Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De hoop des eeuwigen levens

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

De hoop des eeuwigen levens

10 minuten leestijd

„Paulus, een dienstknecht van God, en een apostel van Jezus Christus^ naar het geloof der uitverkorenen Gods en de kennis der waarheid die naar de godzaligheid is. In de hoop des eeuwigen levens, welke God, Die niet liegen kan, beloofd heeft voor de tyden der eeuwen, maar geopenbaard heeft te Zijner tijd. Namelijk Zyn Woord, door de prediking die mij toebetrouwd is, naar het bevel van God onze Zaligmaker; .aan Titus, mijn oprechte zoon naar het gemeen geloof: enade, barmhartigheid, vrede zy u van God te Vader en de Heere Jezus Christus, onze Zaligmaker." Titus 1 : 1—4

Knecht van God

Tamelijk uitvoerig stelt de apostel zich via Titus aan de gemeenten op het eiland Kreta voor. Slechts kort was Paulus zelf op dit eiland geweest. „Toen Paulus op Kreta nog slechts de fundamenten der kerk gelegd had, haastte hij zich ergens anders heen (daar hij niet herder van slechts één eiland was, maar apostel der heidenen), nadat hij aan Titus als evangelist de taak had opgedragen om het werk voor te zetten", aldus Calvijn in zijn inleiding op het commentaar op de brief aan Titus. Dat Paulus zich met zoveel woorden presenteert, zal wel betekenen dat hij over het hoofd van Titus heen zich eigenlijk tot de Kretenzen richt. Om zo aan zijn woorden kracht bij te zetten en tevens ook Titus méér aanzien en gezag te geven. Zoals overal waar God en Zijn Woord worden gebracht, onderneemt satan aktie dat alles te ondermijnen. Ook Titus op het eiland Kreta moest het ondervinden.

Welnu, Paulus stuurt een briefje aan Titus ter bemoediging. Dat had hij hard nodig. De prediking van de genade Gods gaat altijd en overal tegen alles in. Maar de apostel werpt het gewicht van zijn goddelijke roeping in de strijd. Paulus, een dienstknecht van God en een apostel van Jezus Christus.

Ik ben maar niet op eigen houtje aan de dienst van het Woord begonnen omdat me dat wel een aardig baantje leek en een prettige tijdspassering, maar God legde in Zijn majesteit beslag op mijn leven. Hij werd me te sterk en velde me op het slagveld van Zijn toorn en van Zijn liefde. Sindsdien ben ik een knecht van God. Geen eigen meester meer maar 's Heeren knecht. En een apostel van Jezus Christus. Een gezondene, een uit-gezondene vanwege Jezus Christus.

Hém vertegenwoordig ik in mijn dienst. Wie mij hoort, die hoort eigenlijk Hem. In de gezant komt de Zender mee. Ik verzin zelf geen boodschap, maar geef Zijn woorden door. Knecht en apostel. Apostelen zijn er niet meer. Wel steekt er achter elke gezant vanwege Christus iets van die glans van de roeping Gods en komt er het nodige door van de kracht van het knecht-zijn. Tenminste, dat hoort zo te zijn. We komen bij God vandaan met een boodschap van de Overzijde. Gezagvol spreken kan alleen wanneer God Zelf aan het woord komt. Dat gezag draagt de apostel aan om ook op Kreta aan de gemeente Gods te bouwen.

Naar het geloof

Dat arbeiden in het Woord heeft een doel: naar (of: met betrekking tot) het geloof van de uitverkorenen Gods en de kennis der waarheid die naar de godzaligheid is. Het is Paulus' oogmerk te arbeiden ten gunste van het geloof der uitverkorenen Gods.

Uitverkorenen Gods, een titel die voorheen ook het volk Israël ten deel viel en nu mede van toepassing is op het Godsvolk van het Nieuwe Testament. Uitverkoren. Door God weggeroepen uit de duisternis van het heidendom. Apart gezet, aan God gewijd en geheiligd.

