Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Opmerkingen over mensenrechten

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Opmerkingen over mensenrechten

9 minuten leestijd

Aan alle predikanten van de Nederlandse Hervormde Kerk (wellicht ook aan die van andere kerken) is onlangs een brochure toegezonden die als titel heeft „Mensenrechten in oost en west". Het is een uitgave op initiatief van de zogenaamde Europa-kommissie van de protestantse kerken in Nederland. De zaak die hier aan de orde wordt gesteld is zeker alle aandacht waard. Een duidelijke positiebepaling in het licht van Schrift en belijdenis is noodzakelijk. In de belijnd gereformeerde gezindte zijn we geneigd bij het horen van de term „mensenrechten" onmiddellijk te reageren met een opmerking in de trant van: „wij mensen hébben geen rechten, we hebben alleen maar plichten". Inderdaad, door onze diepe val van God af hebben we alle rechten verspeeld.

Van nature zijn we rechthebbende mensen — maar we zullen alleen als rechtelozen in onszelf gerechtvaardigd kunnen worden. Daarmee stoten we zondermeer door tot de kern van het evangelie. Het bovengestelde zal ons dan ook niet slechts als een aantal bekende termen vertrouwd mogen zijn. Hartelijk beleving door Woord en Geest van die volstrekte rechteloosheid en gratuïete vrijspraak is noodzakelijk om welgetroost te kunnen leven en sterven. Maar wanneer dat eenmaal is vastgesteld, zijn we nog niet van het probleem af dat met de aanvechtbare term „mensenrechten" wordt aangeduid. We willen toch zeker niet de schijn wekken dat het ons onverschillig zou laten dat vele van onze medemensen in voortdurende angst en druk moeten leven onder onmenselijke omstandigheden en behandeld met ten hemel schreiende onrechtvaardigheid? Vanuit het hart van het gereformeerd belijden, ja vanuit de harteklop van de bevinding, zal dat ons juist meer dan wie ook ter harte moeten gaan.

Oost en West

Verschillende verklaringen waarin de zgn. mensenrechten zijn vastgesteld, werden ondertekend door vertegenwoordigers uit westelijke én oostelijke landen, dus door nietcommunistische én door communistische mogendheden. We zouden dus mogen veronderstellen dat alle ondertekenaars zich aan de gemaakte afspraken zullen houden én elkaar er aan zullen houden. Een groot voordeel van zulke internationaal vastgelegde grondregels is dat alle onderdanen in de betreffende landen zich er op kunnen beroepen en daarmee dus tegenover hun eigen regering zo nodig in hoger beroep kunnen gaan. In de praktijk komt daarvan echter weinig terecht — met name achter het ijzeren gordijn worden de plechtige beloften die op de bekende conferentie van Helsinki (1975) zijn afgelegd, voortdurend met voeten getreden. Het regent dan ook klachten van westerse zijde alsook van de kant van dissidenten binnen de Sovjet-republiek over schending van de fundamentele rechten van de mens, zoals bijvoorbeeld recht op vrije meningsuiting, vrijheid van godsdienst en recht op emigratie. Anderzijds laat ook Rusland niet na de westerse w ? ereld aan te klagen, zodra daarvoor maar een aanknopingspunt te vinden is. Hoe komt het nu dat Oost en West zo vaak langs elkaar héén praten, wanneer het over de mensenrechten gaat? Hoe is het mogelijk dat wederzijds wordt beweerd: „bij óns worden die rechten geëerbiedigd", terwijl tegelijkertijd de beschuldigende vinger naar de andere partij wordt uitgestoken?

In genoemde brochure zet dr. J. Ter Vrugt-Lentz op duidelijke wijze uitéén dat hier een spraakverwarring plaatsvindt. Immers — het communisme wil best de mensenrechten eerbiedigen, maar dan wél volgens de eigen interpretatie van die rechten. Die rechten worden gehandhaafd, zoals ze door een communistische bril gelezen worden! Dat houdt concreet in dat in communistische landen eenzijdig de klemtoon valt op de „gelijkheidsrechten" ten koste van de „vrijheidsrechten". Een gelijkheidsrecht is bijvoorbeeld dat elke burger recht heeft op arbeid en een bepaald basis-inkomen. Waar nodig offert het communistische stelsel het vrijheidsrecht van vrije beroepskeuze daar zonder meer aan op. Een werkeloze geldt dan als parasiteur.

