Bekijk het origineel

De onwankelbare belijdenis der hoop

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

De onwankelbare belijdenis der hoop

12 minuten leestijd

(8)

De hoop onze pelgrimsstaf

Nu wij gezien hebben dat de hoop van een christen in Christus verankerd ligt, mogen we ons afvragen: wat doen we als christen met de hoop in dit leven. Er hangt heel wat met het beantwoorden van die vraag samen.

Om te beginnen kunnen we zeggen: e hoop is onze pelgrimsstaf. Daarmee geven we dan tegelijk aan dat de hopende christen een pelgrim is, of — om het bijbelse woord te gebruiken — een vreemdeling. Gods Woord onderscheidt scherp de ene vreemdeling van de andere. Er zijn vreemdelingen van de verbonden der beloften, zij hebben geen hoop en zijn zonder God in de wereld. (Efeze 2 : 12). Daartegenover heten zij vreemdeling op aarde, die klaarlijk betonen dat zij hier niet thuis zijn, maar een vaderland zoeken. Zij weten zich geschaard in de rij van Gods kinderen, zoals ze ons voor de geest geroepen worden in Hebreen 11. Abel en Henoch, Noach en Abraham zijn er voorbeelden van. Jacob en David noemen zich zo. Petrus de apostel der hoop schrijft zijn hoopvolle brieven aan de verstrooide vreemdelingen in Pontus, Galatië, Kapadocië, Azië en Bythynië. Hun vreemdelingschap draagt een negatief en een positief karakter. Negatief inzoverre zij er diep besef van hebben dat deze wereld een woestijn is. Een plaats om doorheen te trekken, in geen geval een oord om er zich te vestigen, laat staan om er zich veilig te nestelen. Toen de Heere Abraham riep met de opdracht: a uit uw land en uit uw maagschap en uit uws vaders huis, gaf Hij hem voorlopig de pelgrimsstaf in de hand. Voorlopig wil in dit verband zeggen voor zijn leven. Die pelgrimsstaf zag er als volgt uit: elke (d.i. Abraham) tegen hoop op hoop geloofd heeft. (Rom. 4 : 18).

Telkens weer moest hij de pinnen van zijn tent uit de grond trekken, het doek oprollen om ze even verder weer in de grond te slaan, maar wel losjes. Precies zo verging het Israël in de woestijn. Het negatieve aspect van eens christens pelgrimage is dat zij zich hier niet meer thuis voelen. Zij maken een trektocht door een vreemd land, naar het land der belofte, de erfenis der vromen. De verkiezende en roepende God heeft Zijn kinderen weggeroepen uit de oude levensverbanden, uit de stad verderf, ze zijn gegaan door de enge poort, gezet op de smalle weg, mèt alle gevaren, smaad en verachting van de zijde der wereld, die aan die reis verbonden zijn.

Al die tegenstand moet medewerken om hun vreemdelingschap diep in te griffen in hun hart. Immers worden zij onophoudelijk door de verzoeking bedreigd om van de oase — die zij onderweg wel eens ontmoeten — de plaats van hun rust te maken. In onze tijd van welvaart dreigt die verzoeking ster-

ker dan ooit! Vergeten wij toch niet dat we daar, in het Vaderland, onze vreemdelingschap pas kunnen vergeten. De wereld waarin wij hier en nu leven is geen geschikte voedingsbodem voor de levende hoop. Zij doet al haar best om Gods kinderen juist van die hoop af te trekken, zodat we al te zeer ons richten op het aardse, op de materie. Een gevaarlijke infectie waaraan veel christenen lijden. Het lijkt er veel op dat de wereld haar geneugten en genoegens ons op 'n presenteerblaadje aanbiedt. De huidige theologie speelt hier in bepaalde opzichten een kwalijke rol in mee. Trouw blijven aan de aarde, geen mystisch hemelverlangen, geen afzondering, maar doorbraak en openstaan voor wat de aarde ons geeft te genieten, zijn leuzen die de christenen lokken in het kamp van wereldverbeteraars. De hoop kwijnt onder zulke rooskleurige omstandigheden als ons worden voorgespiegeld. Niet tot wereldverbeteraars heeft God zijn gemeente geroepen, maar tot wereldoverwinnaars. Want dit is de overwinning die de wereld overwint, namelijk ons geloof. (1 Joh. 5:4).

Dit negatieve aspect van het-vreemdelingzijn-in-de-wereld heeft niets te maken met negativisme, met een wereldvreemde levenshouding. Zolang de pelgrim hier op aarde vreemdeling is, heeft hij een taak en opdracht om een lichtend licht en een zoutend zout te zijn. Er is toch nog altijd een hemelsbreed verschil tussen de vervreemding, waarover de moderne mens spreekt en het vreemdeling-zijn van de pelgrim op weg naar Sion, de stad onzer bijeenkomsten, waar we de Koning zullen zien in Zijn schoonheid.

