Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Twee boosheden - één weq terug

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Twee boosheden - één weq terug

14 minuten leestijd

„Want Mijn. volk heeft twee boosheden gedaan: ij, de Springader des levenden M'aters, hebben zij verlaten, om zichzelf bakken uit te houwen, gebroken bakken, die geen water houden." Jeremia 2 : 13

1. de eerste boosheid

Hebt u wel eens een fontein gezien.? Niet zo een die door mensen is aangelegd, maar een echte fontein in de vrije natuur. Zo'n fontein is een lust voor het oog. Helder, fris water spuit omhoog vanuit de diepte van de aarde. Dat gaat maar door, dag in dag uit, of het nu lente of zomer is, herfst of winter.

Zo'n fontein is een beeld van een onuitputtelijke volheid. Er schijnt nooit een eind te komen aan de onzichtbare bronnen in de diepte, de blijkbaar altijd stromende aders van waaruit het water opwelt. De fontein spreidt leven om zich heen. Heel de omgeving is afhankelijk van die fontein. Mens en dier worden door de fontein van drinkwater voorzien, maar in feite ook van voedsel. Want door het water uit de fontein is heel de omgeving vruchtbaar. Denk eens in dat de fontein er niét was. Hoe anders zou alles er uit zien! In plaats van bloeiende tuinen en vruchtbare akkers zouden er slechts droge woestijngebieden en huilende steppen zijn — een Land dat dor en mat van droogte brandt, waar niemand lafenis kan krijgen.

Ontberen doet waarderen. In een waterrijk Nederland zijn de mensen blij als het een aantal dagen achtereen niet regent. Wij kunnen ons moeilijk indenken welke gevoelswaarde een woord als 'water', 'bron' of 'fontein' heeft voor mensen uit hete oosterse landen. In Palestina regent het eigenlijk alleen in januari en februari fhnk. Wat is dan in zo'n land een fontein van geweldige waarde en betekenis. Men spreekt van levend water, in tegenstelling tot dood water, ijv. regenwater dat opgevangen is in een put of gemetselde bak, een cisterne. 'Levend water', veelzeggende term! Water waar leven in zit, water dat leven verspreidt, water dat levensnoodzakelijk is.

Een bron wordt door vele oosterse volken vanouds als heilig vereerd. Een fontein werd gezien als een godheid, van wie men zich diep afhankelijk wist en die daarom op allerlei manieren werd vereerd. We kunnen daar misschien wat meewarig om glimlachen en wat neerzien op dat 'primitieve heidendom', maar we moeten ons toch eerst maar eens proberen in te denken wat de fontein betekent voor bewoners van woestijnachtige gebieden.

Nu vindt er in onze tekst een vergelijking plaats met zo'n fontein, hier genoemd een 'springader van het levende water'. De HEE-RE God vergelijkt Zichzelf met zo'n fontein. Het gaat hier om een aangrijpende klacht en aanklacht waarmee de proteet Jeremia in naam van zijn goddelijke Zender tot het verbondsvolk kwam. Israël moest worden beschuldigd van trouwbreuk. Als een ontrouwe bruid had het volk de Bruidegom, de HEERE, op het hart getrapt. Het had andere goden, afgoden, gesteld in de plaats van de levende God. Zoiets komt zelfs onder heidenen niet voor, dat men van goden verandert, dat men de eigen afgoden omruilt en inwisselt voor andere. Maar het uitverkoren volk, het apart gezette volk van Gods verbond, heeft dat wèl durven besteken. De hemelen mogen over zoiets wel beven van ontzetting: het is ongehoord en ongekend. Het is voor de HEERE onbegrijpelijk dat Zijn volk, waaraan Hij zoveel weldaden heeft bewezen, zo ondankbaar en ontrouw kan zijn!

Wanneer we heel Jeremia 2 eens doorlezen en overdenken, dan zien we dat deze boodschap er niet om liegt. De jonge profeet is pas geroepen tot zijn verantwoordelijk ambt, maar meteen al in zijn 'intreepreek' wordt de kern van de zaak genoemd. God spreekt door middel van Jeremia het volk aan als in een rechtsgeding. Daar klinkt de felle aanklacht, maar ook de smartelijke klacht: 'Mijn volk, waaraan heb Ik het dan verdiend dat u zó tegen Mij optreedt.? ' „Zo zegt de HEERE: Wat voor onrecht hebben uw vaders aan Mij gevonden, dat zij verre van Mij geweken zijn, en hebben de ijdelheid nagewandeld, en zij zijn ijdel geworden.? " (vs 5).

