Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Wandelen ah kinderen van het licht

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Wandelen ah kinderen van het licht

12 minuten leestijd

Heiliging en sexualiteit (13)

Huwelijk en sexualiteit zijn niet de enige, maar wel zeer belangrijke aspekten van de heiligmaking. Daarmee besloten we ons vorig artikel. Graag zou ik hier nog wat dieper op in willen gaan. Als we Paulus horen spreken over de heiligmaking, dan valt het op dat hij haar steeds weer met de reinheid, de kuisheid in verband brengt. Dit zal ongetwijfeld te maken hebben met de wereld, waaruit de christenen door de genade van God geroepen waren, en door het geloof in Christus van de schuld en de machten der zonde verlost. Uit verschillende passages in zijn brieven is duidelijk, dat het zedelijke leven in de hellenistische wereld niet alleen op een zeer laag peil stond, maar soms als beneden alle peil beschouwd moest worden. Om er enigszins zicht op te krijgen kies ik uit de meerdere voorbeelden die te noemen zouden zijn, de eerste Korinthebrief, met name hoofdstuk 6.

Uit hoofdstuk 5 is gebleken dat de perversiteit van de sexualiteit, zoals die in de wereld van Paulus' dagen „gewoon" was, nog niet is uitgewoed, en nog niet radikaal is uitgeroeid in het leven van de korintische christengemeente. Ja dat het er zelfs nog erger toegaat dan bij de heidenen. Paulus doelt op een geval van bloedschande, en wel van de ergste soort.

Concubinaat (samenwonen zeggen wij tegenwoordig enigszins camouflerend) was bij de romeinse wet toegestaan, maar samenwonen met de vrouw van je eigen vader was wettelijk verboden. Nu heeft een lid van de gemeente wel alle remmen losgetrokken. En de gemeente laat hem maar begaan. Tucht is taboe. Zo gaat dat, als ook binnen de grenzen der christelijke gemeente alles wordt getollereerd, alles kan, alles mag. Een tussenvraag wil ik hier niet achterwege houden. Waar liggen vandaag op dit terrein de grenzen voor de kerk, als door de kerkleiding een tuchtmaatregel, zoals die door de Schotse Kerk in Rotterdam op praktiserende homofilie werd toegepast, „een ellendig besluit" wordt genoemd?

Terug naar de situatie in Korinthe. Dat er aan de heiliging van het leven het een en ander ontbreekt, maakt ons 1 Corinthe 6 : 1 — 11, heel duidelijk. Als broeders sleept men elkaar voor de wereldse rechter. De één wil niet onder de ander door. Puur werelds is dat. En dan tekent de apostel in vers ]0 de wereld van zijn tijd met enkele krasse uitspraken. Hij noemt hoereerders, afgodendienaars, overspelers ontuchtigen, (schandknapen), die bij mannen liggen („aktieve mannelijke bedrijvers van homosexuele zonden", Grosheide, dieven, geldgierigen, dronkaards, lasteraars, en oplichters. Al zulke zondaren staan buiten het rijk Gods.

Paulus voegt er dan aan toe: „En dit waart gij sommigen" (vs 11). Sommigen van u zijn dat geweest vóór zij tot het geloof kwamen. Maar dat behoort nu tot het verleden. Daar hebt u toch mee afgerekend? Paulus ontdekt hier aan de zonden en waarschuwt er tegen. Als christen heb je de verschrikkelijkheid van al die zonden leren inzien, je hebt er mee gebroken, je bent die zonden gaan vlieden. Dat hebt u te danken aan uw rechtvaardiging door Christus. Paulus jubelt hier over het mateloze erbarmen Gods, dat deze onreinen, onrechtvaardigen, onaanvaardbaren is te beurt gevallen. Maar gij zijt afgewassen, gij zijt geheiligd, gij zijt gerechtvaardigd in de Naam van de Heere Jezus en door de Geest van onze God.