Uitverkoren. Buiten enige verdienste in de mens om. Om Gods welbehagen. Uitverkorenen Góds. God verkiest. Welk een wonder van ontferming. Want waarom zou God dat doen? Ik doe het niet om uwentwil, maar Ik doe het om Mijns groten Naams wil. Voor hen zendt God Zijn knecht. Dienend in een grote volkskerkgemeente, zei een vergrijsde ambtsbroeder me eens: je bent er voor de uitverkorenen. Hou daaraan vast in

al je arbeid. Hij bedoelde daarmee niet: bekommer je om de rest niet. Het gaat in het verkondigen van het Evangelie dat de verhoogde Christus door Zijn Geest en Woord Zijn gemeente vergadert uitverkoren tot het eeuwige leven. Dat geeft zin èn kracht aan de Evangelieverkondiging. Ze zullen komen op Wie God Zijn hart heeft gezet. Door alles gaat dat kerkvergaderende werk van Christus voort. Het welbehagen des Heeren zal door Zijn hand gelukkiglijk voortgaan. Tevens gaat het om de bevordering van de kennis der waarheid die naar de godzaligheid is. Met de toevoeging 'der godzaligheid' krijgt de uitdrukking 'kennis der waarheid' een eigen inhoud. Het gaat in dit verband met name om de geloofspraktijk, de geloofsoefening, de geloofsvrucht. Om de praktijk der godzaligheid. Welnu, om het geloof der uitverkorenen Gods en om hun godzalige levensopenbaring weet de apostel zich een gezondene, een knecht Gods.

Hoop des eeuwigen levens

De aansluiting van vers 2 op het vorige vers lijkt op het eerste gezicht enigszins los, niet zo vanzelfsprekend. Calvijn lost het zo op door te lezen: vanwege de hoop op het eeuwige leven. Met andere woorden: onze arbeid aan de opbouw van het geloof der uitverkorenen Gods doen we vanwege onze hoop op het eeuwige leven. Hij zegt dan: „Want bij de overdenking van het hemelse leven begint zowel de ware religie, als de beoefening der godsvrucht." Net als aan de Colossenzen waar hij tevens de hoop die in de hemelen is weggelegd ziet als de oorzaak van hun geloof en liefde .„Daarom moet een goed leraar zich altijd dit tot taak stellen, dat hij mensen, uit de wereld weggevoerd, bekeert tot het opzien naar de hemel. Ik erken weliswaar dat de eer Gods ons meer waard moet zijn dan onze zaligheid... Ik zeg slechts, dat nooit de mensen in waarheid God zoeken, indien zij niet vertrouwen Hem te bereiken" (Calvijn).

Op grond van de hoop op het eeuwige leven! Hier laat de apostel zich in het hart zien. Daarom wordt hij voortgedreven en daardoor aangespoord: hoop op het eeuwige leven. Dat moeten we dan wel goed verstaan. Zoals de Schrift het begrip 'hoop' hanteert. Hoop is hetzelfde als zekere verwachting. Geen onzeker hopen waarvan de uitkomst niet vast staat. Maar leven uit de hoop is leven in de zekere wetenschap: ons wordt straks geschonken hetgeen we hier en nu hopen. Het is ons immers beloofd. Dat staat er dan ook achter: „...het eeuwige leven welke God Die niet liegen kan, beloofd heeft..." De hoop wordt geboren uit het geloof in de belovende God. Die niet liegen kan. We zeggen het soms: God kan niet alles. God kan niet liegen. Wij intussen wel. Liegen en bedriegen, veinzen, doen alsof, huichelen. Wij zijn uit de vader der leugenen afkomstig. De waarheid is in ons niet. Leerden we het ook?

Het is echter God Die niet liegen kan. God is de Waarheid. Van oude tijden af heeft God Zijn Woord gesproken. En steeds laten blijken waar, betrouwbaar te zijn. Wat spreekt God voor woorden? Woorden des eeuwigen levens. Verkondiging van heil, van leven, van eeuwig leven voor Zijn volk. Voorheen in de gestalte van de belofte, thans ook in het stadium van de vervulling. Het eeuwige leven is geschonken in Christus Jezus. Wat God van oude tijden af heeft gesproken, is thans vast geworden, bevestigd geraakt in Christus. Dat God niet liegen kan, is te tasten in de zending van Zijn

