Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Paulus' vrienden

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Paulus' vrienden

9 minuten leestijd

Vele schrijvers schreven vele boeken over de apostel Paulus, weinigen deden dit over Paulus' vrienden. Toch hebben deze vrienden veel voor Paulus betekend. Ze namen in het hart en leven van de grote heidenapostel een ruime plaats in. Aan die vrienden van Paulus willen wij enige aandacht schenken.

Beperking is daarbij onvermijdelijk. Paulus heeft in zijn brieven niet minder dan drie-en-zeventig personen, waaronder vijftien vrouwen, met name en opzettelijk genoemd. Deze veelheid reeds dwingt tot een keuze. Van elke vriend valt bovendien niet evenveel te vertellen.

Vriendschap, echte vriendschap is een waardevolle zaak. De Heidelbergse Catechismus zegt in Zondag 2, dat de mens van nature geneigd is om God en zijn naaste te haten. Dit zo zijnde, mag de vriendschap gezien worden als een gave van God, welke Hij in Zijn goedheid nog aan de mens heeft gelaten.

Hoe goed is het een goede vriend of vriendin te hebben. Iemand waaraan men innerlijk verwant is, waarmee men kan spreken van mond tot mond maar ook van hart tot hart. Die in tegenslag naast u staat, in droefheid troost, die van harte met u meeleeft. En dat uiteraard in wederkerigheid. In een wisselwerking van geven en ontvangen. In een wederzijds vertrouwen, een wederzijds zich voor de ander opofferen.

Ieder mens heeft behoefte aan vriendschap, maar niet voor ieder is ze weggelegd. Ook Paulus heeft vrienden gehad. En zeker heeft een man als hij: , met zulk een grote verantwoordelijkheid, staande voor een ontzaglijke taak, die in zijn leven zoveel tegenwerking, vijandschap, tegenslag en lijden ondervond, behoefte aan medeleven en vriendschap gehad.

Er zijn in de geschiedenis grote mannen geweest, die zich isoleerden. Als uit een ivoren toren zagen zij laatdunkend neer op het menselijk gedoe. Ver waanden zij zich daarboven verheven. Zo was Paulus niet. Een Engels schrijver heeft gezegd: „Hij had

een zin (aanleg) voor de liefde van mensen en verbond hen aan zich met ketenen, sterk als staal."

De behoefte van de apostel aan vrienden kunnen wij opmaken uit 2 Timotheüs 4 : 9 — 11. Daaruit blijkt dat Paulus in een bepaalde situatie hunkert naar de aanwezigheid van zijn vriend Timotheüs. Hij smeekt hem als het ware toch tot hem te komen.

En daarin gelijkt Paulus op zijn Meester. Ook de Heere Jezus zonderde Zich niet van de mensen af. Trok zich niet dan voor een tijd terug. Hij had naar zijn mensheid behoefte aan vriendschap. Hij koos zich een kring van vrienden en vertoefde gaarne in het liefelijk gezin van Lazarus, Maria en Martha te Bethanië, dicht bij Jeruzalem, maar toch ver af van 't gewoel en de vijandschap van die stad. Vooral met Johannes was Hij door hechte banden van vriendschap verbonden.

Zo was ook het leven van Paulus saamgeweven met dat van zijn vrienden. Zij ondervonden de machtige invloed van zijn persoon en wederkerig onderging Paulus hun invloed.

Over enkele vrienden dan enkele gedachten. We beginnen met hem, die de eerste vriend van Paulus kan worden genoemd:

Ananias

Nadat Saulus op de weg naar Damaskus met goddelijke overmacht door de Heere is neergeslagen, kan hij niet meer zien. De heerlijkheid van de Majesteit van God maakt hem blind. Later zegt hij zelf ervan: „En als ik vanwege de heerlijkheid van dat licht niet zag, zoo werd ik bij de hand geleid van degenen, die met mij waren, en kwam te Damaskus".

