Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Noach

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Noach

8 minuten leestijd

(24 en slot)

„En deze zijn de geboorten van Terah: erah gewon Abram, Nahor en Haran..." Genesis 11 : 10—32

Uit de volken der aarde maakt zich een gestalte los. Het is Abram, het is Israël. En geen mens weet hoe. Immers, Israël wordt genoemd een schepping van de Eeuwige. En daarbij laat Hij Zich niet op de vingers zien. Geen mens komt daar achter, zodat de mens het dóór zou hebben. De uitzending van Abram is door de Stem. En door de Stem alleen. En zo gewagen we in de taal der Schiften van het geheim der verkiezing. Hoe we ook zoeken en speuren, we krijgen daar geen vinger achter, laat staan een doorgronding van: Uit de zee der volken kiest de Eeuwige een enkele gestalte, een mens op aarde, een volk temidden der andere volken, dat anders is, om de eenvoudige en diepe reden, dat het gewekt is door de roeping van de Almachige. En hoezeer zijn we na eeuwen en eeuwen nog altijd met deze ene vraag intens bezig: waarom Abram en geen ander? Het moet ons allen duidelijk zijn — in de kanteling van de twintigste eeuw — dat een zee van emoties vanuit de volken altijd weer Israël overspoelen wil. „De HEE-RE nu had tot Abram gezegd": wanneer met deze woorden de geschiedenis van Abram inzet, dan kunnen wij als laatstgeborenen de inhoud van deze woorden nooit dóór krijgen. Hoe gezegd? Wanneer gezegd? Waarom gezegd? Een storm van vragen vanuit de diepte van het heidense hart, maar geen antwoord, geen enkel, dan: de Stem, die aan alle gebeuren voorafgaat. Het Woord van de Eeuwige schept de geschiedenis, het Woord gaat aan alle ervaring vooraf. Wij mensen kunnen terugdenken en teruggraven in ons leven tot ver en diep in onze prille jaren, maar achter het geschiedende Woord kunnen wij niet komen. We komen er letterlijk niet achter. En daarmee rust de grond van ons bestaan in dit spreken van de HEERE, óf het rust ten diepste in een grond, die geen bodem biedt...

Maar — wat is er zichtbaar aan het spreken van de levende God, Die al verkiezend Zijn weg gaat door de geschiedenis? Wat er zichtbaar is aan de verkiezing van Abram? Wel — om te beginnen de onvruchtbaarheid van Saraï. Een doorgaand grondthema van de Schriften klinkt ons in de oren: te beginnen met Saraï, en doorgaande met Hanna en Elisabeth. Wandelend door geloof, en niet door aanschouwen, staren we met ogen, groot van ontzetting, in de afgrond van het onmogelijke, het nooit bestaanbare, het afgesnedene, het opgegevene. Inderdaad, God roept de dingen in het aanzijn door het Woord van Zijn kracht. Maar dat Woord treedt ook binnen in een verstorven leegte, in een tot volstrekte vruchteloosheid gedoemde werkelijkheid. En we leren dat blijkbaar als gelovigen maar bitter slecht. Steeds opnieuw vergissen we ons, in de overtuiging dat de belofte Gods aansluit bij onze vruchtbaarheid. Hoezeer hebben we in onze dagen te oefenen het „nochtans" van het geloof. Horen en zien vergaat ons, en dat in het hart van de kerk. Wat een aanknopingspunten als je je ogen en oren geloven mag, wat een weltoebereide akker van eigenwaarde: wij staan gereed het Woord Gods te ontvangen op passende wijze. Maar we mogen nu juist onze ogen en onze oren niet geloven. Juist wanneer de vijgeboom niet bloeit, juist wanneer geen vrucht aan de wijnstok zichtbaar is, juist wanneer de velden geen spijs voortbrengen — dan nochtans in de HEERE van vreugde op te springen... Ja, dan!

En dan ook nog dit: hoezeer is de tocht in het geloof naar het land der belofte het gaan langs een omweg. Waar eigenlijk horen we in de Schriften dat de weg naar Gods Koninkrijk de directe, de rechte, de kortste weg is? En zij kwamen tot Haran, en woonden aldaar. Wat heeft dit oponthoud tussen Ur en Kanaan voor Abram betekend? Zoals Israël in de woestijn: de weg naar het beloofde land is niet de rechte en korte weg, maar de lange en onherbergzame. Immers de weg van het gelóóf wil gegaan zijn. Wandelen door geloven, en dat houdt in, dat onderweg het hart beproefd wordt. God wil weten wat in het hart van de gelovige leeft. Abram moest wachten. En hij moest vaak en lang wachten. Eemaal in Kanaan gekomen, gaat het weldra door hongersnood gedreven op Egypte aan. Ach, wat een eeuwenlange omwegen voor Israël. En wat hebben we ook dat nog weinig beoefend: de weg te gaan in het spoor van de Stem, de weg die niet dan een eindeloze omweg schijnt te zijn. Zullen we ooit thuis komen? Maar zal op zulke momenten niet de troost van het Evangelie krachtig in ons hart verkeren? Zie, Jezus is de weg gegaan, dwars door de

woestijn heen, beproefd door de duivel, en tegelijk geleid door de Geest. Eén is ons voorgegaan, en doorgegaan is Hij. In onze plaats. De weg van geloven is de weg van het tarwegraan, al stervend in de akker de oogst tegemoet. En dat is een omweg! Niet minder dan door de dood heen het leven binnen...

