Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Geloof èn Wedergeboorte

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Geloof èn Wedergeboorte

14 minuten leestijd

(14)

Meermalen gaat Kohlbrügge in op de verhouding wedergeboorte en heiligmaking. Zijn hoofdgedachte is: ie wedergeboren is. is gerechtvaardigd en tevens geheiligd door en in Christus op de wijze van het geloof. In zijn boekje „Enige vragen en antwoorden tot opheldering van de Heid. Catechismus" iezen wij in vraag en antwoord 90 en v.v.: Wat verstaat de Apostel onder heiligmaking? ", Hebr. 12 : 14. „De heiligmaking in het bloed en door de Geest van Christus". Heiligmaking dus in de toegespitste betekenis van het woord.

Even tevoren vat hij de heiligmaking in de breedste zin op, namelijk het hele werk van de Heilige Geest aan het zondaarshart. Dus op de manier zoals ook de Heidelbergse Catechismus het opvat in Zondag 8, als gesproken wordt over de Heilige Geest en onze heiligmaking.

Verkort weergegeven komt het antwoord op het volgende neer. De uitverkorenen worden krachtdadig gezet in alles wat God hen in Christus bereid heeft: het hele geestelijke leven in zijn aanvang en in zijn voortgang; de roeping en daarmee verbonden de bekering (wat hetzelfde is als wedergeboorte of levendmaking of vernieuwing naar het evenbeeld van Christus), de krachtdadige toepassing van alle heilsbeloften, de persoonlijke rechtvaardigmaking en de dagelijkse vernieuwing; het vervuld worden met vruchten der gerechtigheid die door Jezus Christus zijn en de goede werken.

Er is geen sprake van dat in de heiligmaking de Wet Gods voor Kohlbrügge heeft afgedaan. In heel het heilswerk Gods, zoals dit objectief door Christus tot stand is gebracht, en onderwerpelijk wordt toegepast door de Geest aan het hart, gaat het God om de handhaving van Zijn heilige Wet.

Hij zegt bijvoorbeeld: Christus is niet werkeloos in de Zijnen. Hij richt de wet weder bij hen op, zodat de liefde van God en de liefde tot de naaste in hem leeft en woont, zodat zij gans niet meer naar zichzelf vragen, maar bloot daarnaar wat God en des naasten is" (3e Twaalftal leerredenen: al. 5 : 24, pag. 15, 16).

In de hierboven genoemde „Ophelderingen" vraagt hij: Is er nog een heiligmaking in andere zin dan alleen dat Christus onze heiligmaking is door het geloof? " Ja, volgens Romeinen 12 : 1: k bid u dan, broeders, door de ontfermingen Gods dat gij uw lichamen stelt tot een levende, heilige en Gode welbehagelijke offerande, welke is uw redelijke godsdienst. En volgens 1 Thess. 4:3: at een iegelijk van u zijn vat wete te bezitten in heiligmaking en eer. Ook volgens Romeinen 6 : 12 en 19: at de zonde niet heerse in uw sterfelijke lichaam, om haar te gehoorzamen in de begeerlijkheid van dit lichaam... want gelijk gij uw leden gesteld hebt, om dienstbaar te zijn der onreinheid en der ongerechtigheid tot ongerechtigheid, alzo stelt nu uw leden om dienstbaar te zijn der gerechtigheid tot heiligmaking.

Voorop stelt Kohlbrügge: door het geloof in Christus is Christus onze heiligmaking en zijn wij heilig voor God. Bij dit geloof moet men blijven en zo de heiligmaking najagen, en daaruit vloeit dan voort de daadwerkelijke heiliging van het leven.

Dagelijkse vernieuwing is vrucht van de wedergeboorte en die door het geloof in Christus gerechtvaardigd en geheiligd is, brengt vruchten voort „der bekering waardig".

En op de vraag: „Is er een inklevende heiligheid in de gelovigen" geeft hij ten antwoord: „God ziet geen andere heiligheid dan de heiligheid Christi, welke aan het geloof, zonder de werken der wet tegelijk

met Zijn genoegdoening geschonken en toegerekend wordt (Heid. Catechismus vraag en antwoord 60).

„Maar dat is inklevend in de oprechten van gemoed, dat de Heilige Geest in hen blijft, die hen troost en leert bidden dat God de Heere met hen doe en in hen werke wat Hij in Zijn genadeverbond beloofd heeft, weshalve ook het zaad der wedergeboorte in hen blijft en hun geloof niet ophoudt; en zo mogen alle ellendigen op de Heere hopen".

