De Bijbel en onze levenspraktijk
(6)
de aktualiteit van de burgerlijke wetten
We herinneren eerst nog eens aan de zinsnede uit art. 25 van de Ned. Geloofsbelijdenis. Wij gebruiken nog de getuigenissen, genomen uit de wet en de profeten om ons in het evangelie te bevestigen en ook om ons leven te regelen in alle eerbaarheid. Bij dat laatste zou je dan met name kunnen denken aan de zgn. burgerlijke wetten. Wetten, dus, die het maatschappelijke en politieke leven van Israël moesten regelen in onderscheid van de rituele die meer betrekking hadden op de eredienst.
Als we er over nadenken, hoe in de praktijk van het christen zijn met deze wetten wordt omgegaan, dan lijkt het hier allemaal wel erg willekeurig er aan toe te gaan. In zijn boek „Het vaste verband", heeft prof. Graafland daar al een voorbeeld van gegeven. In de al eerder genoemde tekst Deut. 22 vs 5 gaat het over de mannen-en vrouwenkleren. Sommigen zien daar een duide-
lijk Bijbels gebod in inzake onze kleding en willen daar graag de hand aanhouden. Zelf zou ik dat ook willen doen. Maar terecht stelt prof. Graafland dan de vraag: Waarom geldt vs 11 dan niet? Waarom dragen we dan wel zonder enig gewetensbezwaar kleding van gemengde stof?
En zijn de voorbeelden niet nog met vele aan te vullen? Deuteronomium 20 speelt de laatste tijd weer een belangrijke rol in verband met de discussie over de kernwapens. Haast argeloos argumenteert men vanuit zo'n O.Tisch gegeven. Men vraagt zich niet af: Wat geeft mij het recht om dit gegeven wel te gebruiken en een ander eenvoudig te laten liggen? Waarom wordt een zoon die tegen zijn vader opstaat niet meer gedood? Deut. 20 vs 18 — 21. En geldt het zwagerhuwelijk niet meer? Deut. 25 vs 5 vv. En zouden verschillende wetten over de reiniging bijv. uit Lev. 15 ook nu nog niet van hygiënische betekenis kunnen zijn? Heel interessant is daarbij ook de worsteling van de christelijke kerk rondom de toepassing van Deut. 23 vs 19, 20 e.d. bij veranderende economische omstandigheden.
Uit al deze en andere voorbeelden kan blijken dat er aan de ene kant sprake kan zijn van een stuk binding ten aanzien van de politieke wetten van Israël maar tegelijkertijd is er bij een ieder hoe ernstig hij of zij het ook nemen wil tegelijk een stuk ruimte. En we kunnen ons inderdaad afvragen of de verdeling tussen die beide niet een zaak is van persoonlijke willekeur. We laten ons slechts gelegen liggen aan wat in ons straatje past, het andere leggen we gemakkelijk naast ons neer. Het is immers toch maar Oud-Testamentisch.
. Het is zeer noodzakelijk om ons van dit gevaar bewust te zijn. En in de omgang met de Schrift ook op dit punt kritisch te zijn op onszelf. Dat wil zeggen dat we onszelf willen stellen onder de kritiek van het Woord. We-laten het Woord kritisch zijn op ons. Het gaat hier om de houding van ons hart. Maken we ons al gauw van een Schriftgegeven af of zoeken we zo lang en zo ernstig mogelijk naar de betekenis ervan ook voor ons nu. Dat zijn vragen, die we in de eerste plaats onszelf hebben te stellen. Met oordelen over anderen moeten we maar erg voorzichtig zijn in het bijzonder als het gaat over zoiets persoonlijks als de houding van je hart. .
Maar zelfs al willen we dan zo ernstig mogelijk rekening houden ook met deze Schriftgegevens, dan blijft er die ruimte over. Ze draagt immers een specifiek israëlietisch karakter. Ze waren bestemd voor dat volk dat toen en daar leefde onder die bepaalde kulturele omstandigheden. We kunnen bijv. denken aan voorschriften, die verband houden met bepaalde methoden van landbouw en veeteelt. Het specifieke israëlietische zou daarbij voor ons niet meer gelden, wel het algemeen menselijke dat in elk geval verscholen ligt, dat de kern vormt van elk gebod. Het is dan geboden bij zo'n voorschrift als het ware te onderscheiden tussen de schil en de pit. Door nauwkeurige bestudering en aandachtige overweging moet de pit er als het ware uitgehaald worden. Een voorbeeld daarvan vond ik bij de uitleg van het al een paar keer genoemde schriftgegeven Deut. 22 vs 5. Dr. J. Ridderbos schrijft daarbij in de Korte Verklaring: „Wij sluiten ons dan ook liever aan bij de mening, dat deze geboden beogen eerbied in te prenten voor de door God gegeven scheppingsorde, en voor het daarin gestelde onderscheid tussen de geslachten en de soorten."
