Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Erger dan een onqeiomge

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Erger dan een onqeiomge

9 minuten leestijd

„Bestraf een oude man niet hardelijk, maar vermaan hem als een vader: e jonge als broeders; de oude vrouwen als moeders; de jonge als zusters, in alle reinheid. Eer de weduwen die ivaarlijk weduwen zyn. Maar zo enige weduwe kinderen heeft of kindskinderen, dat die leren eerst aan hun eigen huis godzaligheid oefenen en de voorouderen wedervergelding doen; want dat is goed en aangenaam voor God. Die nu rvaarlijk weduire is en alleen gelaten, die hoopt op God en blijft in smekingen en gebeden nacht en dag. Maar die haar ivellust volgt, die is levende gestorven. En beveel dit, opdat zij onberispelijk zijn. Doch zo iemand de zijnen en voornamelijk zijn huisgenoten niet verzorgt, die heeft het geloof verloochend en is erger dan een ongelovige." 1 Timotheüs 5 : 1—8

Onderscheiden pastoraat

Hoe dient een jong pastor met onderscheiden soorten gemeenteleden-om te gaan, vooral als het gaat om tucht, om vermaning, om bestraffing.? Opmerkelijk is de nuchterheid en de menselijkheid van de apostel in zijn voorschriften. , , Hij beveelt Timotheüs zachtmoedigheid en matigheid bij het verbeteren van gebreken" (Calvijn). U moet

letten op leeftijd en geslacht. Tegen een oude broeder mag u niet hard uitvaren. U moet hem vermanen alsof het uw vader was. De jongeren dient u als uw broeders te zien, de oude vrouwen alsof het uw moeder was, de jonge vrouwen vermaant u alsof ze uw zuster waren, daarbij kuisheid in acht nemend. Opmerkelijk: de gezinsverhoudingen gelden als maatgevende norm. De gemeente

Gods gezien als een gezin. Dat is bekend in de Schrift. Leden van de gemeente worden aangesproken als huisgenoten Gods of huisgenoten des geloofs. Welnu, de omgang tussen pastor en gemeente dient te zijn zoals de omgang in een huisgezin hoort te zijn. Onderlinge band aan Christus het Hoofd der gemeente is alles bepalend. De band van Boven af gelegd, bindt samen. De grote Pastor Christus doortrekt de pastorale zorg en aandacht voor elkaar. Als Christus niet samenbindt, wie of wat dan nog wel? Een jonge dienaar als Timotheüs mag oudere gemeenteleden niet hautain behandelen. Met jongeren dient omgegaan te worden als waren het onze broers of zusters. En met oudere vrouwen als waren ze onze moeder. Dat die onderlinge verbondenheid en betrokkenheid meer werd gevonden in de onderlinge omgang binnen de ene gemeente Gods!

Zorg voor weduwen

Opmerkelijk is de uitvoerige aandacht die ook Paulus aan de weduwen geeft. Ook Paulus, schrijven we met nadruk. Want de bijzondere zorg voor weduwen is een bijbels motief. We hebben te bedenken dat haar sociale positie in oude dagen heel erg zwak was. Een weduwe is vaak beeld van verdrukking, van rechteloosheid, van achteruitstelling, van discriminatie. Niet voor niets liet God in de mozaïsche wetgeving al duidelijke bepalingen opnemen die weduwen dienden te beschermen. God heet Zelf een God die weduwen haar recht verschaft. Een God die weduwen staande houdt. God is een Rechter der weduwen. En de opdracht aan de vromen in Israël is o.a. de twistzaak van de weduwen op zich te nemen. De weduwe en de wees mogen niet verdrukt, niet achteruit gezet worden. En Jakobus acht het te behoren tot de zuivere godsdienst om weduwen in hun verdrukking te bezoeken. En de direkte aanleiding tot het ontstaan van het diakenambt was de murmurering der Grieksen tegen de Hebreeën dat hun weduwen in de dagelijkse bediening verzuimd werden (Hand. 6).