Op de achtergrond staat ook het recht van de gemeenschap, in casu de partij of de staat of het wereldcommunisme, dat zonder meer prevaleert boven het recht van de enkeling. Voorbeeld: dat die enkeling godsdienstvrijheid heeft komt in hoge mate in de schaduw te staan door de overtuiging dat die religieuze levenshouding schadelijk is voor de opbouw van de ideale maatschappij die de communistische machthebbers voor ogen staat. Het reële gevolg is een verregaande beknotting van het kerkelijk leven, ja zelfs verdrukking en vervolging van christenen in de communistische wereld. Het is zelfs zó dat een persoon die bij het materialisme en atheïsme van 'de officiële partijleer is opgevoed en later tot het christelijk geloof is overgegaan, hoogstwaarschijnlijk óf als kwaadwillige saboteur in een strafkamp óf als krankzinnige verklaarde in een psychiatrisch ziekenhuis terecht komt. Intussen kan dan naar buiten toe worden volgehouden dat de rechten van de mens worden geëerbiedigd — omdat de communistische diplomaten daarmee altijd de eigen marxistisch/Leninistische interpretatie van die mensenrechten op het oog hebben!

Mensenrechten en de bijbel

Terecht wordt door de theoloog H. J. Frankel gesteld: , , De bijbel kent natuurlijke, algemene, onvervreemdbare rechten van de mens niét. Waar we ze zouden verwachten, vinden we iets heel anders: de geboden van God". De Schrift gaat niet uit van de waardigheid en de mondigheid van het individu. Daarvoor is het bijbelse mensbeeld veel te gedempt.. De mens wordt immers getekend als een gevallen schepsel dat op genade is aangewezen. Dus geen rechten en vrijheden die de mens van nature zouden toekomen. Maar er is wel wat anders. Gód proclameert Zijn rechten. Hij kondigt Zijn geboden af, Hij stelt souverein Zijn rechtsregels, die het alle mensen betaamt te onderhouden. Deze geboden zijn gericht op de eer van God, maar onlosmakelijke daarmee verbonden op het heil van mens en samenleving. Het leven binnen de omheining van Gods gebod is het gezegende leven, daar ontplooit zich de ware humaniteit, waar de ene mens de naaste van de ander is, „zijns broeders hoeder". Maar buiten die weg van Gods wet (tora) heerst de duisternis, daar is de wet van de jungle, daar is de ene mens voor de ander een wolf.

Hier moet het grote woord „gerechtigheid" vallen. Gods gerechtigheid is Zijn handelen in overéénstemming met Zijn verbond. De HEERE gaat een verbondsbetrekking aan met mensen. Hij wil uit souvereine vrijmacht een God van mensen zijn. Dit verbond behelst beloften én bedreigingen, verbondszegen én verbondswraak. Nu gaat de God van het verbond een rechte weg. Rechtuit in het vervullen van Zijn beloften aan die het verbond bewaren. Rechtuit in de uitoefening van Zijn wraak aan hen die het verbond breken. Gerechtigheid Gods is wrekend en heilbrengend tegelijk. Plet is gerechtigheid die armen recht doet op hun klacht, maar die ook verbrijzelt wie verdrukt.

De mens in Israël hééft geen rechten, maar wordt onder verplichtingen gesteld en met rechten bedeeld vanuit de verbondsverhouding met de HEERE. Elke Israëliet ontvangt zijn eigen stukje grond, zijn patrimonium of vaderlijk erfdeel. Daar hebt u zo'n geschonken mensenrecht, zo'n genadig mensenrecht in Israël. Een Naboth mag dan ook opkomen voor dat recht tegenover de verbondsschennis van Achab (1 Kon. 21).

