Bekijk het origineel

Pasen, een drangreden tot bekering

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Pasen, een drangreden tot bekering

12 minuten leestijd

God dan de tijden der onwetendheid overzien hebbende, verkondigt nu alle mensen alom, dat zij zich bekeren. Daarom, dat Hij een dag heeft gesteld, waarop Hij de aardbodem rechtvaardig zal oordelen, door een Man, Die Hij daartoe verordineerd heeft, verzekering daarvan doende aan allen, daar Hij tiem uit de doden heeft opgewekt. Handelingen 17 : 30, 31

Aansluiting

Wij hebben in de gemeente het Paasfeest gevierd. Wij hebben herdacht het geweldige feit van Jezus' opstanding uit de doden. Een feit, dat van alles in zich bergt. In de prediking wordt het ons ontvouwd. In deze woorden van de apostel Paulus dient Pasen als een drangreden tot bekering. Nu het Pasen is geworden, kunnen wij niet meer om Jezus van Nazareth heen. Als het bij Goede Vrijdag was gebleven, dan hadden de spotters bij het kruis gelijk gekregen. Volgens hen had Jezus wel hoog opgegeven van de gunst van God over Zijn leven, maar aan het kruis bleek wel hoe ijdel die woorden waren geweest. Hij werd in Zijn Godsvertrouwen nu toch wel radikaal beschaamd. Het moest nu toch wel duidelijk zijn dat God niet met Hem was. Al Zijn pretenties ten spijt.

Maar het is Pasen geworden. God bleek zelfs in de dood met Hem, ja door de dood heen. God heeft Hem opgewekt uit de doden. Zo heeft God het duidelijk teken gegeven, dat Jezus het toch is. Toch Zijn Geliefde, in welke Hij Zijn welbehagen heeft. Toch de Zoon aan Wie Hij ook het oordeel gegeven heeft. Op Pasen wijst God Zelf Jezus aan als Degene, met Wie allen te maken krijgen, voor Wiens rechterstoel wij allen gesteld zullen worden.

Met Pasen doet de HEERE een klemmend beroep op ons om de Zoon te kussen, opdat Hij niet toorne, en wij op de weg vergaan. Pasen is niet alleen maar vrolijk zoals we het elkaar soms wat oppervlakkig toewensen. Pasen is ook beklemmend. Zeker beklemmend voor mijn lieve ik, dat zich wil handhaven. En aan Jezus zich niet verliezen wil.

In dit Bijbelgedeelte wordt het ons gepredikt. Paulus is op zijn zwerftocht met het evangelie in Athene aangekomen. Athene, de stad van de discussies. In Athene werd argument tegenover argument gezet, onderscheiding na onderscheiding aangebracht, in de stellige overtuiging zo dichter bij de waarheid te zullen komen. In Athene is ook de godsdienst. In bonte veelvoud. En een heilige drang grijpt de apostel aan om ook hier het evangelie van Christus te verkondigen. Zo doet hij dat ook in de synagoge en op de markt. En vooral op die markt valt hij op. Sommigen halen hun schouders op, maar anderen willen er meer van horen. Ze tronen hem mee naar de Areopagus. Daar moest maar beslist worden of zijn leer acceptabel is of niet. En zo krijgt de apostel gelegenheid om ten gehore van de geleerden van die dagen het evangelie van Christus te verkondigen.

Het valt op, hoe de apostel heel voorzichtig en heel positief begint. Hij zegt niet zomaar pardoes dat ze allemaal even blind en dwaas zijn. Nee, hij sluit aan bij wat er bij henzelf leeft. In de stad rondwandelend heeft hij ook een altaar gezien dat gewijd was aan de onbekende God.

De Atheners waren kennelijk bang nog een of andere god vergeten te hebben. Dan zou de toorn van die god hen kunnen treffen. Vandaar dat altaar. Daar sluit Paulus bij aan. Hij prijst hen om hun godsdienstigheid. Hij wil hun nu die onbekende God verkondigen. Die God heeft de hemel en de aarde gemaakt. Hij woont niet in een tempel met handen gemaakt en heeft eigenlijk de offers van mensen niet nodig. Hij geeft Zelf immers aan alle dingen het leven en de adem. Het kan kritisch lijken als Paulus dat zo zegt, maar hij zit nog wel helemaal op de lijn van die geleerde mannen voor hem.

Voor hun besef waren die tempels, die altaren en al die namen van goden en godinnen meer voor het gewone volk. En ook verder blijft Paulus nog heel dicht bij zijn gehoor. Hij haalt zelfs een van hun dichters aan als hij zegt: Want wij zijn ook van Zijn geslacht.

Paulus gaat zo ver mogelijk in zijn aansluiting bij de Grieken. Zelf geeft hij daar rekenschap van in 1 Kor. 9. Hij wil voor allen, alles zijn als hij maar enigen kan winnen voor Christus. Ook wij hoeven niet bang te zijn een eindweegs met een ander mee te gaan als het ons er altijd maar om te doen is hem te brengen aan de voeten van Christus. Als het ons maar gaat om de enige Naam, die onder de hemel gegeven is tot zaligheid. En jawel, dan is om bij die Naam uit te komen tenslotte bekering nodig.