Zoon. Welaan, bedoelt de apostel, ons is hoop geschonken op het eeuwige leven. Dat doet ons arbeiden, dat doet ons prediken. De prediking richt zich op de hoop. Hier is de levende hoop ook het fundament van de prediking. Heel de bediening van Woord en sacrament is gebaseerd op het in Christus verschenen eeuwige leven en op de daardoor in de harten der gelovigen gewekte hoop. Leeft dat ook in deze tijd van zichtbare neergang in het kerkelijk leven wel voldoende in al onze arbeid? Een gezant vanwege de hoop. Moedig slaan we steeds de ogen naar het ons beloofde land. We zaaien in hope. We slaan met onze woorden maar niet als in de lucht, maar weten ons gericht op de beloofde oogst. In de dienst des Heeren zijn we niet met ijdele zaken bezig. We wagen niet een gok of iets dergelijks. We getuigen van zaken die onder ons volkomen zekerheid hebben. Vanwege de hoop des eeuwigen levens. God haalt de Zijnen er uit en brengt ze bijeen. Zijn werk gaat voort. Zijn Woord loopt zeer snel. Houd daarom moed! Vanwege de hoop.

Toebetrouwde prediking

De openbaarmaking van Gods Woord in de volheid der tijden vond plaats via de verkondiging, zo stelt de apostel. God openbaart het leven door het woord. Het woord aangaande het leven wordt geopenbaard via de verkondiging van het evangelie. In de prediking, aldus Calvijn, is het voornaamste dat wij daar horen dat Christus ons gegeven wordt en in Hem het leven! Met andere woorden: daar gaat het vooral om in de verkondiging. Daar ligt de spits, het hart der prediking: Christus en het leven in Hem geschonken. Toevertrouwd. De apostel herinnert aan de grote gebeurtenis in zijn leven toen hem met zoveel duidelijkheid de dienst der verzoening werd toevertrouwd. Aan niemand is eer verschuldigd dan aan wie zich onderwezen heeft getoond (Calvijn). Want je kunt je wel erop beroepen een geroepen kracht te zijn, aldus Calvijn, maar dat doen satans dienaren ook. Maar er is een geen geloof in hun uitspraken. Toebetrouwd naar het bevel van God. Anders hebben we niet te doen, aldus de apostel, dan dit Woord verkondigen en uitdragen. Wee mij indien ik het Evangelie niet verkondig. Het is het Woord 'van onze Zaligmaker'. God, onze Zaligmaker. Door de dood van Zijn Zoon verlost de Vader van het eeuwig verderf en

maakt ons erfgenamen van het eeuwige leven. God onze Zaligmaker. Wie zou die hoogste Majesteit dan niet met eerbied prijzen?

Mijn oprechte zoon

„...aan Titus, mijn oprechte zoon, naar het gemeen geloof..." Vanwege het geloof noemt Paulus Titus zijn zoon. Ook Timotheüs werd zo door de apostel genoemd. Zoon in of vanwege het gemeen d.i. het gemeenschappelijk geloof. Er is verbondenheid in het algemene, overgeleverde en ontwijfelbare geloof. „Daarin heeft Paulus als een vader Titus als zijn zoon grootgebracht cn daarin had Titus zich een ware zoon van zijn vader Paulus getoond" (Ridderbos). Als Paulus Titus zo aanspreekt, bedoelt hij dat als een aanbeveling voor Titus. Hij is niet zomaar iemand, maar een man Gods, één in het geloof met mij die een gezant van

Christus' wege ben. Titus' geloofsbrieven schrijft Paulus als het ware. Mijn oprechte zoon in het gemeenschappelijk geloof. Daar zijn banden die boven dc banden van het bloed uit gaan. De band des geloofs. De band aan de Heere des levens.

Opmerkelijk is hoe hier in vers 4 Christus onze Zaligmaker wordt genoemd, terwijl in vers 3 God de Vader zo heette. God handelt in Christus en in Christus is het de Vader die handelt. Wc mogen wel onderscheiden, echter niet scheiden. Het is de éne God die tot heil van de Zijnen arbeidt. Reddend, heilbrengend, zaligmakend. O, hoe groot is Uw goed dat Gij weggelegd hebt voor dit U vrezen. Vrees dan deze God en Zaligmaker. Heb de Heere hartelijk lief. Acht Christus hoog. Om Zijns Naams en om Zijns werks wil.

C.a.d.IJ.

J. M.

Dit artikel werd u aangeboden door: https://www.hertog.nl

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 juli 1987

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

De hoop des eeuwigen levens

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 juli 1987

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

PDF Bekijken