Eusebius vertelt dat de kerk van Rome in de 3e eeuw 1500 weduwen en behoeftigen te verzorgen had (bij Ridderbos gelezen). „Eer de weduwen die waarlijk weduwen zijn".

Niet zo eenvoudig te vatten is de uitdrukking 'die waarlijk weduwen zijn'. Men neemt aan dat het niet slaat op weduwen die kinderen of kleinkinderen bezitten. Dat zijn weduwen die hulp hebben en bescherming ondervinden van genoemde kinderen. Weduwe wil zeggen: niemand hebben, van alle menselijke bescherming verstoken zijn. Waarlijk weduwe zijn was: je totale hulpeloosheid ervaren en er zelf ook niet op een ongeoorloofde manier trachten een eind aan te maken. Welnu, zo'n weduwe diende de gemeente in ere te houden, te eren, te ondersteunen in liefde en met aandacht. En dat niet alleen. W T ant met woorden en aandacht alleen was zo'n zuster der gemeente die waarlijk weduwe was (dus niemand had) ook niet geholpen. Van woorden alleen kun je niet eten, niet leven. De gemeente wordt hier opgeroepen zulke zusters der gemeente daadwerkelijke hulp en financiële ondersteuning te bieden. Diakonale dienst aan de zwakken. Helpen van hen die geen helper hebben. Nog altijd roeping der gemeente. De barmhartigheid Gods zoekt gestalte in zulk dienstbetoon. Deze duidelijke notie wil gestalte krijgen binnen de christelijke gemeente dichtbij èn veraf. We mogen niemand laten omkomen die op onze stoep ligt. Zeker niet als het geldt de huisgenoten des geloofs.

Kinderen en weduwen

„Maar zo enige weduwe kinderen heeft of kleinkinderen, dat die leren eerst aan hun eigen huis godzaligheid oefenen en de voorouderen wedervergelding doen; want dat is goed en aangenaam voor God." In vers 3 betrof het weduwen zonder kinderen en dus ook zonder kleinkinderen: die waarlijk weduwen zijn. In vers 4 gaat het over de eerste plicht van kinderen en kleinkinderen. We hebben het weieens over levensheiliging. Nu, die begint dichtbij ja in eigen huis. De meest primaire plicht van kinderen en kleinkinderen is ouders en grootouders materieel te verzorgen en bij te staan. Die zorg niet in eerste instantie op anderen af te wentelen, maar zelf op zich te nemen, acht de apostel christenplicht. We dienen zulke woorden uiteraard tegen de achtergrond van die tijd te lezen. Een tijd zonder financiële ondersteuning, noch vanuit de overheid, noch vanuit andere instanties.

Niet meer werken betekende geen inkomsten meer. Kinderen waren het die hun ouders verzorgden en verpleegden, indien nodig. Wij leven in een tijd van sociale voorzieningen ook voor ouderen. We kennen verzorgings-cn verpleegtehuizen. Op zichzelf zegenrijke instellingen voor noden en omstandigheden die door kinderen nauwelijks zijn op te lossen, soms ook door de totaal veranderde maatschappelijke omstandigheden. Toch dienen we erop bedacht te zijn dat de laatste decennia van deze eeuw bij uitstek de jaren lijken van het individu. De zorg van mensen voor en door elkaar is veel minder persoonlijk en minder natuurlijk dan vroeger. Dat geldt in niet geringe mate voor de ouderen die doorgaans niet meer door familie zoals Paulus hier bedoelt, maar in tehuizen worden verzorgd. De mens in nood is tegenwoordig op instanties aangewezen en niet op persoonlijke hulp. Familie en gezin verliezen aan funktie. We worden met z'n allen meer en meer als individuen behandeld. Terwijl we hier veel meer nog vinden het gezinsdenken, het uitgaan van onderlinge zorg en aandacht. Ja, en dan niet verplicht, maar als een Gode welgevallige stijl van leven. Vanuit het vijfde gebod met name: eert uw vader en uw moeder. Want dat is goed en welgevallig voor God.

