Bekijk het origineel

Over Poalmberymingen

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Over Poalmberymingen

8 minuten leestijd

(1)

póalmbery Van de kerkvader Augustinus is de uitspraak: „Wie zingt bidt dubbel". Hij was van mening dat het gemeenschappelijk zingen in de kerk buitengewoon geschikt is om „de ziel met vrome aandoeningen te vervullen en de hartstocht van de goddelijke liefde aan te steken".

Wat Augustinus hier uitspreekt is dooide gelovigen van alle eeuwen als waarheid ervaren. Het psalmgezang in het midden van de Gemeente des Heeren is daarom van uitnemende waarde. Het maakt, na de prediking van het Woord en de dienst der gebeden het belangrijkste deel van de eredienst uit. In het lied geeft de vergaderde Gemeente, die in de Naam des Heeren is saamgekomen, uiting aan wat omgaat in haar hart. Want in het echte zingen, zingt het hart mee! Welk een voorrecht als de psalmen niet maar opklinken uit de mond alleen, maar opwellen uit 's harten diepste grond omdat wij persoonlijk betrokken raakten bij het heil des Heeren waarvan de psalmen zingen en we in ons lied vertolken mogen onze strijd en vrees, onze schuldbelijmingen denis en verootmoediging, maar ook ons geloof en onze hoop, zodat we jubelend en dankend zingen mogen van de deugden Gods, van Ziin goedheid, grootheid en overwinning.

Het is de apostel Paulus, die de Efeziërs aanspoort om onder elkander te spreken met psalmen en lofzangen en geestelijke liederen (Efeze 5 : 19). Dat dit niet, zoals we zouden kunnen denken, op het persoonlijk voor zichzelf zingen slaat, verklaart prof. Van Leeuwen in zijn commentaar op de brief aan de Efeziërs bij deze tekst als hij zegt, dat de schrijver vooral aan de samenkomst van de gelovigen zal hebben gedacht.

Reeds in de eerste tijd van de christelijke kerk hebben de psalmen een belangrijke rol gespeeld in de eredienst. Van psalmberijming was nog geen sprake... men zong de onberijmde teksten. Achter elke psalm voegde de oude kerk het „klein Gloria" in, de lof van de Drieënige God:

„Ere zij de Vader en de Zoon en de Heilige Geest, als in den beginne, nu en immer en van eeuwigheid tot eeuwigheid". In de Roomse kerken werd niet door de Gemeente gezongen. De Roomse kerk had zich in de loop der eeuwen zó ontwikkeld, dat de gemeentezang geheel verdween en plaats maakte voor de koorzang in de kerk. Geschoolde zangers zongen de psalmen in het latijn en de gemeente werd van een gemeente van zangers een gemeente van hoorders!

In de eredienst van de kerken van de Reformatie werd de Gemeente, door haar zingen, er weer aktief bij betrokken. Dat kon niet terstond na de Reformatie al het geval zijn.. Men kon nog niet. tot het invoeren van kerkliederen overgaan omdat deze ontbraken. Er waren eenvoudigweg nog geen liederen. Het was Luther die in 1524 er een begin mee maakte. Als Luther al van plan zou zijn geweest psalmen te laten zingen zoals sommigen denken, is dat er toch niet van gekomen. Wel sluiten enkele door hem gedichte gezangen bij de grondgedachte van een psalm aan b.v. het lied „Aus tiefen Not schrei ich zu Dir" bij psalm 130 en: „Ein feste Burg ist unser Gott" bij psalm 46. Ook vertaalde Luther enkele middeleeuwse Hymnen, die in massa voorradig waren en liet die door de Gemeente zingen. Zo kreeg in de Luthers kerken het vrije lied ruim de overhand over de psalmen, die nauwelijks gezongen worden.

Calvijn en de gemeentezang

Evenals Luther zag Calvijn als dringende noodzaak, dat de Gemeente weer een zingende Gemeente zou worden. Maar hij koos, anders dan Luther, niet voor het vrije lied of de hymnen van de oude kerk, maar voor de psalmen. Volgens hem moest de bron van de lofzang van de Gemeente voor alle eeuwen het boek van de psalmen van het Oude-Testament zijn. Dit moest in zijn geheel worden opgenomen in het zangboek van de Nieuw-Testamentische Gemeente. Als er al iets naast de psalmen zou worden opgenomen, dan moest dit „Schriftuurlijk" zijn... direkt ontleend aan de Heilige

Schrift, hoewel het niet letterlijk zo in de Bijbel behoefde te staan.

Samengevat vond Calvijn het „Schriftuurlijk" lied:1. In het Oude Testament, met name in het boek der Psalmen, in de zangen van de profeten cn verder ook in andere Bijbelgedeelten. Het lied moet geschreven zijn in couplettenvorm, passen in de Dienst des Woords en verkondiging zijn. 2. In het Nieuwe Testament, b.v. de lofzangen als die van Simeon. 3. In de belijdenis van de Kerk der eeuwen.

Calvijn dacht daarbij b.v. aan het Credo, de geloofsbelijdenis. Hij wilde die belijdenis door de Gemeente laten zingen, evenals de Tien geboden. In het zangboekje van Straatsburg (1539), opgesteld door Calvijn. zijn de geloofsbelijdenis en de tien geboden opgenomen.