Daar kan natuurlijk niemand een positief antwoord op geven. In God is geen onrecht en nimmer heeft Hij Zijn volk tekort gedaan of reden tot klagen gegeven. De dwaasheid, maar vooral ook de boosaardigheid van het verlaten en verzaken van de HEERE, komt bijzonder tot uiting in de beeldspraak van de tekst: de eerste boosheid is 'ze hebben Mij, de Springader van het levende water, verlaten'. De tweede boosheid is 'om zichzelf bakken uit te houwen, gebroken bakken die geen water houden'. Alle overige boosheden, waarvan een eindeloos lang register zou zijn te maken, gaan op deze twee wortelboosheden terug. Ten diepste betreft het één radicale boosheid, die vanuit twee gezichtspunten wordt bezien. Twee even boze kanten van één medaille, van één brevet van verdorvenheid.

Het wezen van de zonde is de HEERE verlaten. Hem smadelijk de rug toekeren. Dat veronderstelt altijd een verbondsverhouding. We kunnen alleen bij iemand vandaan gaan wanneer we eerst bij hem zijn geweest. Van huis uit leven we met God in een verbond. Zo was het al in het paradijs. Maar het paradijsverbond is door de zonde van onze eerste voorouders, Adam en Eva, verbroken. Met het volk van Israël sloot de HEERE het genadeverbond. Eén van de weldaden van dit verbond was dat God het volk bevrijdde uit Egypte, leidde door de woestijn en hen het beloofde land Kanaan schonk. Zo had Israël gedronken uit de bron van Gods zegeningen. Het had metterdaad kennis gemaakt met de HEERE als de Springader van het levende water, als de overvloedige Fontein van alle goeds (art. 1 Ned. Geloofs Belijdenis).

We kunnen hier de lijn meteen doortrekken naar onszelf. Ook wij mogen door genade verbondsvolk van God zijn. Van Jongsaf aan dragen de meesten van ons door de H. Doop het teken en zegel van het genadeverbond. En een stroom van zegeningen heeft de HEERE ons door de jaren heen geschonken, ja Hij overlaadt ons ermee tot op de huidige dag.

Moet deze naam van de HEER ons dan niet bijzonder aanspreken: 'Springader van het levende water'.?

Ds. Th. V. d. Groe zegt in zijn biddagpreek over deze tekst: 'er konden wel duizend boeken geschreven worden over deze heerlijke eretitel van God, om die enigszins naar waarde te verklaren'.

In Psalm 36 lezen we: 'Want bij U is de fontein des levens' (vs 10a). De HEERE is de

bron van alle leven. Buiten Hem is geen leven mogelijk. Maar in Hem is een onuitputtelijke volheid. God wordt van het geven niet armer en van het inhouden niet rijker. Uit deze volheid kunnen w r e ontvangen ook genade voor genade. Een bron die altijd water geeft: de HEERE is immers voortdurend nabij in Zijn beloften. De regen kan maanden uitblijven, maar de fontein geeft altijd water. Of we nu jong zijn of oud, ziek of gezond, blij of verdrietig, of het nu dag is of nacht, zomer of winter, we kunnen terecht bij de HEERE als de Springader van het levende w r ater. En de talloze beloften uit de Bijbel zijn evenzovele emmers om daarmee te putten uit deze Fontein in allerlei omstandigheden. De HEERE openbaart Zich in Zijn Woord nergens als een karig God, maar als Degene die mild en overvloedig schenken wil al wat ons ontbreekt. Hij wil de onvruchtbare, dorre vlakten van ons leven drenken vanuit Zijn heilsfontein, zodat alles als herschapen wordt. Ja, Hij nodigt ons uit en dringt er bij ons op aan: tracht Mij maar eens uit te putten en kom er dan achter dat Ik onuitputtelijk ben en altijd weer boven bidden en denken weet te geven; wees niet te gauw tevreden, maar span u biddend in om meer en meer te scheppen uit de Levensbron. Opent toch uwe mond en vraagt van Mij vrijmoedig, op Mijn trouw verbond.

De Heere Jezus zegt: Zo iemand dorst, die kome tot Mij en drinke' (Joh. 7 : 37). Of ook toch de Samaritaanse vrouw bij de Jakobsbron: Maar "zo wie gedronken zal hebben van het water, dat Ik hem geven zal, die zal in eeuwigheid niet dorsten; maar het water dat Ik hem geven zal, zal in hem worden een fontein van water, springende tot in het eeuwige leven" (Joh. 4 : 14).

Zondige dwaasheid en boosheid is nu: eze Fontein verlaten. Daarmee snijden we onszelf af van de Levensbron en Levensader. Hier geldt tenvolle: et kwaad straft zichzelf. „Maar de afvalligen wonen in het dorre" (Psalm 68 : 7). Dat kan niet anders: ie de Springader van het levende water verlaat, maakt zijn of haar leven tot een woestijn zonder genade.

