Bekijk het origineel

Jodocus vanLodenstein

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Jodocus vanLodenstein

12 minuten leestijd

(1620—1677)

(1)

6 februari 1620 was voor de heer en mevrouw vanLodenstein-Voorburch in Delft een blijde dag. Want op die dag werd hun door Gods goedheid een zoon geboren. Naar zijn vader werd hij Joost genoemd. Waarom de naam Joost werd veranderd in Jodocus? Joost mag 't weten! Of liever... Joost senior wist het. Wij moeten er naar gissen. Het klinkt in elk geval deftiger en meer in overeenstemming met de omgeving waarin Joost werd geboren en opgroeide.

Vader vanLodenstein stamde uit het oudadelijke geslacht der graven van der Marck. De moeder van Jodocus behoorde eveneens tot een regentengeslacht. vanLodenstein senior was in Delft schepen en burgemeester. Ook kerkelijk bekleedde hij een ambt... hij was diaken in de Gemeente van Delft. Deze godvruchtige mensen waren in Delft zeer gezien. Hun huwelijk werd gezegend met 6 kinderen. Behalve Joost waren er nog 2 jongens, Dirk en Pieter en 3 meisjes, Sophie, Agathe en Catharina.

Met broer Dirk had Jodocus later een geestelijke band. Aan hem droeg hij in 1664 zijn: „Weeg-schale der onvolmaacktheden" op. Van zijn jongste zuster hield hij het meest. Behalve Jodocus vader, bekleedden ook Dirk en Pieter een hoog ambt. Dirk was bewindhebber van de Oost-Indische Compagnie, veertigraad, schepen en therausier in Delft. Pieter was eveneens schepen van Delft en secretaris der Adminiraliteit op de Maas. Een zoon van Agathe, een neef van Jodocus dus, was veertigraad en schepen van Delft, bewindhebber van de West-Indische Compagnie en raad van de Adminiraliteit op de Maas.

Opvoeding en opleiding

In het milieu waarin Jodocus opgroeide, werd uiteraard aan de opvoeding van de kinderen grote zorg besteed. De goede omgangsvormen die Jodocus zijn gehele leven sierden , had hij van huis uit meegekregen. Ook aan de godsdienstige opvoeding werd nauwgezet aandacht gegeven. Jodocus kreeg een vrome opvoeding waardoor zijn leven mede gestempeld werd.

Het lag enigszins voor de hand, dat ook Jodocus in het staatkundig of maatschappelijk leven een voorname plaats zou gaan innemen. Maar dat liep anders. Hij zou ambassadeur worden, ja maar niet van maar niet van een aardse koning. Hij zou gezant worden van de Koning der koningen. Geestelijke belangen zou hij gaan behartigen en voor de rechten van die grote Koning opkomen. Jodocus begeerde predikant te worden. Dat iemand uit de regentstand een geestelijke ambt ging vervullen, was een bijzonderheid. Zo iemand werd al gauw voor een afvallige aangezien.

Na het nodige voorbereidend onderwijs werd Jodocus aan de Utrechtse Academie student in de theologie. De professoren Voetius, deMaetsius en Schotanus waren zijn leermeesters. Allen mannen van gereformeerde overtuiging en van piëtistische stempel. Vooral van Voetius was hij diep onder de indruk. Hij vond in hem een geestverwant en vriend.

Al op 28 april 1642 doet Jodocus met goed gevolg zijn praeparatoir examen voor de classis van Delft en Delfland, Hij hield daarbij een proefpreek over 1 Johannes 1 vers 7. Hoewel hij nu predikant kon worden, zette hij, op aandrang van zijn vader, de studie nog voort.

Hij bekwaamde zich gedurende 2 jaar in de Oosterse talen aan de Academie van Franeker. Professor Coccejus gaf hem daarbij leiding en verleende de jonge student gedurende die 2 jaar onderdak in zijn woning. Coccejus streed later met Voetius over de leer van de Sabbath. Mèt Voetius bestreed vanLodenstein de opvattingen van Coccejus. Desondanks bleef hij hem hoog waarderen en schreef over hem: „Ik hebbe hem altijd zeer gelieft en geagtet."

Predikant

In 1644 krijgt vanLodenstein een beroep van de gemeente van Zoetermeer en Zegwaard. Na zijn peremptoir examen op 11 augustus 1644 verbond hij zich op 28 augustus als herder en leraar aan Zoetermeer.

Uit vrees voor de „preciesheid" van de beroepen predikant, tekenden enige gemeenteleden tevergeefs tegen het uitgebrachte beroep bezwaar aan. Zes jaar mocht hij de gemeente Zoetermeer dienen. Hij kwam er als ongetrouwd man en is dat zijn leven lang gebleven. Met strenge hand hanteerde ds. vanLodenstein de kerkelijke tucht. Hij stond op een stipte heiliging van de zondag. Wie die dag ontheiligde of zich te buiten ging aan kermisbezoek, dronkenschap, dobbelen of dansen, zag zich de weg naar het Heilig Avondmaal afgesneden.

