Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De plaats van de Tien Geboden in de Eredienst

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De plaats van de Tien Geboden in de Eredienst

11 minuten leestijd

De plaats van de Tien Ge (2)

De aanleiding om ons met dit onderwerp bezig te houden is een vraag, n.1. of het gebruik van de inleiding op het lezen van de Wet des Heeren, die de gemeente oproept om „zich te stellen onder de tucht èn de belofte van de heilige Wet van God", wel juist is. Met het eerste, de tucht van Gods Wet kan men wel instemmen, met het tweede, de belofte van Gods Wet heeft men meer moeite. Is het gebruik van de bovengenoemde inleiding Bijbels verantwoord?

Ik wil beginnen met een andere vraag: Welke tlaats natn de Wetslezing in binnen de Orden van Dienst in het oorspronkelijke gereformeerd Protestantisme?

In het algemeen kan gezegd worden, dat in de liturgie van de oorspronkelijke reformatorische eredienst er doorgaans sprake was van drie vaste elementen. De schuldbelijdenis, de genadeverkondiging en de lezing van de Tien Geboden. Juist ten opzichte van de plaats van de Tien Geboden in de liturgie is er hier en daar verschil.

„In de meeste oud-gereformeerde orden van dienst treffen we deze vaste rubrieken aan vóór de prediking". (A. F. N. Lekkerkerker, Kanttekeningen bij het Hervormd Dienstboek. 1 blz. 71). y

Dat dit niet altijd het geval is geweest zien we o.a. bij Marten Micron (1528 — 1559), die samen met a Lasco als predikant de Nederlandse vluchtelingengemeente te Londen heeft gediend. In 1554 verscheen van zijn hand: „De Christelijke Ordinanciën der Nederlandse Ghemeinthen te Londen". Daarin wordt de kerkinrichting en liturgie van de Nederlandse vluchtelingengemeente toegelicht.

Daaruit blijkt ook dat hij aan de Wet des Heeren, de schuldbelijdenis en de genadeverkondiging een plaats geeft né. de prediking, dus aan het einde van de dienst. Martin Bucer (1491 — 1551), ook wel de hervormer van Straatsburg genoemd, hervormde ook de eredienst; voerde tevens de openbare schuldbelijdenis met de genadeverkondiging in en liet de Tien Geboden zingen .

Overigens kwamen schuldbelijdenis, genadeverkondiging, het Onze Vader, de Tien Geboden en het Apostolicum al voor in de eredienst van de late middeleeuwen. Bucer heeft de drie genoemde elementen overgenomen. „De Reformatie heeft hier een ontwikkeling, die reeds lang aan de gang was, doorgezet en geconsolideerd." .

(A. F. N. Lekkerkerker, a.w. blz. 63). Lekkerkerker wijst er dan ook op dat „zelfs het lezen van de Tien Geboden in de kerkdienst geen calvinistische nieuwigheid is." (a.w. blz. 69).

Calvijn heeft in zijn Straatsburgse penoae (1538 — 1540) in hoofdzaak de liturgie van Bucer gevolgd. De volgorde bij hem was toen: Onze hulp; Schuldbelijdenis; Verkondiging van de genade; Tien Geboden (niet gelezen, maar gezongen door de gemeente);

Gebed vóór de prediking; Schriftlezing en prediking; Groot gebed na de prediking; Psalm en Zegen.

Wat ons het meest opvalt is dat Calvijn de Tien Geboden liet zingen. Het was namelijk in de vóór-reformatorische liturgie de gewoonte en vast gebruik om na de schuldbelijdenis en de genadeverkondiging het „Gloria in excelsis" (ere zij God in de hoge) te zingen. Dit Gloria wordt in de reformatorische liturgie weggelaten, en het zingen van de Tien Geboden (waaraan onze berijming van de Tien Geboden nog duidelijk herinnert) komt er voor in de plaats. Dit heeft zeker te maken met de nadruk die Calvijn legt om de Wet Gods vooral als regel der dankbaarheid te zien.

Hoewel hij met alle nadruk uiteenzet: dat de Wet de spiegel is, waarin wij onze onmacht en verder uit deze onze ongerechtigheid en tenslotte uit beiden onze vervloeking aanschouwen; evenals een spiegel ons de vlekken van ons gelaat doet zien... Hierop slaat het woord van de apostel Paulus (Rom. 3 : 20), dat door de Wet de kennis der zonde is. Want hij bedoelt daar alleen de eerste taak der Wet, die zij ten uitvoer brengt in nog-niet-wedergeboren-zondaars" (Inst. II-VIII-7).

Hoewel hij óók zegt dat het nut der wet daarin gelegen is, dat ze de mens overtuigt van zijn zwakheid en aandrijft om het medicijn der genade, dat in Christus is, te vragen" (idem II-VII-9), schroomt Calvijn niet om te zeggen „dat het derde gebruik, dat ook het voornaamste is, en nader komt tot het eigenlijke doel van de Wet, plaats heeft bij de gelovigen, in wier harten de Geest Gods reeds kracht en heerschappij heeft" (idem II - VII - 12).

