Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Wandelen als kinderen van het licht

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Wandelen als kinderen van het licht

12 minuten leestijd

(9) Het „tegelijk" van de rechtvaardiging en de heiliging.

Nu wij gezien hebben dat rechtvaardiging en heiliging in hun grondbeginselen niet van elkaar te scheiden zijn komen we voor de vraag te staan hoe deze eenheid, met inachtneming van het onderscheid, gekend wordt in het leven des geloofs. Naar de kant van de gelovigen toe heeft de reformatorische theologie, in navolging van Luther, steeds nadruk gelegd op de genoemde eenheid. Zij heeft die tot uitdrukking gebracht in de belijdenis dat de gelovige „tegelijk" rechtvaardige èn zondaar is. Met het verstand nooit te vatten, maar voor het geloof, dat in Christus zijn rustgrond heeft, diep vernederend en troostrijk tegelijk.

Er is nauwelijks een uitdrukking te vinden die in de historie der theologie meer aangevochten is als deze, dat de gelovige tegelijk rechtvaardige èn zondaar is. „Tegelijk" wil dus zeggen op een en hezelfde moment, en dat je hele leven door; totdat de gelovige zijn uiteindelijke bestemming heeft bereikt in het Vaderland der rust. Ons logisch redenerend verstand zegt echter al spoedig — al te spoedig.? — zoiets kan niet. Je bent óf gerechtvaardigd óf zondaar. En wie door het geloof in Christus gerechtvaardigd is, die is vrijgemaakt door de wet des Geestes des levens van de wet der zonde en des doods. (Romeinen 8:2). Of-of, dat kunnen we begrijpen, èn-èn vatten we niet. We ruimen desnoods plaats in voor de gedachte dat de gelovige deels rechtvaardig en deels nog zondaar is. Een oud en een nieuw deel heeft, maar het „tegelijk" ontmoet tal van redelijke bezwaren. Het hoofdbezwaar is nog altijd de vrees dat de leer van vrije genade zorgeloze en goddeloze mensen maakt. Want, nietwaar, als zelfs de gerechtvaardigde nog zondaar is, dan heeft hij voor zijn zonden „het zondaar zijn" als uitvlucht bij de hand.

Maar aan dit gevaar ontkomen we niet door de gelovige op te sphtsen in een mens met „een oud deel" en „een nieuw deel". Dan kan men al te gemakkehjk de zonde die de gelovige doet aan „de oude mens" toeschrijven en de goede werken op rekening zetten van „de nieuwe mens". Of dan de gelovige geen twee-mens is.? Zeker wel, maar in een heel andere betekenis dan de verstandelijke ontleding van „oud" en „nieuw". We komen nu voor de vraag te staan: Wat is de betekenis van dit „tegelijk" van het rechtvaardige en zondaar.? Feit is dat geen van tweeën mag worden geschrapt of verwaarloosd, en dat de gerechtvaardigde zondaar nog zondaar is. Luther heeft het leven van de gelovige beschreven als „vlees èn geest, zondaar èn rechtvaardige, dood èn bevrijd, schuldig èn niet schuldig". Er is in de gelovige een tegenstrijdigheid, die gedurende zijn aards bestaan niet wordt opgeheven. Het gaat om de bepalingen van de hele mens.

De opdracht van Christus: Weest gijlieden volmaakt, gelijk uw Vader, Die in de hemelen is, volmaakt is" (Matth. 5 : 48) is een oproep tot heiligmaking. Paulus heeft de ernst van die opdracht onderkend als hij schrijft: niet dat ik airede volmaakt ben, maar ik jaag er naar of ik het ook grijpen mocht, waartoe ik van Christus gegrepen ben" (Filippenzen 3 : 12). Hij, de apostel aan wie God in Christus al Zijn barmhartigheid bewezen heeft, zegt van zichzelf dat hij

de voornaamste van de zondaren niet ooit eens was, maar nog steeds is (1 Tim. 1 : 15). Met het „tegeHjk" hangt ook zijn belijdenis van zijn geestelijke strijd samen, zoals hij daarvan spreekt in Romeinen 7. Daarbij gaat het ook om de bepalingen van de hele mens, als hij zichzelf aanduidt als „ik ellendig mens, ik dank God door Jezus Christus onze Heere" en concludeert: Zo dan, ik zelf dien wel met het gemoed de wet Gods, met het vlees de wet der zonde" (Romeinen 7 : 24-26).