De afwassing der zonden heeft hen tot nieuwe schepselen gemaakt. De heiliging des

levens is er mee verbonden. De heiliging als daad Gods. Zij behoren nu Christus toe, met lichaam en ziel. „Uiteraard mag nu van hen verwacht worden, dat zij overeenkomstig deze nieuwe status zullen leven. Hun afwassing door God aan hen voltrokken bij hun doop, zal zich moeten verwerkelijken in hun heiliging van dag tot dag door de kracht van de Heilige Geest" (F. J. Pop). Op één punt wordt nu die heiliging konkreet toegespitst, met name op het punt van de hoererij. Daarover gaat het voornamelijk in 1 Korinthe 6 : 12—20. De heiliging bestaat niet alléén, maar wèl ondermeer, in het zich onthouden van hoererij. Sexuele machten mogen geen vrij spel hebben in het leven van de christen. Paulus waarschuwt er in zijn brieven herhaaldelijk tegen.

Ik noem enkele voorbeelden: Laat ons als in de dag eerbaar wandelen; niet in brasserijen en dronkenschappen, niet in slaapkamers en ontuchtigheden, niet in twist en nijdigheid. Maar doet aan de Heere Jezus Christus en verzorgt het vlees niet tot begeerlijkheden" (Rom. 13 : 13, 14). Zwelgpartijen en dronkenschap lokt de ontucht uit.

Het zijn werken van het vlees. „De werken nu des vleses zijn openbaar; welke zijn overspel, onreinheid, ontuchtigheid" (Gal. 5 : 19).

„Maar hoererij en alle onreinigheid, of gierigheid, laat onder u niet genoemd worden, gelijkerwijs de heiligen betaamt" (Efeze 5:3). „Doodt dan uw leden die op de aarde zijn, namelijk hoererij, onreinheid, schandelijke beweging, kwade begeerlijkheid, en de gierigheid, welke is afgodendienst." Het strikte verband tussen heiligmaking en sexualiteit komen we ook tegen in 1 Thessalonicenzen 4 : 3 — 5. „Want dit is de wil van God, uw heiligmaking; dat gij u onthoudt van de hoererij. Dat een iegelijk van u wete zijn vat te bezitten in heiligmaking en eer. Niet in kwade bewegingen der begeerlijkheid, gelijk als de heidenen die God niet kennen."

Blijkbaar was sexuele losbandigheid in de heidense wereld, waarmee de christenen voortdurend in aanraking kwamen, zeer urgent. In allerlei cultussen (zgn. heidense godsdienstige praktijken) en in de hellenistische cultuur kwam het tot sexuele losbandigheid. Ook buiten het religieuze leven om nam de heiden een geheel andere houding aan tegenover het sexuele leven dan Paulus. Het is ten dele waar dat Paulus hierbij teruggreep op zijn joodse achtergrond (M. H. Bolkestein).

Al valt niet te ontkennen dat hij geweten heeft van de afwijzing van hoererij op grond van Leviticus 18 : 6—23, waar bloedschande en overspel door God verboden wordt. Veel liever zou ik zeggen Paulus grijpt terug op het nieuwe leven met Christus, en de vrucht die daaruit voortkomt. Het begrip hoererij beslaat het hele sexuele leven, althans wat de ongeoorloofde verhoudingen aangaat. Zij vindt plaats in buitenechtelijk geslachtsverkeer en prostitutie. In tegennatuurlijk geslachtsverkeer (Rom. 1 : 26—32). Maar ook als het gaat om een huwelijk onder bloedverwanten, huwelijk van een proseliete voor haar overgang, met een vrijgelatene, of met een vrouw die buitenechtelijk of onwettig geslachtsverkeer gehad had. Dit alles is uitgesloten voor mensen, die tot de gemeente Gods behoren. Hun heiliging betekent onthouding van iedere vorm van hoererij (Hand. 15 : 20, 29; 21 : 25).

Was deze vermaning nodig voor het leven van de leden van Christus gemeente, omdat de breuk met het heidense leven, noch in Rome, noch in Korinthe, of in welke gemeente ook, niet radicaal genoeg was? Soms wel. Maar er is niets nieuws onder de zon. Ook toen werd in de gemeenten de mening verkondigd, (toen vaak met een onjuist beroep op Paulus, in onze tijd met terzijdestelling van Paulus, die men ziet als een kind van zijn tijd, en als produkt van joodse opvattingen) dat het evangelie in vrijheid stelt, ook in sexueel opzicht. Maar hoe men er in de gemeente ook over denkt —* toen en nu — voor Paulus sluiten die twee elkaar uit: heiliging en hoererij.