Hoop op God

„Die nu waarlijk weduwe is en alleen gelaten, die hoopt op God en blijft in smekingen en gebeden nacht en dag." Hier komen we weer bij hen die waarlijk weduwe zijn. Die geen helper, geen kinderen of kleinkinderen hebben. Die niemand heeft tot wie ze zich wenden kan. In zulke omstandigheden blijft er maar één Helper over: God. Die hoopt op God. Hoe hulpeloos ook in zichzelf, ze weet maar één weg meer. Die haar hoop ini 't hachlijkst lot vestigt op de Heere haar God. Zalige troostvolle werkelijkheid. Iemand die weduwe werd zei het me onlangs nog: als ik het van mensen moest hebben, ik was slecht af. Maar ze mocht gewagen van troost en hulp uit Isrels God. Maar dat gaat niet vanzelf, nimmer zonder strijd. Ze blijft in smekingen en gebeden nacht en dag. Het oefent het geloof, het wordt gestaald in de strijd. Ze klemt zich vast aan haar Heere en God alleen. En dat nacht en dag. Zonder ophouden dus. Daar hebt u een typering van de waarlijk arme, de vrome in tegenspoed: hij hoopt op God. Armen, behoeftigeni, nooddruftigen zijn het die hun heil bij God zochten. Het zijn de armen van geest, zij die treuren, de zachtmoedigen, die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, de barmharüigen, de reinen van hart, de vreedzamen, die vervolgd worden. Daar hebt u de burger van het Koninkrijk der hemelen. Die hoopt op God. En die blijft in smekingen en gebeden nacht en dag.

, , Maar die haar wellust volgt, die is levende gestorven." Kennelijk bedoelt de apostel met deze woorden de weduwe die niet in ingetogenheid en hoop op God begeert te leven. Die dat niet kan opbrengen, die daar geen strijd voor over heeft. Ze wandelt haar eigen begeerlijkheden na en doet zichzelf zoveel mogelijk te goed aan wat het leven te bieden heeft. Ze wordt hier heel treffend genoemd: die is levend gestorven. Ze lijkt vurig te leven, zich over te geven aan wat het leven biedt. Maar ze is in werkelijkheid een dode. Ze drijft als een dode vis met de stroom van de begeerten mee. De waarlijk weduwe hoopt op God en blijft in smekingen en gebeden. Daarin blijkt haar leven, haar levend-zijn. Ze lijkt naar buiten misschien dood, doods. Maar voor God leeft ze. Terwijl de wulpse weduwe die van het leven geniet op een onjuiste manier lijkt te leven maar in werkelijkheid dood is.

Het geloof verloochend

„En beveel dit, opdat zij onberispelijk zijn. Doch zo iemand de zijnen en voornamelijk zijn huisgenoten niet verzorgt, die heeft het geloof verloochend en is erger dan een ongelovige." Beveel dit. Namelijk deze onderhoudsplicht van de kinderen. Wie deze christenplicht verzaakt, dus zijn alleen achter gebleven moeder of grootmoeder laat verkommeren, die verloochent daarmee zijn geloof. Die verdient niet langer de christennaam te dragen. Ja, die is nog erger dan een ongelovige die veelal zulk een plicht wel erkent. Een christen is immers geroepen hulp en liefde te betonen jegens zijn vijanden. Laat staan jegens zijn vrienden nog nauwer zijn moeder. Wie haar in de steek Iaat, wie aan haar nood voorbijgaat verdient de naam van christen niet meer. Duidelijk is het dat Paulus de zorg voor hen die weduwen zijn zeer hoog zat. In dit hoofdstuk komt hij er wel drie keer op terug (vs 4, 8 en 16). Christen zijn is praktijk, levenspraktijk. Geloof zonder werken is dood, wist ook Takobus

(2 : 14).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van Friday 4 October 1985

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

Erger dan een onqeiomge

Bekijk de hele uitgave van Friday 4 October 1985

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

PDF Bekijken