De gerechtvaardigde zondaar Paulus kan tegelijk zeggen: Gij zijt in Hem (Christus) volmaakt" (Kolossenzen 2 : 10). Deze volmaaktheid van de onvolmaakte kan alleen verstaan worden in het „nochtans" des geloofs. Calvijn wijst er in dit verband op dat het geloof zich tevreden moet en mag houden met de volmaaktheid die de gelovige in Christus bezit. „Daarom die met Christus alleen niet tevreden zijn, doen God dubbel onrecht aan: ant zij verkleinen de eer Gods, dewijl zij iets boven Zijn volmaaktheid begeren, en zijn daarenboven nog ondankbaar, dewijl zij elders zoeken dat zij nu in Christus hebben." Dit „elders" kan nergens elders liggen dan in de heiligingspogingen van de mens zelf. Tevens wil de volmaaktheid in Christus niet zeggen aldus Calvijn, dat zij in ons uitgestort wordt, „maar dat hetgeen waardoor wij volmaakt worden, in Hem is, zodat ons niets meer ontbreekt".

De betekenis van het „tegehjk" kan in één zki samengevat worden: „Wij blijven — totaal — zondaren. En wij zijn totaal — in het geloof — rechtvaardig". (G. C. Berkouwer, a.w. blz. 71).

Daarom verliezen de geheihgden in Christus nooit de rechtvaardiging uit het oog. Heiliging is niet in die mate heilig worden waarbij de behoefte aan rechtvaardiging en vergeving op den duur verdwijnt. Integendeel zij zal juist sterker worden. Enerzijds tot dieper verootmoediging brengen, zodat we alle roem in onszelf leren prijsgeven, en alle aanspraken op eigen heiligheid verliezen. Anderzijds tot rijker vertroosting, in het opwassen in de genade en kennis van onze Heere Jezus Christus, met eerbied en godvruchtigheid.

Calvijn over de verhouding wedergeboorte en heiliging

Hoe is men er toe gekomen om in de latere Gereformeerde theologie het radicale van het rechtvaardig zijn „door het geloof alleen" en het radicale van het zondaar blijven, waarop de Reformatoren zo sterk, naar Bijbels voorbeeld, de nadruk hebben gelegd, om te buigen naar het „deels rechtvaardig en deels zondaar zijn".? De oorzaak hiervan moeten we, dunkt me, zoeken in de zogenaamde wedergeboortetheologie. Eerder schreef ik daar al uitvoerig over in de artikelenserie „Geloof en Wedergeboorte". Ik zal er nu hier niet uitvoerig op ingaan. Maar omdat voor een goed verstaan van de verhouding rechtvaardiging en heiliging de visie van Calvijn op de wedergeboorte niet buiten beschouwing kan blijven, wil ik in het kort het volgende naar voren brengen.

Doordat men de wedergeboorte is gaan beperken tot de instorting van een nieuw levensbeginsel, een „hebbelijkheid", een bezitten van een nieuwe levenskiem, waarop de Heilige Geest door het Woord langzaam inwerkt, werd mede voedsel gegeven aan de gedachte dat we als wedergeborene ten dele rechtvaardig en ten dele zondaar zijn. Weliswaar blijft voor de heiligmaking de gelovige afhankelijk van en aangewezen op de genade die hem in de wedergeboorte is geschonken, maar in de geestelijke werkzaamheden, en onder invloed van de Heilige Geest, vordert hij toch in heiliging. Hij voelt dat hij de Heere meer lief gaat krijgen, ijveriger wordt in het dienen, heel wat minder zonde gaat doen en zo zichzelf voor bekeerd gaat houden. Maar dan is de heiliging geen vrucht meer van het rechtvaardigend geloof, doch uitbloei van het nieuwe levensbeginsel.