Elders schrijft Kohlbrügge: „maar wie in waarheid gelooft wordt door Christus' Geest vernieuwd om Gods wil en gebod alleen hoog in ere te houden, zichzelven te verloochenen met al zijn lusten en begeerten, de wereld te verzaken, de Heere na te volgen en op Zijn toekomst te wachten".

Het motief voor de goede werken is niet om daarmee de zaligheid te verdienen, want die heeft Christus voor hem verdiend, maar de liefde van Christus drijft hem, als vrucht van geschonken genade, om God en zijn naaste lief te hebben. Het zijn Góds werken. Vruchten uit de Wijnstok. „Wat God door mij doet, neemt Hij voor goed aan, maar ik blijf ondertussen een zondaar en onvolmaakt in mijn doen".

Dagelijkse vernieuwing van het leven als vrucht van wedergeboorte kan nooit betekenen dat we boven het geloof uitgroeien. Heiligmaking is niet de wet van God onderhouden door inspanning van eigen krachten, maar door de Heilige Geest. De geestelijke sabbatsvrede is God door Zijn Geest in mij te laten werken. „Het enige wat wij nodig hebben is dat de Heilige Geest ons drijft, en dat we zo meer en meer afhankelijk blijven van Gods genade. Ook als wedergeborene blijven we zondaren".

Over de kenmerken der wedergeboorte zegt Kohlbrügge kort en krachtig: „dat ik mijn God vreze, mijn naaste ere en liefhebbe, ook mij met mijn wedergeboorte niet trooste, maar alleen met de eeuwige trouw en ontfermingen Gods."

Als we dit alles nog eens goed op ons laten inwerken dan kunnen we niet zeggen dat Kohlbrügge de concrete goede werken terzijde stelt, maar wel dat God ze in ons werkt door de Heilige Geest. Als Kohlbrügge zegt dat we in Christus geheiligd zijn, dan ontkent hij niet dat er nu niets meer gebeurt. Sprekend over de afsterving van de oude en de opstanding van de nieuwe mens, de twee stukken der waarachtige bekering, die zich dagelijks in het leven van de wedergeborene voltrekken, zegt hij: „De bekering bestaat in het afsterven van de oude mens; niet dat hij op éénmaal gestorven is, al is hij ook gestorven in de dood van Christus Jezus en al is het ook, dat men daarin de afsterving van de oude mens ziet. In Jezus Christus is deze mens ook voor het geloof gestorven... Dit afsterven is met andere woorden een stille wandel in God, dat men een hartelijk leedwezen heeft over zijn zonden en die voor altijd ontvloden is, dat men met haar geheel gebroken heeft. Dat hebt ge in het gelóóf gedaan, toen ge hart en hand de Heere gaaft, maar dat ik het herhale, in de ervaring, in het dagelijkse leven, daar gaat het niet op éénmaal, daar is het de zonde al langer hoe meer haten en vlieden".

In „De leer des heils" heet het: „De vruchten der bekering zijn: hartelijke ootmoedigheid voor God, erkenning dat men niets is, oprechte waardering van alle geboden Gods, en een hart dat tot deze geboden geneigd is, ongehuicheld geloof aan Gods genade en ontferming in Christus en ongehuichelde overgave van zichzelven voor het heil van de naaste".

Wie weten wil of hij waarlijk wedergeboren is, kan zich volgens Kohlbrügge aan drie onbedriegelijke kenmerken toetsen. „Het onbedriegelijk kenmerk van de wedergeboorte is het bewustzijn in de Heilige Geest, het getuigenis dat de Heilige Geest aan onze geest geeft: dat wij daarboven een genadig God en Vader hebben, die om Christus' wil al onze zonden vergeeft, ons leven van het verderf heeft verlost en ons kroont met zijn goedertierenheid".

Kohlbrügge legt hiermee een nauw verband tussen wedergeboorte en rechtvaardiging door het geloof, al is het een niet gelijk aan het ander.

„Het tweede kenmerk is dat men niet doet als Saul, die steeds meende: od kon hem wel genadig zijn, wanneer hij vrome werken gedaan had, die hij zichzelf voorschreef. Hij wierp God een been voor en hield het vette vlees voor zichzelf" (1 Sarn. 15 : 9).

Kohlbrügge wijst op deze manier op het gevaar van werkheiligheid, een gevaar dat ook degenen die in Christus Ieren geloven, voortdurend bedreigt. Paulus noemt dit in de Galatenbrief: „beginnen met de Geest en voleindigen in het vlees". Geen christen is er blijkens de hele Galatenbrief te goed voor om toch weer op zijn eigen goede werken terug te vallen en zijn eigen werken buiten het geloof in Christus om als heiligmaking op te vatten. Zoals een eenvoudig en in het geloof geoefend christen eens liet weten: „ik woon in het armenhuis, maar af en toe rammel ik nog wel eens aan de deur van het werkhuis".

