met Zijn volk. Hij heeft nu een koning aangesteld, een man naar Zijn hart, die de Filistijnen geweldige slagen zal toebrengen. David was een strijdbaar held, die in de kracht des Heeren ongeveer in het jaar duizend voor Christus de Filistijnen enkele grondige nederlagen toebracht. Honderden jaren heeft de strijd geduurd die door Simson was begonnen. Maar na David hebben de Filistijnen niet veel meer in te brengen. Later hebben ze nog wel strijd gevoerd, maar dan bléven ze toch meestal binnen de nauwe grenzen van hun eigen land, wat we tegenwoordig de zogenaamde Gazastrook noemen.
Overigens is 't toch een gebeurtenis wanneer men op deze historische grond loopt en wanneer men zich de strijd van Saul tegen de Filistijnen indenkt en wanneer men hoort van het sneuvelen van zijn zonen en van de dood van hemzelf. En dan ruist het weer in onze oren: „Hoe zijn de helden gevallen!" Het driemaal terugkerend refrein van het klaaglied van David waarin hij toch koning Saul, de gezalfde des Heeren, en zijn vriend Jonathan heeft geëerd.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 augustus 1977

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

Gilboa

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 augustus 1977

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

PDF Bekijken