Hebben we deze boosheid in ons eigen even ontdekt? Ook in ons volksleven? Neerland is Israël niet. Maar wat hebben de ederlanders in de geslachten bij de Fonein gestaan en daaruit met vreugde gechept het w T ater des heils. Maar als volk ebben we ons meer en meer van de Bron fgewend. Nederland is een afvallige natie eworden. Maar ook dwars door de kerken en dwars door ons eigen leven loopt de verbondsbreuk. Hoe is het mogelijk dat we zover hebben durven gaan! Wat kan daar achter steken? Is het niet de oerzonde van de hoogmoed? Het als God willen zijn? We denken het zónder Hem wel te kunnen redden. We menen onszelf wel te kunnen bedruipen. Daarmee is de tweede boosheid aan de orde.

2. de tweede boosheid

Die tweede boosheid is 'zichzelf bakken uithouwen, gebroken bakken, die geen water houden'. Het gaat hier om onderaardse, in de rots uitgehouwen vergaarbakken, die met kalk waren dichtgemaakt om het wegsijpelen van het water tegen te gaan. In deze bakken werd het regenwater bewaard. Het betreft hier dus geen levend water, maar dood water. Het is natuurlijk ook niet al te fris: groezelig, wat bitter smakend water, dat over de daken van klei en stro is gevloeid en over de bodem van leem is heengegaan. Zulk bakken-water. is beter dan niet, een mens kan er zijn dorst mee lessen. Maar in de verste verte is dit bakken-water niet te vergelijken met echt bron-w r ater. Het is dan ook ondenkbaar dat iemand vlak naast een fontein een bak zou gaan uithouwen in de grond, ten koste van veel moeite en geld, om daarin water op te vangen en dat dan te gaan drinken met voorbijgaan van het frisse bronwater.

Hoe onvoorstelbaar ook, dat is nu precies wat de mens in zonde doet. Hij gaat zelf aan de slag om de dorst van zijn ziel te lessen. Hij zoekt het bij de waterbak van zijn gezondheid en kracht (hoevelen maken niet een afgod van de gezondheid door te stellen 'gezondheid is de grootste schat'. Daarmee miskennen we dat genade, verzoening en vrede met God de grootste schat is!). Anderen maken van de buik hun god of van sexueel genot of van materiële welvaart of van populariteit. Zelfs kunnen wij een eigen bak uithouwen door onze godsdienstigheid en rechtzinnigheid. Maar hoe het ook zij, hoe die bak er verder ook uit mag zien, kenmerkend is dat wij daarmee zelf verder kunnen. We hebben God niet meer nodig, we behoeven niet meer dagelijks met lege handen en met lege vaten te komen tot God, de Springader van het levende water. We hebben er heel wat voor over. maar het resultaat is dan ook dat we voor onszelf kunnen zorgen, dat we eigen baas zijn en ons leven in eigen beheer hebben.

Ja maar, we belijden toch dat aan 's Heeren zegen alles gelegen is? We erkennen toch dat we het van die Fontein moeten hebben? Ja zeker, maar intussen houden w T e onze eigen bakken achter de hand. En daarmee verloochenen we metterdaad de God die we met onze lippen belijden. Hier geldt immers: alles of niets! Wie naast de HEERE andere personen of zaken stelt en ze daarmee tot afgoden maakt, heeft daarmee de Springader van het levende water verlaten. Of zoals ds. H. Veldkamp het indertijd formuleerde: „Met uitbundige psalmen en volle kerken hebben wij God verlaten. In de kerk zingen we: bij U, Heer', is de Levensbron. En thuisgekomen beginnen we weer onze eigen regenbakken te metselen."

Maar nu gaat de profeet in Gods naam nog een stap verder: die zelf uitgehouwen bakken zijn gebroken bakken die geen water houden. Zolang de regen van Gods zegen nog neerdaalt over ons leven, merken we daar niet zoveel van. Maar als de nood aan de man komt, als de tegenslagen ons treffen, dan komen we tot onze waterbakken en doen de schrikbarende ontdekking dat ze leeg zijn! Het water is weggevloeid. Door een kleine aardschok of andere oorzaak zijn er barsten gekomen in die bakken en zo is het verzamelde water teloor gegaan. W T e meenden nog wat achter de hand te hebben, 'een appeltje voor de dorst'.