„Het derde kenmerk", aldus Kohlbrügge, „bestaat hierin, dat men met verloochening van zichzelf en van zijn eigen begeerte zich jegens zijn naaste gedraagt met dezelfde liefde, met dezelfde toegevendheid en bereidwilligheid om te vergeven als die God jegens ons betoont; dat men zichzelf niet voor een christen en een ander voor een goddeloze houdt, veeleer van alle mensen het beste gelooft, zichzelf echter als 'n goddeloze en als de voornaamste der zondaren erkent. Want hij, wie barmhartigheid geschied is, zal ook waarlijk anderen barmhartigheid doen geschieden. „We kunnen dus nooit zeggen dat Kohlbrügge de daadwerkelijke en concrete heiligmaking niet leert.

Hij eindigt dan ook zijn preek over Joh. 3 : 1-6, waaruit wij citeerden met de troostvolle bemoediging: Degenen onder u die deze dingen weten zijn zalig, wanneer zij ze ook doen. En gij ellendigen die niets hebt dan zonden, en u alzo uitstrekt tot de Heere, uw gerechtigheid, weet, dat bij het vrijmoedig kunt wagen in de Naam van de Heere Jezus u zonder werk te werpen op de onbedriegelijke genade, die daar is voor allen, die in de schaduw des doods opzuchten tot de eeuwige Ontfermcr."

Zo leert Kohlbrügge de voortgaande wedergeboorte in de weg der heiliging van het leven. Alleen, hij noemt die heiliging geen voortgaande wedergeboorte, wat Calvijn juist heel sterk doet, maar dit is m.i. meer een formele kwestie dan een principiële. Eerlijk en onbevangen luisteren naar beiden leidt tot de conclusie dat met inachtneming van de verschillende accenten, zij zakelijk niet van elkaar afwijken. Beiden erkennen volledig dat wedergeboorte, rechtvaardiging en heiligmaking helemaal behoren tot „de orde des heils".

Ter vergelijking laat ik hier Calvijn nog even aan het woord: „Zo worden we dan door de wedergeboorte uit kracht van de weldaad van Christus weer opgericht tot Gods gerechtigheid, van welke wij door Adam afgevallen waren; op dezelfde wijze behaagt het de Heere weder terecht te brengen alle degenen, die Hij tot de erfenis des levens aanneemt.. „En deze wederoprichting wordt niet volbracht in een ogenblik of dag, of jaar, maar God doet deze verdorvenheid des vleses in Zijn uitverkorenen te niet door gedurige, ja somstijds ook trage voortgangen. Hij reinigt hen van hun vuilheden en heiligt hen Zichzelf tot tempelen en woonplaatsen door al hun zinnen tot zuiverheid te vernieuwen, opdat zij zichzelf hun leven lang in boetvaardigheid oefenen en ook zullen verstaan, dat deze krijg geen einde heeft dan in de dood..." (Inst. 111 - 3 - 9).

Wedergeboorte en geestelijke strijd

Calvijn spreekt over het leven der heiliging als een krijgsdienst die pas met de dood een einde neemt, Kolhbrügge ziet de wedergeboorte pas voltooid als de christen sterft en overgaat in de heerlijkheid. Dat maakt voor beiden geen verschil. Evenmin maakt verschil de strijd die een christen zijn leven lang te strijden heeft.

Denk aan de opschriften boven hoofdstuk 6—9 van het derde boek van Caivijns Institutie, waarin onze heiliging beschreven wordt als verloochening van onszelf, ais kruisdragen en de meditatie van het toekomende leven. Hier is het probleem der gehoorzaamheid. Als gelovenden zijn we niet alleen hoorders, maar ook daders des Woords. En toch zien we dit niet. Het is even verborgen als geloof, als boete en vertrouwen. Dat en hoe de genade voor ons werkelijk is, is verhuld in de duisternis" van het geloof, waarin alleen het Woord ten licht is.

Calvijn heeft wel sterke nadruk gelegd op de heiliging, maar toch heeft hij bijna nog grimmiger dan Luther van ons gehoorzamen ons steeds weer in het niets teruggeworpen.