Het specifiek Israelietische vormt hier dan de konkrete soort van kleding, die toen en daar voor mannen en vrouwen gold. Het algemeen schepsel matige is dan dat je mannen en vrouwen moet respekteren in hun eigenheid en dat dat ook in de kleding tot uitdrukking dient te komen. Ridderbos schrijft verder: Dit betekent niet, dat daarom de bepalingen zelf zo rechtstreeks uit de scheppingsordeningen voortvloeien, dat ze ook na het vervallen der O.Tische bedeling nog naar haar letterlijke vorm verplichtend zijn. Veelmeer moet men zeggen, dat dit inprenten van eerbied voor de scheppingsordeningen geschiedt door middel van zodanig uitwendige aard, dat ze duidelijk het stempel der oude bedeling dragen."
Bij het zoeken naar de blijvende betekenis van een gebod is hier als het ware een achterwaartse beweging gemaakt. Men zoekt naar de scheppingsordening die er aan ten grondslag ligt en wijst die aan als algemeen geldend.
We kunnen echter ook denken aan een voorwaartse beweging. Naar de vervulling in Christus. In de vermelde brochure heeft prof. Douma het over een ontwikkeling van het O.T. naar het N.T. Hij denkt dan met name aan de huwelijkswetgeving, de positie van de vrouw en de viering van de sabbath. Hij wijst er ook op, hoe in het O.T. de doodstraf veel meer wordt toegepast.
Misschien zouden we kunnen zeggen dat net als de ceremoniële wetten, ook de burgerlijke in Christus zijn vervuld. En dat we de politieke wetten van het Oude Testament mogen navragen op hun grondslagen van liefde, barmhartigheid en trouw. Wat dat betreft kon de Israelietische wetgeving nog wel eens een rijkere betekenis hebben dan we denken, ook voor ons maatschappelijke en politieke leven. Ik las bij Feenstra: Onze Nederlandse Geloofsbelijdenis blz. 278, dat Franciscus junius daar al op gewezen heeft.
Over die achterwaartse en voorwaartse beweging bij het zoeken naar de aktualiteit van het gebod van God zou nog veel te zeggen zijn. Er liggen hier veel theologische voetangels en klemmen. Wat is bijvoorbeeld de verhouding tussen het schepselmatige en het christelijke? En in hoeverre is in de tijd van het „reeds-wel en nog-niet gekomen zijn van het koninkrijk" het christelijke ook politiek te realiseren? Maar we laten dat rusten.
Wel wijs ik er nog op dat we met bovenstaande opmerkingen de ruimte, die er tussen het gebod zoal we dat vinden in de burgerlijke wetgeving van Israël en zijn betekenis voor het heden, niet hebben opgevuld. Hoogstens trokken we er wat hulplijnen in, zodat we er niet al te verloren in hoeven te staan.
En wie zich ondanks dat alles toch enigszins verlaten en troosteloos gevoelt mag weten en vertrouwen, dat de ruimte ten-
slotte de ruimte is van de Heilige Geest. Hij is ons gegeven als Leidsman op de weg der eeuwen, de weg van de tijden en van de kuturen. Door al die tijden en kuituren heen leidt Hij de gemeente van Christus als de Geest van het Woord. Door al die tijden en kuituren heen neemt Hij het uit Christus en verkondigt het ons.
Dat kan heel konkreet inhouden, dat wat wij altijd in een stuk argeloosheid omdat we oprecht begeerden te leven naaide woorden Gods voor specifiek israelietisch hebben versleten, in een bepaalde tijd en onder bepaalde omstandigheden ineens nieuwe betekenis kan krijgen. We hebben al over de oorlogswetgeving gesproken. We kunnen ook denken aan de wetten over het jubeljaar en de tienden in een tijd waarin het niveauverschil van inkomens soms op onrecht lijkt. En wat zou de wetgeving rondom het sexuele leven niet kunnen betekenen nu dit terrein wel overgegeven lijkt aan de boze lusten van ons vlees.
Het mag duidelijk zijn dat we als het gaat over de aktualiteit van deze wetten niet zomaar een pasklaar antwoord hebben, vaak weten we het niet goed. Maar we mogen desondanks leven bij het Woord, bidden om de leiding van de Geest en zo de HEERE dienen in eenvoud en oprechtheid van ons hart. Wie Hem need'rig valt te voet, zal van Hem Zijn wegen leren.
E. Jac. W.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 augustus 1982
Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 augustus 1982
Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's