In zijn Straatsburgse periode fungeert de Wet in de eredienst bij Calvijn als lofprijzing, na de schuldbelijdenis en de genadeverkondiging. Nu eenmaal de genade Gods aan de gemeente is verkondigd, knalt de Wet niet meer als een zweep, maar zingt zij als een lied. In het leven der dankbaarheid zijn immers Gods geboden onze gezangen ter plaatse van onze vreemdelingschappen. Nu is het niet zo dat Calvijn de tuchtigende en vernederende functie van de Wet in het leven van een verloste christen helemaal opgeeft. Hij noemt de Wet „een uitnemend instrument, om met de dag beter en zekerder te leren, welke de wil des Heeren is"...

Voortdurende overdenking van de Wet zet aan tot gehoorzaamheid aan Gods geboden, en versterkt de gelovige om van het glibberige pad der zonde teruggetrokken te worden. De heiligen Gods zijn toch altijd door de traagheid van het vlees bezwaard.

„Voor dit vlees is de Wet de zweep, waardoor het als een trage en luie ezel tot het werk gedwongen wordt. Ja voor de geestelijke mens zal zij, omdat hij nog niet van de last des vleses bevrijd is, een voortdurende prikkel zijn, die hem niet toestaat werkeloos neer te zitten. „Voor de lof der Wet, die op het voorgaande volstrekt niet in mindering komt, verwijst Calvijn dan naar Psalm 19 en 119 en voegt er aan toe: „Hier echter zingt de profeet met hoe groot nut de Heere door het lezen der Wet hen onderwijst, aan wie hij inwendig een bereidheid om te gehoorzamen schenkt, en hij spreekt niet alleen van de geboden, maar ook van de beloften der genade, die er mee verbonden is, en die alleen maakt, dat zoet wordt wat bitter is." (idem II - VII - 12).

In die zin vat Calvijn dus de wet niet alleen als tucht, maar ook als belofte op. De wet niet alleen wanneer zij eisend en dreigend de zielen bekommert door vrees en benauwt door schrik. Maar de Wet als een lied. De Wet als belofte, maar dan wel te verstaan voor hen die net als David in de Wet de Middelaar heeft aangegrepen, anders gezegd die door Christus bevrijd is van de vloek der Wet, die kan zingen: Hoe lief heb ik Uw Wet.

De belofte van de Wet zegt toch maar dat in het houden van die grote loon is. Hetzelfde evenwicht tussen tucht èn belofte treffen we ook aan aan het slot van de behandeling van de Tien Geboden in het derde stuk van de Heidelberger Catechismus vr. en antw. 115.

„Waarom laat ons God zo scherpelijk de Tien Geboden prediken, zo ze toch niemand in dit leven houden kan? Eerstelijk, opdat wij ons leven lang onze zondige aarde hoe langer hoe meer leren kennen, en des te begeriger zijn om de vergeving der zonden en de gerechtigheid in Christus te zoeken." Daar hebt u wat Calvijn noemde de zweep voor de trage ezel van ons vlees, het vlees der kinderen Gods, wel te verstaan.

Daarna, opdat wij zonder ophouden ons benaarstigen en God bidden om de genade van de Heilige Geest, opdat wij hoe langer hoe meer naar het evenbeeld Gods vernieuwd worden, totdat wij tot de voorgestelde volkomenheid na dit leven geraken". Daar hebt u de lof der Wet, en naar Gods belofte luidt het: aar dit is het verbond dat ik na die dagen met hen maken zal, spreekt de HEERE: k zal Mijn Wet in hun binnenste geven, en zal die in hun hart schrijven; en Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn. En zij zullen niet meer een iegelijk zijn naaste en een iegelijk zijn broeder leren, zeggende: ent de HEERE! want zij zullen Mij allen kennen, van hun kleinste af tot hun grootste toe, spreekt de HEERE: ant ik zal hun ongerechtigheid vergeven en hun zonden niet meer gedenken. (Jer. 31 : 33, 34). Zo verstond Calvijn het beloftekarakter van de Wet in het leven der dankbaarheid.

Echter toen Calvijn in Genève kwam rees er verzet tegen de orde van dienst, die hij in Straatsburg practiseerde, met name tegen de genadeverkondiging, wat men daar aanvoelde als „een nieuwigheid". Was men te beducht voor roomse elementen in de eredienst of voor een al te vormelijke toepassing van de schuldvergeving, een soort absolutie, zoals bij de roomse biecht gebruikelijk was?