Al in Zoetermeer kampte vanLodenstein met een zwakke gezondheid. Het verhinderde hem niet zijn Gemeente in prediking en pastoraat met grote trouw en ijver te dienen. Grote aandacht gaf hij ook aan de catechisatie. Ten dienste van het catechetisch onderwijs schreef hij een leerboekje over de historische boeken van het Oude-Testament. Voor vermenigvuldiging door de druk van dit „Memoriale" zorgde de kerkeraad.

Uiteraard ondervond ds. vanLodenstein tegenwerking bij zijn bediening. Ze kwam van de kant van de libertijnse-en de ultrarechtzinnige gemeenteleden. De ultra's zagen de oproep tot bekering en een heilige wandel als een bedenkelijke aanprijzing van de vrije wil. Anderzijds was er grote waardering voor de toewijding waarmee ds. vanLodenstein zijn ambtswerk verrichtte. Hij was in Zoetermeer bemind. Als hij er later nog eens preekt, is hij er meer dan welkom.

Over zijn zwakke gezondheid dichtte hij, na veel medicijnen te hebben geslikt:

Dat 's gedaan! nu wil ik voorts gaan heen, Geduldig in Gods saal'ge wegen treen En sien wat uytkomst Hij die eeuwig leeft

Mij geeft.

'k Wil kloeck sijn, niet tegenstaans mijn pijn, Volveerdig in mijn plichtig werck te sijn;

Doe 'k niet mijn wil, ick wil doen dat ick dan

Nog ka-Sijt Gij, o Heer! met stuckwijs werck gedient! En gij> mijn Schaar, verschoont gij daar uw vriend; Voor mij, 't is weynig lijdsaam in de pijn

Te sijn.

Op 15 februari 1650 krijgt vanLodenstein bezoek van een delegatie uit Sluis in Vlaanderen. Ze willen hem daar beroepen. Een maand later is het beroep er. Het kwam er van, dat hij Zoetermeer moest loslaten. Dat ging niet zonder strijd. Het had hem immers „soo veel sweets gecostet" om Zoetermeer „in dusdanige stant te brengen".

In Sluis heeft vanLodenstein zeer kort gestaan. Niet langer dan iy2 jaar. Maar zegen op het ambtswerk wordt niet bepaald door tijdsduur. In die korte periode mocht van die zegen iets worden ervaren. In stad en omgeving ontstond nieuw geestelijk leven.

Ook in Sluis getuigde ds. vanLodenstein tegen de volkszonden. Van de 1200 gemeenteleden stonden er soms 100 onder censuur! De kermis in Brugge was daar niet vreemd aan.

In 1652 bereikt vanLodenstein een beroep uit Utrecht. Hij neemt het aan, maar door ziekte wordt zijn vertrek naar Utrecht vertraagd. Eerst op 17 april 1653 kan hij er intree doen.

Sluis bleek hem na aan het hart te liggen. Een keer wegvarend van Sluis dicht hij:

„Nog houd ik Sluys in 't oog, Sluys, een balsem, Sluys een segen, 't Is nog soet in 't oog te houden Dat ons herte gaarne siet. Sluys, hoe dat ick verder seyle, Hoe gij kleynder bij mij werd, Daar begint mij 't oog te feyle, Maar gij gaat niet uyt mijn hert."

De banden die hem aan Sluis bonden waren sterk. Nog op 1 augustus 1675 (hij is dan al 22 jaar uit Sluis weg) schrijft hij aan haar dat hij haar „zeer bemint".

Het deed hem deugd dat men in Sluis op 22 juni 1662 ds. Jacob Koelman beriep met wie vanLodenstein één van geest was.

Er ontstonden in de loop der jaren moeilijkheden tussen de Staten Generaal en ds. Koelman. Formulieren en Feestdagen wees ds. Koelman af. De formulieren zo meende hij, bevorderen een sleur-en slenterdienst en de feestdagen, inzetting van mensen, lopen uit op verachting van de sabbath. Ook vanLodensten stond wat sceptisch tegenover het gebruik van de formulieren. Als gevolg van een en ander, werd ds. Koelman als predikant geschorst. Zeer tot droefheid van vanLodenstein. Hij hield zijn vriend de hand boven het hoofd en adviseerde de gemeente van Sluis haar leraar trouw te blijven.

In Utrecht vond vanLodenstein een hem sympathieke kring. Daartoe behoorden o.a.: Voetius, Essenius, ds. Teellinck, ds. v. d. Velde en later ook ds. v. d. Bogaart. Ook Anna Maria van Schuurman maakte er deel vanuit. Deze mejuffrouw Schuurman was 'n kunstzinnige en geletterde vrouw, die met geleerden uit heel Europa brieven uitwisselde.