„En kwam te Damaskus", ja... maar anders dan hij zich had voorgesteld. Gekomen naar de stad Damaskus als een briesend paard tegen allen die Jezus volgden, komt hij nu als een verslagene; verslagen door de Heere Jezus Christus. Als een gebroken man strompelt hij Damaskus binnen. In het huis van een zekere Judas in de straat genaamd: de Rechte, vindt hij onderdak. In zijn geestelijke ontreddering is hij zich nauwelijks bewust van zijn lichamelijk bestaan: hij eet noch drinkt. Drie dagen is hij blind en van mensen verlaten. Het is of de Heere hem de ogen buitenste-binnen heeft gekeerd. De zintuigelijke waarneming wordt tot een inerlijk zien, tot een innerlijk verwerken van wat de openbaring van Jezus' heerlijkheid hem toonde. Hij is blind... om zich te concentreren op het voor hem schokkende feit, dat die door hem verfoeide Jezus, toch is de Messias, de levende Heere!

Zó eigen krachtsinspanning en eigen vroomheid te zien instorten... dat betekent sterven! Sterven in zichzelf en aan zichzelf! Gedood worden door het zien van Gods licht en waarheid in Christus.

Evenwel is deze openbaring van God niet ten dode maar ten leven. De Heer' laat Saulus niet in de ellende blijven. Hij gaat een man inschakelen, die als een vriend en broeder Saulus verder zal leiden.

De naam van deze man is: Ananias, wat wil betekenen: „aangenaam voor God".

„Een zeker discipel" staat er. Een niet zo bekende persoonlijkheid. De kanttekeningen op deze plaats raadplegend, lezen we: „Hij was een voornaam discipel. Sommige oude leeraars menen, dat hij een is geweest van de 72 discipelen door Christus tevoren verkoren."

Waarschijnlijk is hij de leidende man geweest in de kleine Christelijke Gemeente te Damaskus. Deze weinig bekende discipel gebruikt de Heere om Saulus tot het licht te brengen. De Heere vraagt niet naar meerdere of mindere bekendheid, naar meerdere of mindere begaafdheid. Hij schakelt ook minder begaafde en minder bekende mensen in zijn dienst in, opdat alle roem van mensen zij uitgesloten en des te klaarder zal blijken, dat Hij alleen alle dingen werkt.

Opmerkelijk... zowel Ananias als Paulus ontvangen een visioen. Ananias om er toe gebracht te worden naar de gevreesde vijand toe te gaan, Saulus om zeker te weten dat in Ananias een bode van Jezus tot hem komt.

„Want zie, hij bidt." Dat wordt als groot nieuws over Saulus aan Ananias medegedeeld. Had Paulus dan nooit gebeden? Wat dacht u? Ooit gehoord van een farizeeër die niet bad? Ze deden het zelfs op straat om van de mensen gezien te worden. Maar... van buiten geleerde gebeden opzeggen zonder nadenken of toepassing op het eigen hart, is nog geen bidden. Echt gebeden had Paulus nog nooit. Bidden toch is: geen houvast meer in jezelf hebben en God aangrijpen in zijn genade. Bidden... dat is het leven buiten zichzelf in Jezus Christus zoeken in het besef van eigen onmacht.

Zó bidt Paulus nu! Als een arme smekeling vraagt hij om genezing van zijn blindheid, maar bovenal om de vergeving van zijn zware schuld. Het farizeeërs-gebed is geworden tot een tollenaars-gebed: „O, God, wees mij de zondaar genadig".

Ananias krijgt de opdracht naar Saulus te gaan. Hij moet aan hem doorgeven, uit naam van zijn Meester, dat hij „een uitverkoren vat is om zijn Naam te dragen..." En in die mededeling van Gods wege is vervat de roeping van Saulus tot apostel des Heeren.

Ananias schrikt terug voor die opdracht. „Een zekere Saulus van Tarzen." Maar Ananias kent de naam van deze man maar al te goed. „Heere", zegt hij, „ik heb uit velen gehoord van deze man hoeveel kwaad hij uwe heiligen in Jeruzalem gedaan heeft."