Bovendien, aldus Calvijn, moet de lofzang door de Gemeente zelf worden aangeheven en dus niet worden overgelaten aan een koor van geoefende zangers zoals dat in cle Roomse kerk het geval was. Als Calvijn ongeveer een half jaar predikant van Genève is, namelijk op 16 januari 1537, deelt hij ook uit naam van Farel, aan de raad van de stad mede, dat de kerkeraad wil overgaan tot het doen zingen door dc Gemeente van de psalmen. Motivatie: „de psalmen zullen ons kunnen aandrijven om onze harten tot God te verheffen en ons in gloed te zetten, als om Hem aan te roepen en door lofprijzing de eer van Zijn Naam te verhogen".

Evenwel... om de psalmen te berijmen in versvorm om straks in de eredienst gezongen te kunnen worden, waren dichters nodig. En Calvijn, hij mocht dan al enkele psalmen hebben berijmd, was geen dichter. Dus moest hij die zoeken. Hij vond er twee... Clément Marot en Theodorus Beza. Marot was een zeer begaafd dichter en ook Beza had op poëtisch gebied gaven. Nu was deze Marot een omstreden figuur. Als man van de wereld leidt hij een leven vol avonturen. Hij wordt herhaaldelijk van ketterij beschuldigd, maar kan zich in de strenge levensopvatting van het Calvinisme niet vinden. Na veel wederwaardigheden, waarbij hij zelfs in de gevangenis terecht komt. verschijnt hij in 1536 in Frankrijk. De nu volgende jaren wijdt hij zich aan de dichtkunst. Als hofdichter van Frans I verzoekt deze hem een berijming van psalmen te maken. Deze berijming vond in Genève veel waardering. Als in 1539 van de hand van Calvijn een boekje verschijnt: .Enige psalmen en liederen op zangwijzen gesteld", komen daarin 13 psalmen van Marot voor. Zonder twijfel was Marot de grootste franse dichter van zijn tijd. In 1562 verscheen de Geneefse psalmberijming. Het was een berijming van alle 150 psalmen. 47 waren van Marot, 103 van Beza. Maroi berijmde psalm 103 : 1 aldus:

„Mijn ziele wil den Heer' met lofzang prijzen: Al wat in mij is moet Hem eer bewijzen, En Zijnen heiligen Naam loven met vliet. Wil Hem prijzen en roemen onbeladen, O, gij mijn ziel, loof des Heeren weldaden. Die gij ontvangen hebt, vergeet die niet." (Vertaling Datheen)

Honderden, ja duizenden zijn in de eerste tijd van de Hervorming met de psalmen van Marot het schavot opgegaan.

Wc zeiden reeds: ook Beza bezat dichterlijke gaven. In 1548 was van hem een bundel jeugdgedichten verschenen, de , , Poëmata iuvenilia". Kenners roemden het eenstemmig. Na zijn bekering begeeft Beza zich naar Genève (oktober 1548). Zijn huwelijk met Claude Denosse wordt door Calvijn ingezegend. Calvijn, ervan op de hoogte dat Beza kon dichten, verzocht hem de nog ontbrekende honderd psalmen te berijmen. Het tempo waarin Beza er mee bezig was, maakte Calvijn wat ongeduldig. Hij schreef in 1551 aan Viret: „Als Beza een paar Psalmen gereed heeft, laat hij dan niet wachten met ze mij op te zenden. Dring er toch bij hem op aan, dat hij er enkele zendt door de eerste koerier de beste".

Maar Beza pakte de zaak grondig aan. Hij maakte eerst een grondige studie van de Psalmen, bestudeerde ze in het Hebreeuws en in het Latijn om ze daarna in het frans vertaald van proza in poëzie over te brengen. Bovendien was Beza bezet met velerlei ander werk, zodat, zoals we reeds opmerkten, eerst in 1562 in Genève de bundel berijmde psalmen volledig was. Maar nu moest deze bundel psalmen ook nog zingbaar gemaakt worden. Immers... een lied, dus ook een psalm, kan alléén gezongen worden als het op muziek is gezet. Het gelukt Calvijn twee componisten voor dit werk te vinden. Het zijn: Maistre Pierre en Louis Bourgeois. Bourgeois was als componist het meest gezaghebbend. Geboren in het begin van de I6de eeuw, kwam hij in 1541 voor het eerst in Genève met Calvijn in aanraking. De melodieën zijn gedeeltelijk afkomstig van volksliederen, die hij omvormde.

Ook maakte hij enkele nieuwe melodieën. Een conflict met Calvijn deed Bourgeois uit Genève vertrekken. De rest van de psalmen werd nu door Maistre Pierre van wijzen voorzien.

Onder de 123 psalmwijzen met oorspronkelijke wijzen (er zijn 27 „dubbelgangers" bij) zijn er 85 door Bourgeois bewerkt, de andere zijn van zijn collega Pierre. Ook is Bourgeois de bewerker van de lofzang van Simeon, de Tien geboden en van het gebed vóór en na het eten.

Dat de arbeid van deze mannen van onschatbare waarde was en is, blijkt daaruit, dat onze tegenwoordige psalmmelodieën nog die van Bourgeois en Pierre zijn.(Wordt vervolgd)

Bolnes/Ridderkerk.

H. H.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 oktober 1984

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

Over Poalmberymingen

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 oktober 1984

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

PDF Bekijken