Het valt dan ook te betreuren dat een gereformeerd theoloog van professie, zoals Dr. H. Bavinck, zoveel begrip heeft weten op te brengen voor de wedergeboorte in engere zin. Hij zegt zelfs dat de engere betekenis van het woord wedergeboorte „algemeen burgerrecht verkreeg". Maar is dat voldoende in het licht van de Schrift gezien? Zelf moet hij toegeven: „dat dit een engere betekenis is, dan waarin de Heilige Schrift doorgaans van wedergeboorte of geboorte van boven, uit Christus spreekt, en zij (nl. de Dogmatiek H.V.) moet op haar hoede zijn niet op de klank af te citeren" (H. Bavinck a.w. IV, blz. 58). Je vraagt je dus af loopt Bavinck met zijn eigen woorden, zijn eigen opvattingen over de engere betekenis van de wedergeboorte niet voor de voeten? Nog liever dan W. H. Velema, die het „merkwaardig blijft vinden, dat een bijbelse term, die een onmiskenbaar brede vulling heeft, versmald is geworden" (a.w. blz. 70), zou ik zeggen dat het gevaarlijk is. Gevaarlijk omdat we in de praktijk van het gemeenteleven telkens de gedachte ontmoeten dat de wedergeboorte, en op kortere of langere duur de rechtvaardiging, als een poort is, waardoor de gelovigen heengaan, maar dan op een nieuw terrein zélf de heiliging ter hand nemen.

Ik meen ook dat Velema sterk staat als hij zegt: Voor het goed recht van deze versmalling (van de wedergeboorte, H.V.) kan men zich stellig niet op de Ned. Geloofsbelijdenis beroepen. De Dordtse Leerregels geven, met alle aandacht voor het begin, een beschrijving die toch ten principale heel het leven omvat" (a.w. blz. 70). In dit verband is het goed om de aandacht nog eens te vestigen op het ruime wedergeboortebegrip zoals we die bij Calvijn aantreffen. Samenvattend komt dit op het volgende neer.

Als Calvijn over de wedergeboorte spreekt gaat het hem om de geloofsrelatie tot Jezus Christus. Het geloof is rechtvaardigend van aard. De wedergeboorte, als vrucht van het geloof, strekt zich uit over het hele leven van de gelovige. De vernieuwing die heel ons leven omvat komt als beginsel van God, en wedergeboorte is voor Calvijn veel meer wandelen in het nieuwe leven door de Heilige Geest, vanuit het geloof dat met Christus verenigt, dan dat het slechts een aanvulling onzerzijds zou zijn op wat God begonnen is. Wedergeboorte als heiliging, opkomend uit het leven des geloofs. Heiliging is niet geconcentreerd raken op je zelf, niet de wedergeboorte verinnerlijken, maar onze zaligheid en reinigmaking buiten onszelf in Christus zoeken. Daarom legt Calvijn bij de wedergeboorte of heiliging ook zoveel nadruk op de boetvaardigheid, die de gelovige vergezelschapt zijn leven lang. We gaan met smart voort vanwege de afsterving en doding van de oude mens èn we gaan in het gewaad des lofs, vanwege de levendmaking en de opstanding van de nieuwe mens. Er is bij Calvijn veel meer oog voor de eenheid van wedergeboorte en geloof, en mede hierdoor ook veel meer oog voor de eenheid van rechtvaardiging en heiliging, dan onder ons gangbaar is. De Heilige Geest heiligt ons.

Dat is dus een onmiskenbaar werk van God. Maar juist de boetvaardigheid, die toch een belangrijke plaats inneemt in de heiliging, laat zien hoe Calvijn ook vasthoudt aan het „tegelijk" van rechtvaardige en zondaar. We hebben onder ons misschien wel eens teveel aandacht voor wat we graag „het begin" noemen. Als ik maar weet dat het begin goed is. Maar leidt dit niet meestal tot een zoeken van zekerheid, of zaligheid in onszelf? Calvijn wijst een andere weg. Hij stelt veel meer voorop niet of ik weet dat het begin goed is, maar of ik door het gelóóf deel heb gekregen aan Christus. Wie Christus heeft, bezit de ganse zaligheid, rechtvaardigmaking en heiligmaking in Hèm. En de heiligheid of de wedergeboorte, zoals hij dit noemt, is gelegen in de vergeving der zonden en in de boetvaardigheid, die de behoefte aan de voortdurende vergeving der zonden levendig houdt. De gerechtvaardigde zondaar komt niet boven de boetvaardigheid uit. „Het is niet zo dat we eenmaal op gang gebracht, de vergeving minder nodig hebben naarmate we meer van de heiliging ontvangen" (W. H. Velema, a.w. blz. 71).