„Het beste, dat door hen, (die in Christus geloven ter rechtvaardigheid) voortgebracht wordt, is toch altijd door enige onreinheid des vleses bespat en verdorven... Wij zien dus, dat er niet één werk door de heiligen gedaan wordt, dat wanneer het in zichzelf beoordeeld wordt, niet het rechtvaardige

loon van de smaad verdient... Want daar ons geen volmaaktheid te beurt valt, zolang wij met dit vlees bekleed zijn, en de wet de dood en het oordeel aankondigt allen, die door hun werk geen volkomen gerechtigheid hebben tot stand gebracht, zal zij altijd reden hebben om ons aan te klagen, en te beschuldigen, indien Gods barmhartigheid daar niet tegen inging, en ons door een voortdurende vergeving van zonden herhaaldelijk vrijsprak" (...) (Inst. III - 14, 9 en 10).

Ook Calvijn wijst dus voor de heiligmaking voortdurend op de gerechtigheid en heiligheid van Christus terug. Het is dan ook onbegrijpelijk dat De Groot, die Kohlbrügge op dit punt zo fel bestrijdt, zèlf schrijft „dat het ware geloof ook in zijn voorgaande activiteit nooit iets anders zijn kan dan een steeds meer op Christus geworpen worden en zich steeds meer op Christus geworpen weten, dan een steeds meer leren om af te zien van zichzelf en een groeiend vertrouwen om Hem en al de schatten van zijn genade aan te nemen... Toenemen in het geloof is toenemen in de genade en kennis van de Heiland, die alleen met Zijn gerechtigheid en volkomen heiligheid, onze zonde, waarin wij ontvangen en geboren zijn, en de schuld die wij dagelijks vermeerderen voor Gods aangezicht bedekt... Het geloof, dat de Heilige Geest in de voorgaande wedergeboorte in de gelovige doet groeien, is nooit iets anders dan het arme zondaarsgeloof, dat luider en luider belijdt, dat het zelf nooit iets anders dan het arme zondarsgeloof, dat luider en luider belijdt, dat het zelf naoit iets verdienen kan en ook niets behoeft te verdienen. dat wij bij God alleen genade hebben in het bloed van Zijn Zoon...

De door de Geest wedergeborene zal jagen naar heiligheid, naar gehoorzaamheid en volmaaktheid. Het zal zijn dagelijks streven zijn om de heiligmaking te voleindigen in de vreze Gods. Maar hij zal nooit dit streven naar heiligmaking gebruiken als krukken om er de steile weg naar de hemel mee op te strompelen..." (Dr. D. J. de Groot, De Wedergeboorte, blz. 281—282). Het is frappant dat iemand, die Kohlbrügge min of meer fel afwijst, woordelijk zegt wat Kohlbrügge ook zo gezegd heeft. Deze wat ik zou willen noemen gelukkige inkonsekwentie typeert De Groots hele boek. Hij kan niet van Kohlbrügge loskomen. Kohlbrügge zelf zou wellicht gezegd hebben: „Broeder, u belijdt wat u in mij bestrijdt. Zo kan het ook nog een keer." De geestelijke strijd in de wedergeboorte en in de wedergeborene is de strijd des geloofs. Niet zien en nochtans geloven.

Wat geloven.? Dat we in de voorgaande wedergeboorte toenemen en versterkt worden, in het geloof dat Christus aanneemt tot rechtvaardigmaking èn heiligmaking, en het geestelijk leven steeds meer komt te staan in het teken van ootmoed en zo steeds inniger de bede leert stamelen: „O God wees mij zondaar genadig.

Daarom vallen we Kohlbrügge voor honderd procent bij als hij, wat betreft de heiliging des levens, zijn gelovig uitgangspunt

kiest dat Christus onze heiligheid voor God is en blijft, naar luid ook van Artikel 22 van onze Ned. Gel. Belijdenis: ..Maar Jezus Christus, ons toerekenende al Zijn verdiensten en zo veel heilige werken als Hij voor ons en in onze plaats gedaan heeft, is onze rechtvaardigheid; en het geloof is een instrument, dat ons met Hem in de gemeenschap van al zijn goederen houdt, dewelke de onze geworden zijnde ons meer dan genoegzaam zijn tot vrijspreking van onze zonden". En in zondag 23 van de Heidelbergse Catechismus wordt beleden, dat God ons niet alleen de genoegdoening en de gerechtigheid van Christus schenkt en toerekent, maar ook Zijn heiligheid schenkt en toerekent. Hieraan mag niet getornd worden. Daaraan hangt de zekerheid des heils en de vreugdevolle dienst van God. Christus heeft niet alleen de schuld betaald, maar ook de ganse wet van God voor ons volbracht.

W.

H. V.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 januari 1986

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

Geloof èn Wedergeboorte

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 januari 1986

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

PDF Bekijken