Vervreemding komt inderdaad voort uit het negativisme waarmee men tegen de wereld van vandaag aankijkt. Het kan best zo zijn dat vele mensen zich van de huidige wereld afkeren, er niets meer mee te maken willen hebben, er tegen in verzet komen. Ze kunnen heus geen , .Hoera voor het leven" roepen. Dit negativisme leidt tot pessimisme en strompelt wat voort met als hoogste levenswijsheid „voor mij hoeft het allemaal niet meer". Daar zit geen spiertje hoop meer in. Dat is zo dood als een pier. Iemand heeft dit eens genoemd „een verwereldlijkt gevoel van vreemdelingschap." Zo raakt de van God-vervreemde mens van zichzelf vervreemd, en zwalkt hij als een schip zonder roer over de levenszee.

Niet alzo Gods vreemdelingen met de staf in de hand. O zeker, zij hebben er voor te waken dat die staf hun niet uit de hand glijdt, al is het maar voor een tijd. Ze dienen er zorg voor te dragen dat zij hun pelgrimschap niet inruilen voor levensgenieting, zodat zij van de weg die zij moeten gaan hun vaderland maken. De negatieve kant van hun vreemdelingschap wordt door de apostel Johannes onder woorden gebracht als hij schrijft: eb deze wereld niet lief, noch hetgeen in de wereld is; zo iemand de wereld liefheeft, de liefde des Vaders is niet in hem. Want al wat in de wereld is, namelijk de begeerlijkheid des vleses, en de begeerlijkheid der ogen, en de grootsheid des levens, is niet uit de Vader, maar is uit de wereld. En de wereld gaat voorbij, en haar begeerlijkheid. (1 Joh. 2 : 15 v.v.).

Mij dunkt dat dit Woord kan dienen tot een lamp voor onze voet. Het laat ons in elk geval zien dat vreemdelingschap geen lot is zonder meer, maar tevens opdracht. Dat brengt ons bij het tweede, het positieve aspect van het leven als vreemdeling. Naast en tegelijk verweven met verachten van de schatten van Egypte is-nog altijd dat andere: Achtende de versmaadheid van Christus meerdere rijkdom. Als we de hoop onze pelgrimsstaf noemen dan heeft die hoop de vergelding des loons in het vooruitzicht. Ons burgerschp ligt in de hemel. Alwat uit God geboren is overwint de wereld. Welnu de levende hoop is uit God geboren. Het hopeloze leven is gered, en de hoop is de pelgrimsstaf waarop wij leunen, tevens de ontstoken paasfakkel, wijl zij ontstoken is aan de opstanding van Jezus Christus uit de doden. Staf, èn fakkel om ons de weg te wijzen langs de slingerpaden van het leven, vaak door diepe sporen van moeite en kruis. Dit laatste acht de Heere nodig, en schenkt Hij ons in Zijn liefde om aan de wereld te sterven en onze pelgrimszangen te zingen in het land onzer vreemdelingschappen. Hier en nu klinkt dan het lied door de tranen heen: Uw hoop herleeft naar Zijn gebod Mijn Redder is mijn God!

De konsckwentie van het geloof is de vreemdelingschap, de pelgrimage. De gelovige, die gelooft, is steeds aan het hopen, omdat 't hoogste goed nooit zonder meer te vinden is in deze wereld. Van Boven geboren wil ook zeggen naar Boven heen trekken. De reisstaf der hoop is toch de hoop op de stad die fundamenten heeft, welker Kunstenaar en Bouwmeester God is. We leunen op de hoop als op een staf, als we leren zoeken naar het betere en hemelse Vaderland, waarvan we zeker weten het te zullen bereiken. Dat is nu in hope zalig zijn. Te weten dat we zijn wat we worden en dat we wórden wat we zijn. Geliefden nu zijn wij kinderen Gods. Ja, zegt Calvijn, „maar met de naam van kinderen Gods worden niet verwaardigd, dan zij die zich kennen als huurlingen op aarde". De hoop is onze pelgrimsstaf omdat we weten dat ons in het vaderland wacht de hoop, die ons is toegezegd en is weggelegd. De hemelse erfenis bewaard voor u! Juist christenen, die hongeren en dorsten naar een nieuwe hemel en aarde, waar de gerechtigheid niet meer opgejaagd wordt, maar wonen kan, moeten zich in dit gebroken leven, in een wereld die aangevreten is door zonde en ongerechtigheid, vreemdelingen voelen. Deze wereld is vijandig gebied, werkterrein van de vorst der duisternis. Toch zegt de hoop als ze eens een ogenblik verwijlt bij Gods beloften, of als zij meezucht door de Geest, die met de schepping verwacht de openbaring van de heerlijkheid der kinderen Gods: Het is Góds wereld, zij ligt in Gods hand. De hoop weet vanuit de verlossing van Christus dat God zijn schepping nóóit zal prijs geven, maar redden zal omdat zij in principe gered is.