Vandaar ook Calvijns verzet tegen wat hij noemt „het verzinsel der gedeeltelijke gerechtigheid". We kunnen ons niet beroemen op „ik weet niet welke kleine stukjes van enige werken, en pogen het ontbrekende door andere genoegdoeningen te kopen" (Inst. III-XIV-13). Op dit punt wordt Calvijn heel scherp.

„Twee pesten vooral moeten wij bij dit stuk uit onze harten verdrijven, namelijk dat ze geen vertrouwen stellen op de gerechtigheid der werken, en dat zij hun geen roem toekennen" (Idem III-XIV-16).

Ik weet wel dat Calvijn spreekt over de rechtvaardiging door het geloof, maar aangezien de rechtvaardige als zondaar uit het geloof zal leven, zal het rechtvaardigend geloof in de heiligmaking niet kunnen ontbreken. Onze goede werken zegt de Heid. Cat. in Zondag 24 kunnen niet onze gerechtigheid voor God, noch een stuk daarvan zijn. Dit geldt niet alleen in de rechtvaardiging, maar ook in de heiliging, die vrucht is van de rechtvaardiging. Zelfverbetering verdraagt zich nimmer met soeve-

reine genade. O zeker er is uit wederliefde tot God „een ernstig voornemen, om niet alleen naar sommige, maar naar alle geboden Gods beginnen te leven. Er is een klein beginsel van ware gehoorzaamheid. Maar het is een beginnen, dat in de rechtvaardiging door het geloof alleen gefundeerd blijft. Het „tegelijk" van rechtvaardige en zondaar blijft gelden van de geheiligden in Christus Jezus. Herinner u maar eens wat er staat in Zondag 31 van de Heid. Cat. Daar wordt gesproken van een verkondigen en betuigen van het Evangelie aan de gelovigen, dat hun „zo dikwijls als zij de beloften van het Evangelie met een waar geloof aannemen, waarachtig al hun zonden van God om de verdiensten van Christus' wille vergeven zijn." Dit „zo dikwijls" wil ons leren dat de rechtvaardiging in het geloofsleven een voortdurende actualiteit is, en dat nimmer de relatie tussen geloof en rechtvaardiging uit het gezicht en uit het leven van de gelovige verdwijnt. En als het gaat over de noodzaak van de prediking der Wet in het leven der dankbaarheid, het leven der heiliging, dan worden we als volgt onderwezen: God laat ons Zijn wet alzo scherpelijk prediken, opdat wij des te begeriger zouden zijn om de vergeving der zonden en de gerechtigheid in Christus te zoeken. „In dezelfde lijn wordt in de Dordtse Leerregels de volharding der heiligen zo gezien, dat „zij over de bedreven zonden van harte naar God bedroefd zijn, en het bloed des Middelaars door het geloof met een gebroken hart begeren en verkrijgen" (D.L. V-VII).

Dit sluit helemaal aan bij Calvijns begrip van boetvaardigheid waardoor zich het leven der heiligmaking kenmerkt.

Op de weg des heils is het dus nooit zo, dat in de heiliging en volharding de rechtvaardiging uit het gezicht raakt. En de Heilige Geest draagt er uitnemende zorg. voor dat het wandelen in de weg der heiliging nimmer gepaard kan gaan met een besef van eigen verdienste en prestatie.

K. a. Z.

K. a. Z.

Dit artikel werd u aangeboden door: https://www.hertog.nl

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 april 1987

Gereformeerd Weekblad | 16 Pagina's

Wandelen als kinderen van het licht

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 april 1987

Gereformeerd Weekblad | 16 Pagina's

PDF Bekijken