Verkondiging der bekering

Bij die bekering komt Paulus ook terecht. Hoever hij ook met de Grieken meegaat, tè ver gaat hij niet. Hij heeft niets begeerd te weten, dan Jezus Christus en Dien gekruisigd. Dat geldt ook op de Areopagus. Bij de kennis van Christus moet alle wijsheid ook van deze geleerden tenslotte verbleken. En eerlijk zegt de apostel dan ook dat ze tot nog toe hebben geleefd in onwetendheid. Ze hebben getast naar het goddelijke. Het volk met haar altaren, zij, geleerden met hun woorden en systemen, maar gevonden hebben ze niet. Van al hun vermeende wetenschap blijft slechts onkunde over.

Maar nu heeft God de tijden der onwetendheid voorbijgezien. Nu laat God alle mensen verkondigen dat zij zich bekeren. En dan is de apostel weer helemaal thuis. Bekering had Johannes de Doper gepredikt. De Heere Zelf had er toe opgeroepen en Petrus op de eerste Pinksterdag. Bekering, dat hebben allen nodig. De joden met hun vroomheid en de Grieken met hun wijsheid. En wij net zo goed.

We komen het koninkrijk van God niet zo zoetjes aan binnen, zo geleidelijk weg. Niet voortgaande van het ene argument naar het andere. Er is tenslotte een breuk. Hoe die ervaren wordt doet er niet toe, maar een breuk is er. Een kink in de kabel van ons leven. Een omkeer, een verandering van gezindheid.

Want zo ingrijpend is bekering wel. Het snijdt diep in je leven in. Het is niet alleen maar dat je er anders over gaat denken. Dat zou voor de Grieken geen punt zijn geweest. Zij hielden wel van eens wat anders. Maar zelf anders worden dat is nog wat meer. Daar kun je jezelf niet bij blijven. Het stelt heel je natuurlijk bestaan onder het oordeel van God. Je komt er als dwaas en zondig mens op te staan.

Nu de apostel eenmaal het woord bekering heeft laten vallen gaat hij zijn geleerd

gehoor ook voorhouden waarom die bekering zo nodig is. Er komt namelijk een dag waarop God de wereld zal oordelen. De hoge en verheven God heeft een dag gesteld om rechtvaardig te oordelen over allen. God zal ten gerichte komen. En daarom kun je niet blijven wat je bent. Daarom is bekering nodig.

Die Grieken op de Areopagus wilden oordelen over wat Paulus zoal naar voren te brengen had. En ze dachten dat als ze zich daarbij maar lieten leiden door hun redelijk inzicht zij wel op de lijn van het goddelijk oordeel zaten. En nu krijgen ze zo maar te horen dat ze zelf door God geoordeeld zullen worden en dat het daarom wel hard nodig is om hun levens te veranderen.

Wij zijn ook nog wel eens druk aan onze oordelen. We oordelen over die en over die. We vinden hem zus en haar zo. „Hij had toch eigenlijk en zij zou beter". Met die oordelen verheffen we ons boven een ander. Soms zelfs boven God. We menen het nog beter te weten dan Hij. Hier gaat het over de dag dat Hij oordeelt. De dag dat over ons doen en laten geoordeeld wordt door Hem die de harten en de nieren proeft. Die het diepst van onze gedachten kent. Wat zouden we ons schamen als al onze gedachten op ons voorhoofd geschreven stonden. In het oordeel komt dat alles aan de orde.

U wilt toch niet zeggen dat u dan geen bekering nodig hebt? U wil toch niet zeggen dat u dat wel aankunt? U vindt u zelf redelijk aanvaardbaar? Nu ja, natuurlijk wel niet helemaal honderd procent, maar u doet toch u best en wat wil God nog meer. Ja, maar dat is het nu juist: God wil alles. God wil heel dat leven van u, uw gedachten, woorden en werken. Hij wil dat leven dat u voor uzelf hebt besteed, al ziet uw godsdienstige vlag er nog zo mooi uit.

De apostel spreekt van bekering. Dat is nodig want het oordeel van God komt. En hij gaat verder. Hij verkondigt de Grieken daar op de Areopagus dat dat oordeel van God een bijzonder karakter draagt. Hij zal het niet Zelf rechtstreeks uitvoeren. Nee, Hij heeft het overgedragen aan iemand anders. Hij heeft er iemand toe aangesteld om te zitten op de rechterstoel. Een Man, zegt Paulus. Die Man zal zitten op de troon van God. Voor Zijn rechterstoel zullen wij allen gesteld worden. En, betuigt de apostel, we kunnen ook zeker weten wie dat is. Die Man is door God namelijk uit de doden opgewekt. Daardoor heeft God Hem voor ons allen aangewezen als de Rechter die komt om recht te doen over levenden en doden.