De christelijke hoop draagt dit positieve karakter en kan daarmee boven iedere vorm van verwereldlijking of werelds pessimisme uitstijgen. Calvijn wist er zeker van dat wij „van nature een beestachtige liefde tot de wereld bezitten". Dat wij „tevoren vervuld moeten zijn met een verachting voor het tegenwoordige leven", willen wij werkelijk vreemdelingen op aarde zijn. Maar Calvijn is ook weer evenwichtig genoeg om te kunnen schrijven in hetzelfde verband: „indien wij slechts over de aarde moeten trekken, dan moeten wij ongetwijfeld haar goederen in zoverre gebruiken, dat ze onze loop eerder helpen dan vertragen". Op dit punt voeren de hopende vreemdelingen hun strijd. Wat is het een geweldige leerschool om van dag tot dag, zolang onze pelgrimsreis duurt, deze w r ereld te gebruiken zonder haar te misbruiken. De staf der hoop hebben we nodig bij elke stap, om niet uit te glijden naar de kant van doperse wereldmijding óf naar de andere kant van de wereldgelijkvormigheid. Grif geven we toe dat ook de allerheiligsten zolang zij in dit leven zijn, maar een klein beginsel van deze ware gehoorzaamheid hebben.

Wie de neiging kent — en wie kent die niet — om zoals iemand zegt „de pelgrimsstaf op te bergen in het museum van christelijke oudheden" — loopt daarmee het gevaar het geloof te verliezen. De liefde verkilt in zijn hart, de hoop ligt ingezonken, de slaap van de wijze maagden strijkt over zijn bezwaarde oogleden en het gebed om de komst van de Heere Jezus versterft op zijn lippen. Ik las ergens van Karl Barth die bij iemand te gast was, die het naar deze wereld gerekend buitengewoon goed en schoon had, dat hij toen zei: „Hier gibt er keine Eschatologie mehr", m.a.w. hier is geen plaats meer voor de wederkomst van Christus.

Het wonderlijke van de hoop in onze vreemdelingschap is echter dat we vóór alles in het oog houden de bede van Paulus voor de gemeente van Efeze: Opdat de God van onze Heere Jezus Christus, de Vader der heerlijkheid, u geve de Geest der wijsheid en der openbaring in Zijn kennis, namelijk verlichte ogen uws verstands, opdat gij moogt weten, welke de hoop zij van Zijn roeping, en welke de rijkdom zij der heerlijkheid van Zijn erfenis in de heiligen.

Zo houden wij de pelgrimsstaf onzer hoop stevig vast. Tegelijk verzuimen we onze plicht op aarde niet. „Lichtzinnigheid en plichtsverzaking komt slechts daar vandaan, dat wij, zo dikwijls wij vergeten, wat ons altijd en immer voor ogen moest staan, dat wij hier slechts vreemdelingen zijn voor korte tijd, die na volbrachte (levens)loop tot Christus wederkeren".

We kunnen dus zeggen: de pelgrimsstaf der hoop dient ons niet slechts tot ondersteuning op de reis door het land onzer vreemdelingschappen, maar ook tot een stut om ons in het evenwicht te houden tussen het verlangen naar het Vaderhuis èn de taak die we hebben in dit leven aan en ten bate van de wereld, die in het boze ligt.

Ter afsluiting van dit onderdeel geef ik u een citaat uit een oud kerkelijk geschrift uit omstreeks 150 na Chr. Het is de brief aan Diognetus:

„Want christenen verschillen van de overige mensen nóch door woonplaats, nóch door taal of gebruiken.

f. i Maar terwijl zij wonen in Griekse en niet-

Griekse steden — al naar gelang ieder werd toebedeeld — en ze de gewoonten van het land volgen in kleding en in voedsel en in andere zaken van het dagelijkse leven, vertonen ze toch een wonderbaarlijke en algemeen erkende vreemde leefwijze.

Ze wonen in hun eigen land, maar als vreemdelingen. Ze delen in alles mee als burgers, maar ze hebben alles te lijden als

vreemdelingen.

Elk vreemd land is hun vaderland en elk land is hun vreemd. Ze trouwen als ieder ander. Ze krijgen kinderen maar ze leggen hun nageslacht niet

te vondeling

Ze delen hun tafel maar niet hun bed. Ze leven , , in het vlees" maar niet „naar het vlees" Ze vertoeven op aarde maar ze zijn thuis in de hemel. Ze gehoorzamen de vastgestelde wetten maar in hun eigen leven overtreffen zij

de wetten.

Ze houden van allen maar ze worden door allen vervolgd Ze zijn onbekend maar ze worden vermoord Ze sterven maar ze worden levend gemaakt Ze zijn arm maar ze maken velen rijk. Ze komen alles tekort maar ze hebben in alles overvloed Ze worden onteerd maar die ontering strekt hun tot roem Ze worden belasterd maar ze worden gerechtvaardigd Op de agenda van de predikantenconfe-Ze worden gesmaad en ze zegenen Ze worden beledigd en bewijzen eer. Als ze goed doen worden ze gestraft als

boosdoeners

Als ze gestraft worden verheugen ze zich alsof ze tot leven kwamen." Dit getuigenis van geloof en hoop is de moeite van het overdenken ten volle waard.

N. Tonge,

H. V.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 januari 1978

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

De onwankelbare belijdenis der hoop

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 januari 1978

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

PDF Bekijken