En zo is er de stilte, de verborgen omgang in het luisteren naar de woorden aangaande Abram. Diep levensgeheim is het — wie zal het ooit doorgronden — om uit te trekken, dwars door de drievoudige cirkel van ons natuurlijk bestaan heen. Uit het vaderlijk huis, en uit de familiekring en uit het land van geboorte. Drievoudig wordt de navelstreng van ons bestaan van huis uit doorgesneden, wanneer we in geloof zijn weggeroepen. Er is een ijdele wandeling, houdt ons de apostel voor, en daarmee is bedoeld het lopen almaar in cirkels en kringen. Na jaren nog nooit verder te zijn gekomen, dan wéér bij onszelf terug. Daaruit te zijn verlost, betekent een gezet zijn op de weg ten leven, die de weg van Abram is: een wandelen door geloof, en door aanschouwen niet. Altijd meegevoerd door de Stem, die ons doet voortgaan , totdat ginds achter de horizon het land van melk en honing betreden is. Is zo de gestalte van Christus afgedrukt door de Geest in het diepste van onze ziel?

Zichtbaar is het beginsel van Nimrod, en van Babel, en zichtbaar is de omweg over Haran, en zichtbaar is de onvruchtbaarheid van Saraï. En we stoten op dat zichtbare, van dag tot dag. Onze ogen raken verzadigd van dit zien: de naakte zichtbare werkelijkheid spot luid en hard met het visioen dat de Geest van Pinksteren te zien geeft. Bij het licht, dat de Geest van Christus in de ogen gunt, worden echter heel andere dingen gezien en dromen gedroomd.

Zie, daar gaat Abram. En in honderdendertig jaren — zo vertolkte iemand — kwam hij niet verder dan het geloof. Dat is een klare taal, een kinderlijke eenvoud, een diepe gedachte. Je blijft er over peinzen, en je verwondert je meer en meer: zouden we inderdaad nooit verder komen dan een leven in geloof? Is werkelijk alle zekerheid, die we op aarde vinden en die we ook blijven zoeken, ten diepste geen zekerheid, wanneer niet van de zekerheid van het gelóóf sprake is? Het is met name de brief aan de Hebreeën, die terugvallend licht werpt op de weg van Abram. Daar spellen we het bij uitstek, hoe we onderweg zullen blijven achter de Overste Leidsman en Voleinder in het geloof. Welke zekerheid had Jezus Christus op aarde buiten de zekerheid van het geloof? Wanneer dit Evangelie tot ons hart begint door te dringen, breekt de eerbied als een tere Ienteloot door de winterse koude heen. Een geur van nieuw leven, van leven op de vroege Paasmorgen dringt ons benauwde gemoed binnen...

Met het verschijnen van Abram in de geschiedenis wordt de geschiedenis van Noach besloten. In de synagoge wordt het levensverhaal van Noach, waaraan we nu vierentwintig overdenkingen hebben mogen wijden, in énen op een sabbat gelezen. En het einde

van onze overpeinzingen buigt zich terug naar het begin.

We hebben kennisgemaakt met Noach. Een ontmoeting opnieuw. En tegelijk als ware het de eerste keer. Geen mens ter wereld kan om de kennismaking met Noach heen. Hij namelijk is de stamvader van ons allen. Dat wij mensen uit Adam zijn is een algemeen verbreide kennis. Dat wij allen ook uit Noach zijn wordt minder vermeld. Maar vast staat dat ieder mens na de zondvloed van Noach stamt.

Voor christenen komt daarbij nog een bijzondere band met Noach. Want door deze gestalte worden we voortdurend herinnerd aan de toekomst van de Zoon des mensen. Immers in de dagen, die voorafgaan aan de komst van de Zoon des mensen, zal er de overeenkomst zijn met de dagen voor de zondvloed. Noach, de prediker der gerechtig-

heid, roept degenen die van Christus zijn voortdurend op tot bereidheid en gereedheid voor de dag en de ure van de Zoon.

Dit zijn de geboorten van Noach. We hebben geluisterd en al horende ook gezien. En w r e hebben ons hopelijk diep verwonderd over de verborgen verbanden van de Schriften. Wanneer voor ons verwonderd oor de Schriften met elkaar in gesprek raken, dan wordt het stil rondom en binnen. Dan valt er niets te doen dan ademloos te horen. En zulke momenten, waarin de Geest neerdaalt met het Woord in de diepte van het hart, zijn de ogenblikken van waar geluk. Dan welft zich de koepel van Gods trouw over ons leven op aarde, en klinkt hoog op de lofprijzing aan de nooit genoeg volprezen Naam van God.Ere zij de Vader en de Zoon en de Heilige Geest!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 maart 1987

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

Noach

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 maart 1987

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

PDF Bekijken