Maar als het er op aan komt, blijken de bakken van jeugd, gezondheid, welvaart, eigengerechtigheid en eigenwillige godsdienst leeg te zijn. Bakken die geen water kunnen bevatten! Dat loopt uit op een eeuwig dorsten. Maar hier en nu al blijkt het dat heel de wereld èn ook nog heel de uiterlijke, vormelijke godsdienst buiten de levende God zelf (we mogen ook zeggen: buiten Christus, het levende water) om, nooit onze dorst kunnen lessen. We kunnen de zonde indrinken als water, maar ons hart blijft onbevredigd. De dorst wordt alleen maar heviger.

De HEERE stelt het ons indringend voor ogen, opdat we onze dwaasheid en boosheid zullen inzien. De roep tot bekering klinkt door deze bewogen klacht en aanklacht heen. Bekering is onze zelfgehouwen, gebroken bakken in de steek laten en terugkeren tot de Springader van het levende water. Dat is:

3. de enige weg terug

Men kan zich afvragen of die weg terug wel in de tekst wordt opengelaten. Het schijnt bij een ontdekkende en aanklagende prediking te blijven. Maar wij moeten over één heel belangrijk woordje niet heenlezen, namelijk het woordje 'Mijn'. Ondanks alles wat er gebeurd is, blijft de HEERE zeggen: Mijn volk. Zijn verkiezing is onberouwelijk en ondanks alle verbondsbreuk aan onze kant, gedenkt Hij Zijns verbonds gestadig. Hier ligt de grond voor de gelovige verwachting die wij mogen koesteren voor het oude verbondsvolk Israël.

Maar hier ligt ook de enige hoop en verwachting voor ons, verbondsbrekers, en voor ons verbondsbrekend Nederlandse volk.

Door ondanks alles te spreken van 'Mijn volk', zet de HEERE de deur van genade en bekering nog wijd open. Hij zoekt ook in het felle requisitoir van Jeremia 2 niet het verderf, maar het behoud van Israël. God blijft vechten om het hart van Zijn volk. Er is een weg terug voor ieder afvallig verbondskind, voor elke verloren zoon of dochter. Die weg is erin de Heere Jezus Christus, die een volkomen verzoening voor al onze zonden heeft aangebracht. O, beken nog heden aan God uw éérste boosheid dat u zich van Hem smadelijk hebt afgewend. En belijdt daarbij uw twééde boosheid dat u uw leven, uw geluk, ja uw zaligheid bij allerlei afgoden hebt gezocht. Wat zijn de gebroken bakken in óns leven? Ga het na bij het licht van Gods Woord, in biddend zelf-

onderzoek. Op welke schepselen of op welke kwaliteiten van mijzelf vestig ik mijn vertrouwen naast of in plaats van God? Breng die nutteloze bakken voor Gods aangezicht, opdat Hij ze verbrijzele.

Dorst u met de dichter van psalm 42 naar de levende God, zoals een hert dorst naar de frisse waterstromen? Kan uw hart nergens meer rust vinden dan alleen in God?

Gefeliciteerd daarmee, want in dit geval geldt: dorst krijgen is de voorbode van drinken. Zalig die dorsten naar God, de levende God. Zalig die dorsten naar Christus en Zijn gerechtigheid. U wordt aangesloten op de fontein, nü al. Er komt door de Geest een springbron in uw leven. En het eeuwig perspectief is: „Ik zal de dorstige geven uit de fontein van het water des levens voor niet"

(Openb. 21 : 6). „Want het Lam, dat in het midden van de troon is, zal hen weiden en zal hun een Leidsman zijn tot levende fonteinen der wateren..." (Openb. 7 : 17).

Leven bij de Bron is geen saai en doods leven. De HEERE geeft ons zoveel om te genieten, maar dan niet in onafhankelijkheid van Hem uit onze eigen bakken, doch in dankbare afhankelijkheid van Hem. Dan

zijn er zoveel gaven, ook in het tijdelijk leven, die wij van Hem ontvangen en waarmee we ook weer in Hem mogen eindigen. Waarom zouden we dan in dwaasheid en boosheid omkomen en eeuwig dorsten zonder verkwikking? De HEERE wil niets liever dan onze wederkeer. 'En die dorst heeft, kome; en die wil neme het water des levens om niet' (Openb. 22 : 17).

V.

Welzalig hij die al zijn kracht en hulp alleen van U verwacht, die kiest de welgebaande wegen. Steekt hen de hete middagzon in 't moerbeidal, Gij zijt hun bron, en stort op hen een milde regen, een regen die hen overdekt, verkwikt en hun tot zegen strekt.

J-H.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van Friday 28 August 1987

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

Twee boosheden - één weq terug

Bekijk de hele uitgave van Friday 28 August 1987

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

PDF Bekijken