Ananias weet al van het woeden van deze Saulus tegen de gelovigen in Jeruzalem. Hij weet af van de aan Saulus door de overpriesters verstrekte volmacht om allen die de Naam van Jezus aanroepen, gevangen te nemen.

Dat hij naar deze man toe moet ziet Ananias niet zo goed zitten. Daar heeft hij grondige bezwaren tegen. Maar als de Heere het bevel: „Ga heen" herhaalt, overwint de gehoorzaamheid van het geloof zijn vrees. Wonderbaar en ondoorgrondelijk is de opdracht, nochtans zal Ananias haar uitvoeren. Straks staat hij aangezicht aan aangezicht met de man van wie zoveel kwaad werd gevreesd. Begrijpen doet hij het niet, maar door het geloof doet hij wat hem bevolen is. Hij legt Saulus de handen op en spreekt hem aan als: „Saul, broeder..." In de handoplegging ligt de erkenning als medelidmaat van de Gemeente van Christus en de wijding tot de dienst des Heeren.

„Saul, broeder"... welk een aanspraak!

Ananias stelt zich met de gevreesde vervolger van de Gemeente op één lijn: ik ben niet beter dan gij. Sta op mijn medezondaar en wees mijn broeder in de genade, met mij verlost door de Heere Jezus Christus". Ananias weet het. wie van zijn Meester vergeving ontvangt die mag hij de vergeving niet weigeren.

„Saul, broeder", het moet Saul in de oren geklonken hebben als muziek uit de hemel. Saul ziet z'n gebed verhoord, de schellen vallen hem van de ogen, uiterlijk en innerlijk. Hij ziet Ananias, de bode van vrede, de brenger van Gods genade, die in haar rijkdom aan hem wordt verheerlijkt. Ananias is hem geen vijand meer, maar een vriend! Een vriend die aanwijzing geeft, dat Paulus dient gedoopt te worden.

In zijn rede tot de Joden in Jeruzalem zegt Paulus ervan, dat Ananias tot hem sprak: En nu, wat vertoeft gij? Sta op, en laat u dopen, en uwe zonden afwassen aanroepende de Naam des Heeren" (Hand. 22 : 16).

Als teken en zegel, dat Saulus opstond uit de dood en van nu af Christus in hem leeft, ontvangt hij de doop. Zoals hij in het water wordt ondergedompeld, zo ging hij met Christus (Die voor hem stierf onder Gods toorn) onder in de dood, om gereinigd door de levendmakende Geest van Christus op te staan tot een nieuw leven voor God.

Deze diepingrijpende gebeurtenis is Paulus zijn levenlang bijgebleven. En aan Ananias wist hij zich met banden van vriend-en broederschap voor altijd verbonden. Ook daarvan maakte hij in zijn rede te Jeruzalem gewag: „en een zekere Ananias, een godvruchtig man naar de wet, goede getuigenis hebbend van al de Joden die daar woonden, kwam tot mij en bij mij staande zeide tot mij: Saul, broeder! wordt ziende. En terzelfder ure werd ik ziende op hem".

En uit dat opgeheven gelaat van Ananias straalde hem zoveel vrede toe en die ogen zagen hem zo vriendelijk aan, dat hij het nooit vergat. Er was iets in van de „vriendelijke ogen", waarvan wij met de psalm zingen, dat zij „van eeuwigheid bij de Heere zijn" en waarbij de „milde handen" geenszins ontbreken.

Paulus is uit Damaskus vertrokken. Waarschijnlijk heeft hij daardoor Ananias uit het oog verloren en hem niet meer gezien, maar hij bewaarde een diepe herinnering aan de liefde en goedheid van zijn eerste vriend.

B.

H. H.

Dit artikel werd u aangeboden door: https://www.hertog.nl

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 september 1985

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

Paulus' vrienden

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 september 1985

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

PDF Bekijken