Geen sexuele vrijbuiter heeft deel aan het rijk van God. Het gaat hem duidelijk om de overheersing van het sexuele in het leven van de christen en om de binding van het hele menselijke leven aan de Heere Christus. „Want God heeft ons niet geroepen tot onreinheid, maar tot heiligmaking" (1 Thess. 4:7). „Wij weten dat onder het woord heiligen vervat wordt de ganse vernieuwing des mensen" schrijft Calvijn bij 1 Thess. 5 : 26. Christenen zijn duur gekocht en hun lichaam is een tempel van de Heilige Geest. Het gaat in 1 Thess. 4 : 1—7 niet alleen maar om de negatieve aspekten van de sexuele losbandigheid, maar ook om de rechte beleving van de sexualiteit. Vast staat in elk geval: een buitenechtelijk geslachtsverkeer, prostitutie of tegennatuurlijk geslachtsverkeer." Men mag zich niet vergrijpen aan de vrouw van een ander; men mag buiten het huwelijk om geen sexuele relatie onderhouden, ook al zou een ander zich daartoe bereid verklaren. Het gaat om een huwelijk in liefde, en om liefdesbeleving binnen het huwelijk. Dat noemt Paulus de heiliging waartoe God de Zijnen oproept." (W. H. Velema a.w. blz. 89). Deze heiliging staat ook in direkt verband met de gehoorzaamheid aan het zevende gebod van de Tien Geboden.

Wat betekent het nu zijn „vat" te bezitten in heiligmaking en eer? (1 Thess. 4:4). Volgens sommige uitleggers zegt Paulus hier dat ieder zijn eigen lichaam in heiligheid en eerbied moet gebruiken. De heiliging betreft ook het lichamelijke, met name het sexuele. Wie zich daarin te buiten gaat zondigt tegen zijn eigen lichaam (1 Kor. 6 : 18).

Christus vernieuwt lichaam en ziel. Maakt het lichaam tot een tempel waar de Heilige Geest in wil wonen. Dat het lichaam daarom rein bewaard moet worden spreekt vanzelf,

zeker met het oog op de heiligheid van Christus. Maar het woord „vat" kan volgens anderen ook betekenen de vrouw die hem van God gegeven is. Te denken valt aan het woord uit 1 Petrus 3 : 7, geciteerd in het huwelijksformulier: Gij mannen insgelijks, woont bij haar (uw vrouw) met verstand, aan het vrouwelijk vat, als het zwakste eer gevende, als die ook mede-erfgenaam der genade des levens zijt; opdat uw gebeden niet verhinderd worden."

Men mag ook binnen het huwelijk van de vrouw geen willoos objekt maken van de driften van de man. Paulus wil als de wil van God stellen, dat ieder in het huwelijk met zijn vrouw moet omgaan in de heiliging, in het respekt, waarop de vrouw als mens, als vrouw, recht heeft. Dat sluit leven in ongebreidelde lust en sexuele losbandigheid uit. Tussen bovengenoemde opvattingen hoeven we geen keus te doen. Het één en het ander moet gelden.

In de sfeer van 1 Thessalonicenzen 4 : 1 — 7 blijvend maakt Paulus ook nog behartenswaardige opmerkingen over de kwade beweging der begeerlijkheid, zeg maar de ongebreidelde hartstocht, (vs 5). Hartstocht is de ongeremde uiting van het begeren.

In Romeinen 1 : 26 brengt Paulus die hartstocht in verband met de homofiele en lesbische praktijken. Lees het maar na. Paulus schrijft het losgooien van de remmen en het uitleven van de drift der zelfzucht toe aan het niet-kennen van God. Zo doen de volken der heidenen, die God niet kennen.