In elk geval we komen de genadeverkondiging in de orde van dienst voor Genève niet meer tegen, en Calvijn heeft zich beperkt tot een openbare schuldbelijdenis. Er is ook niet bekend of hij de Wet daar gelezen heeft. De Tien Geboden komen in elk geval in de geneefse orde niet meer voor. Men stond in die opvatting betreffende de genadeverkondiging niet alleen. Lekkerkerker vertelt ons dat er in de gehele 16e eeuw een discussie binnen de reformatorische kerken is geweest met het oog op de absolutie. Johann Brenz (1499-1570) lutheraan en hervormer van Schwabisch Hall, verdedigde in de lutherse kring de stelling dat absolutie ofwel genadeverkondiging als afzonderlijke formule schade doet aan de prediking. Vanzelfsprekend hangt deze gedachte samen met het feit dat in de kerken der Reformatie sprake is van een ereherstel van de prediking als verkondiging van het Woord van God, van wet en evangelie. De eigenlijke genadeverkondiging vindt volgens Brenz in de prediking plaats.

Calvijn heeft er in Genève geen punt van gemaakt omdat het theologische motief achter de verschillende uitgaven van Calvijns liturgie de overtuiging zit van de door de Heere God in Jezus Christus gegeven vrijheid van ceremoniën. Tegen het einde van zijn leven schrijft hij als antwoord op de vraag over bepaalde ritten (vaste gebruiken) in de kerk: „Aan de openbare belijdenis der zonden een belofte toe te voegen, die de zondaren opwekt tot hoop op vergeving en verzoening (hij stelde de absolutie dus niet zoals in de Roomse Kerk absoluut, H. V.) — er is wel niemand, die niet erkent dat dit zeer nuttig is. En aanvankelijk heb ik dit gebruik ook willen invoeren; maar daar sommigen aanstoot vreesden vanwege de nieuwigheid (van deze verkondiging van Gods belofte) heb ik met groot gemak dit gebruik opgeheven. Dus is de zaak weggelaten (uit de orde van dienst). Nu hierin nog iets te veranderen zou niet opportuun zijn.

Want velen zijn al bezig op te staan (uit de knielende houding) voordat men aan het slot van de zondebelijdenis is toegekomen. Des te meer wensen wij, daar gij nog door niets gebonden zijt, het volk aan beide te gewennen." (Citaat bij A. F. N. Lekkerkerker a.w. deel III, blz. 188).

Eenvoud, gemakkelijkheid en duidelijkheid, maar ook een bepaalde vrijheid stond hij in deze zaken voor. Heel scherp laat hij zich uit in zijn Inst., boek IV - X - 15: „Alle ceremoniën, die de mensen niet tot Christus leiden, zijn verderfelijk en schadelijk." Een zin om te onthouden, want ze geldt ook bij de plaats van de Wet in de eredienst. Later, en wel in 1581, zien we dat de nationale synode van Middelburg evenals de Lutheraan Brenz en evenals in Genève, de afzonderlijke absolutie overbodig vindt waarbij als motief geldt: „Overmits de bindinge en ontbindinge der sonden genoegsaam in de predicatie des Woords geschied, dat het daer om onnodig is een eigen forme daer toe in te voeren."

Lekkerkerker wijst er terecht op dat men in het gereformeerd protestantisme in het bijzonder en in de reformatorische kerken in het algemeen de liturgie nogal verschilt. Ter illustratie geeft hij het volgende voorbeeld. In het jaar 1596 (15 jaar dus na de synode van Middelburg) verschijnt er een bijbeluitgave van P. Hackius, gedrukt bij Jan

Paedt Jacobszoon te Leiden, die achterin bij „de christelijke gebeden" voorschrijft: Nadat men in de Ghemeynte Christis des Sondachs voormiddach, de tien Gheboden Gods ghelesen ofte ghesongen (N. B.) heeft, neemt de Kerckedienaer daer uit oorsaecke de Ghemeynte te vermanen tot boete ende bekentenissen harer overthredingen, ende te ghelooven de Evangelische beloftenissen van Christo, dwelck beyde hij, met ghetuygenisse der Schrift bewijst. Daer op hij den onboetvaerdigen de straffe Godes, en de boetvaardigen gheloovigen de genaede Gods in Christo vercondicht."

Latere ontwikkelingen tonen aan dat schuldbelijdenis en genadeverkondiging uit de protestantse liturgie verdwenen zijn, totdat zij opnieuw als een „nieuwigheid" door de liturgische beweging weer boven tafel komen, en nu weer een plaats hebben in de verschillende Orden van Dienst voor de zondagmorgen in het „Dienstboek in ontwerp".

We laten deze kwestie nu verder rusten en beperken ons in het vervolg bij de plaats van de Wet in de eredienst, zoals die bij de meeste gemeenten in de wat wij nu voor het gemak maar de „gereformeerde gezindte" noemen heeft gekregen. Daarover een volgende keer.

W.

H. V.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 mei 1986

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

De plaats van de Tien Geboden in de Eredienst

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 mei 1986

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

PDF Bekijken