Israël kende een uitgebreid stelsel van sociale wetten dat zijn bekroning vond in de instelling van het jubeljaar. Werden Gods wetten nauwkeurig nageleefd, dan zou er geen bedelaar zijn in Israël. De koning was als gezalfde des Heeren tevens de ombudsman voor de allerarmsten, die zich op hem konden beroepen ter bescherming van de rechten die hen geschonken waren vanuit de handvesten van Gods verbond. Juist in dié hoedanigheid is de koning van Israël een schaduw van de grote Messias, Die bij uitstek het recht der armen, der verdrukten gelden doet. (psalm 72; lofzang van Maria). Voor Gods aangezicht blijkt de mens alle rechten te verliezen en tegelijkertijd eerst dan ten volle tot zijn recht te komen. De rechten van Gód blijken het enig deugdelijk fundament voor waarlijk menselijk leven en samenleven. De zogenaamde mensenrechten zullen dan ook altijd weer kritisch doorgelicht moeten worden vanuit Gods wet. De gelijkheidsrechten zullen dan begrensd worden door de plaats die de Schrift laat voor eigen verantwoordelijkheid, individuële ontplooiing, schakering en verscheidenheid in overéénstemming met de geschonken talenten. Gerechtigheid is niet te vertalen met: nivellering. Vanuit Gods Woord zal er te-

genwicht geboden moeten worden aan een verabsolutering van de staat, van de groep of zoals het in linkse kringen graag gezegd wordt: het kollektief. Juist die alles overheersende nadruk op het sociale maakt de enkeling tot een slaaf. In plaats van rechten blijven hem nog slechts bitter noodzakelijke plichten. Zo gaat het communisme er bijvoorbeeld prat op dat binnen zijn invloedsfeer de vrouw net zo zeer als de man recht op arbeid en gelijke beloning heeft. Maar in feite moéten de vrouwen wel extra werk doen buiten hun huishouden om met hun gezin het hoofd boven water te kunnen houden!

Vanuit het Woord worden echter ook de vrijheidsrechten in kritische belichting gesteld. Zeker — de nadruk op de vrijheid van geweten, de vrijheid van persoonlijke ontplooiing, de vrijheid van vereniging en vergadering kan vanuit de Schrift onderstreept worden. Maar Gods geboden stellen grenzen aan deze vrijheden. Zij dienen te blijven binnen de omtuining van Zijn wet. Onbeperkte godsdienstvrijheid, onbegrensde vrijheid van meningsuiting en onbelemmerde ontplooiing van recreatie en amusement bijvoorbeeld kan christelijk genomen niet mogelijk zijn — dat zou immers impliceren de toelating van afgoderij, Godslastering en ontheiliging van de rustdag, om maar niet meer te noemen. Het zal dus moeten gaan om een genormeerde vrijheid. Samenvattend kan dan ook worden gezegd dat de Schrift met een beroep op Gods recht het onrecht in allerlei menselijke verhoudingen scherp aan de kaak stelt en de weg wijst naar een betere toekomst. Een vrederijk dat God zal brengen, maar in de richting waarvan de christenen zich nu reeds met vallen en opstaan bewegen. In zoverre zullen degenen die opkomen voor de mensenrechten de christenen als bondgenoten aan hun zijde vinden. Er kan bijvoorbeeld een comité gevormd worden tégen abortus provocatus waarin christenen en niet-christenen elkaar de hand reiken. De diepste motivering ligt echter voor de één in het gebod en de eer van de Schepper, terwijl de ander zich uitsluitend beroept op de menselijke waardigheid van het ongeboren leven.

Zo kunnen de wegen een lange tijd parallel lopen. Op deze wijze kan er ook een gebrekkig en voorlopig rechtsbestel ontstaan. dat op zichzelf nog als een zegen van God mag worden begroet. Denk bijvoorbeeld aan het romeins burgerrecht waarop de apostel Paulus zich beriep of aan de positieve wijze waarop in Rorn. 13 over de overheid gesproken wordt. Echter — de wegen van christenen en humanisten zullen ook telkens weer uitééngaan, zodra en zo vaak Góds recht in het geding is.

G.

J.H.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 maart 1979

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

Opmerkingen over mensenrechten

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 maart 1979

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

PDF Bekijken