Na het bovenstaande mag u duidelijk zijn dat de heiliging, wat dit onderdeel betreft haaks staat op de antieke èn de moderne opvattingen over de sexualiteit. Als christen kunnen en mogen wij daar niet in meegaan.

Bij de toenemende ontkerstening van de europese wereld worden we in maatschappij, kerk en gezin steeds duidelijker, en ook steeds harder geconfronteerd met de demonische machten die we zelf ontketenen op dit terrein, dat alleen vervuld van de Geest der heiligmaking dient betreden te worden. Gaan we er wèl in mee, dan gaan we er gewis in onder. Hier vallen geen compromissen te sluiten. Het is óf heiligmaking óf verwording, ondergang.

Heiliging betekent toch ook de heling, de wedergezondmaking van het hele leven, dat tot in zijn diepste wortels door de zonde door en door bedorven is. We weten heel goed dat we hiermee niet meer terecht kunnen bij degenen die de nieuwe sexuele-en huwelijksmoraal aanhangen en propageren. Er is duidelijk sprake van de zedelijke crisis van onze tijd. (W. H. Velema). We hoeven haar heus niet alleen te localiseren op het terrein van de sexualiteit en het huwelijksleven, als zou de heiliging niet alle terreinen van het hart en het leven beslaan. Maar als bijzonder ongeestelijk tijdsverschijnsel mogen we er onze ogen niet voor sluiten. Op zijn tijd vragen deze zaken een kuise en kiese aandacht, ook in catechese en prediking.

Van officiële kerkelijke zijde worden in zogenaamde pastorale handreikingen nieuwe normen voorgeschreven en aangeboden. Wie zich daar niet mee verenigt valt met zijn ouderwetse opvattingen buiten de boot. Erger, hij wordt bestempeld als liefdeloos omdat men niet kan instemmen met de tollerantie die men aan de dag weet te leggen voor relaties op sexueel terrein, die niet, als officieel huwelijk bestempeld kunnen worden. Dat geldt van hetero-en homosexuele relaties. Dit is o.i. geen pastoraat meer te noemen. Het is de sluizen openzetten voor de stromen van bestiale zonden, waardoor wij overspoeld dreigen te worden. De bestrijding van de gevolgen, die zich vertonen in het onrustbarende aantal echtscheidingen, het afdanken van elkaar als samenwonen niet langer het bevredigende resultaat biedt, de sexuele misdaad die het leven van dag tot dag onveilig maakt, de schokkende berichten van gepractiseerde kinderporno, de angst voor het om zich heen grijpende aidsvirus, is niet meer dan dweilen met de kraan open. Een waarom zwijgt de kerk, waarom? Het is een vraag die je angstig en tegelijk verdrietig maakt. Waarom neemt zij het niet op voor Gods wetten, voor een leven als christen in heiligmaking en eerbaarheid? Waarom verzet zij zich openlijk tegen hen die begeren naar Gods Woord te leven? Waarom biedt zij opening aan uitbrekende zonden en is zij geen schuilplaats meer voor diegenen die op hun schreden van de zonde terugkeren, en voor diegenen die de wet van God liefhebben omdat God hen heeft liefgehad?

Maken we ons niet schuldig aan al het leed, aan al die gebroken relaties, aan al die slachtoffers van de sexuele revolutie, waar we geen weg meer mee weten, en waar de kerk als moeder zich niet over ontfermt, omdat de wandel in de duisternis eerder gepropageerd en gestimuleerd wordt dan de wandel in het licht?

De zedelijke crisis is ten diepste een geestelijke crisis. We zijn losgeslagen als een schip dat op drift is. We zijn de rechtvaardiging van de goddeloze kwijt, en daarom zijn we de heiligmaking in de vreze Gods kwijt. Laten zij die bidden geleerd hebben zich voor God verootmoedigen en smeken om de Geest des oordeels en der uitbranding, om de Geest die vernieuwt wat verdorven is, die wederbaart, die ons weer laat zien dat zonder rechtvaardig-en heiligmaking niemand de Heere zal zien.

K.a.Z.

H. V.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 juli 1987

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

Wandelen ah kinderen van het licht

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 juli 1987

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

PDF Bekijken