Paulus noemt hier de naam van die Man niet. Is dat geweest om de Grieken nieuwsgierig te maken? Of beter gezegd: hongerig en dorstig? Wil Paulus door de Naam van Jezus te verzwijgen juist de vraag uitlokken: Maar Paulus vertel ons eens wie die Man is. En hoe kunnen wij in Zijn ogen genade vinden?

Reaktie

En hoe reageren de Grieken? Ach, als eenmaal het woord opstanding der doden gevallen is begint een deel van hen te spotten. Dat kan toch niet, dat is toch dwaasheid! Dan waren de gedachten waar zij bij waren opgevoed wel wijzer, diepzinniger. Opstanding der doden dat betekende immers overwinning van de dood, dat betekende immers dat het leven met alles wat er bij hoort, ook de stof en ook het lichaam, verlost zou worden van de dood. Maar je hoefde volgens de wijsgeren van Athene niet verlost te worden van de dood, je moest dóór de dood verlost worden van het aardse leven. Je moest door de dood heen zien te komen in het rijk van de eeuwige geest. Opstanding der doden dat klonk hun haast onbeschaafd en grof in de oren. Daarom beginnen ze te spotten. Hoe kan iemand daar nu serieus over denken. Dan moet je wel erg onderontwikkeld zijn.

Die reaktie is niet zo vreemd, ook heden niet. Hoevelen halen hun schouders op over het evangelie van Pasen! Dat is toch achterhaald. Geen zinnig mens gelooft dat toch meer. We zullen het er dan maar niet over hebben wat die zinnige mensen wel geloven. En misschien knaagt het wel aan uw, aan jouw hart en leven. Je studeert. En er wordt zo vaak gesneerd op het evangelie. Het wordt zo vaak afgedaan als onwetenschappelijk. Een produkt van menselijke projektie.

Er zijn ook nog anderen in Athene. Die zijn te beschaafd om te spotten. Te netjes. Heel beleefd zeggen ze tegen Paulus: U mag er nog eens over spreken. We komen nog wel eens terug. En zo maken ze zich er ook van af. En ook dat is helemaal uit het leven gegrepen. Ook nu zijn er velen te fatsoenlijk om te lachen en spotten als ze in aanraking komen met het evangelie. Heel beleefd en heel netjes maken ze zich er van af. En daar hoef je zelfs niet onkerkelijk voor te zijn!

Toch zijn er ook anderen: sommige mannen, zelfs een van de rechters, Dionysius, en een vrouw en nog anderen met hen. Zij geloofden. Zij konden onder de eis van bekering niet meer uit. Bij hen werd de vraag geboren naar de Man door God opgewekt en gesteld om te oordelen de levenden en de doden.

En wij, leeft ook bij ons die vraag? Is er nog een middel om de straf te ontgaan en weer tot genade te komen? Hoe zal ik met mijn schuldige en zondige leven die hemelse Rechter tegen gaan? Wat is het dan een goede boodschap om te horen wie die Man is die God gesteld heeft om Rechter te zijn van de ganse aardbodem. Het is Jezus Christus. Hij, die Zich voor ons tot zonde heeft laten maken. Die Zelf de zonde op Zich genomen heeft en Zich zo voor de hemelse Rechterstoel heeft laten veroordelen.

En dat niet alleen. Hij heeft ook het vonnis gedragen, het verschrikkelijke vonnis van de dood aan het kruis. De Man, Die God gesteld heeft om de aardbodem te oordelen is de Gekruisigde. Het is Dezelfde die gezegd heeft: Komt allen tot Mij, die vermoeid en belast zijt en Ik zal u rust geven. Hij zegt dat ook tegen ons die met ons verloren leven het gericht van God niet tegemoet kunnen gaan. Komt tot Mij. Bij Mij is vergeving van al uw zonden.

De Man die God gesteld heeft is de Man van smarten. Het Lam Gods dat de zonde der wereld wegdraagt. De Rechter is de Redder. De Heiland der wereld.

En daar gaat het dan ook helemaal om in de bekering. Niet dat wij zulke bekeerde mensen worden, maar dat wij aan Zijn voeten terecht komen. Dat wij Hem ons verloren en zondige leven overgeven en daarvoor in ruil Zijn gerechtigheid ontvangen. Werkelijk nieuw, werkelijk anders is wat van Christus is. Bekering, dat is breuk. Maar midden in het breekpunt staat die Man met Zijn kruis. De joden wel een ergernis, en de Grieken een dwaasheid, maar een ieder die gelooft een kracht Gods tot zaligheid.

Laat al de stromen vrolijk zingen, De handen klappen naar omhoog, 't Gebergte vol van vreugde springen En hupp'len voor des HEEREN oog! Hij komt, Hij komt om d' aard te richten, De wereld in gerechtigheid! Al 't volk, daar 't wreed geweld moet zwichten, Wordt in rechtmatigheid geleid.

K.

Jac. W.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 april 1987

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

Pasen, een drangreden tot bekering

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 april 1987

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

PDF Bekijken