Vooral ds. v. d. Bogaart werd een innige vriend van vanLodenstein. Diens overlijden op 9 april 1663 heeft vanLodenstein beschreven in zijn: „J. v. d. Bogaarts laatste Uyren".

VanLodenstein heeft de gemeente Utrecht tot aan zijn dood gediend. Hij heeft er een veelbewogen tijd meegemaakt. Bij velerlei strijd werd hij betrokken. Zo in 1669 bij die tussen het stadsbestuur en een aantal kerkeraadsleden. Het ging over de bestemming van de z.g. geestelijke goederen. In de loop van de middeleeuwen had de, in 5 kapittelen georganiseerde, roomse kerk in Utrecht, veel schenkingen gekregen. Ze was rijk aan bezittingen. Na de Reformatie kwamen deze onder het beheer van de Magistraat. Het was de bedoeling dat dit bezit zou worden aangewend voor kerkelijke doeleinden. Maar de overheid deed dit niet, maar gebruikte de opbrengsten van de goederen voor nietkerkelijke zaken of liet een deel ervan verdwijnen in de zakken van vrienden.

Zowel ds. v. d. Velde en Teellinck als ds. vanLodenstein keerden zich daar fel tegen. Om de overheidsmaatregelen door te zetten hadden de Staten van Holland krijgsvolk in Utrecht gelegerd. De predikanten v. d. Velde en Teellinck werden in 1660 uit de stad verbannen. Ten aanzien van vanLodenstein beperkten de Staten van Utrecht zich tot het bespreken van zijn houding in de kerk. Dat gebeurde in 1666 en 1674. Men noemde, wat vanLodenstein deed, bandeloos, buitensporig en onbetamelijk. Daar bleef het bij. Heeft men hem ontzien omdat hij van afkomst patriciër was?

Naast strijd, was de geesteloosheid en ingezonkenheid van de kerk hem een gedurige smart. Dat kon niet ongestraft blijven! Met kracht verkondigde vanLodenstein het komende oordeel van God. Hij zag dat oordeel van God in de oorlogen die de Republiek voerde (1664 en 1672). Hij zag dat oordeel van God in de overstroming van de Dordtsewaard op Oudejaarsdag 1658. Een teken van de toorn van God om de afwijkingen in de kerk zag hij ook in de instorting van de Domkerk, toen zwaar noodweer Utrecht overviel op 22 juli 1674.

Zozeer drukte hem het verval van de kerk, dat hij na 1673 weigerde verder het Avondmaal te bedienen. Hoe kon hij dit heilig maal uitdelen aan onbekeerden en openbare huichelaars?

, , 't Is of een emmer met koud water over mijn hert gegoten wierd, als ik denke om het Avondmaal uyt te deelen, 't ware, de Kerke eerst gesuyverd wierd in Zeden, gelijk se in de Leer".

In 1672 heeft vanLodenstein de bezetting van Utrecht door de Fransen meegemaakt. Dat was een nacht van rampspoed. De bezetter had beloofd dat alles zou blijven als het was. Op die voorwaarde had men de vijand in de stad toegelaten. Maar men pleegde woordbreuk. In de Dom werd al spoedig weer de Mis bediend. En dat ging de gehele tijd van de bezetter (iy2 jaar) dagelijks door. Ook hielden de Franse soldaten in de stad behoorlijk huis. Dan worden de Franse troepen gedwongen Utrecht op te geven.

Voor ze vertrokken dreigden ze de stad te plunderen, als niet een bedrag van 5 ton goud op tafel kwam. Toen deze som niet gauw genoeg was bijeengebracht, nam de vijand op 6 november 1673 14 vooraanstaanden als gijzelaar mee. Onder hen was ook vanLodenstein. Na een bange tocht werden ze in fort Rees bij Cleve gevangen gezet. Gedurende zijn verblijf in het fort dichtte hij zijn: „Meditatiën over eenige van 's Heeren Gods Eygenschappen". Midden in de ontberingen zong hij van de nabijheid des Heeren:

„Wijsheid zonder eind of paal Zijn Zijn wegen altemaal; Zijn zij zuurheid, zijn ze zoetheid, Laat ons altijd zwijgen stil. Want de Wezenlijke Goedheid maakt het goed met dat zij 't wil"

Op 4 februari 1674 kon vanLodenstein naar Utrecht terugkeren. Blijkbaar was de afkoopsom aan de Fransen afgedragen. Nog 3 jaar zou ds. vanLodenstein in Utrecht mogen werken. Diep trof hem de dood van zijn vriend en geestelijke vader Voetius op 1 november 1676, en op 18 maart 1677 die van Andreas Essenius.

Levenseinde

Zelf werd vanLodenstein in 1677 overvallen door een ernstige ziekte. Van dit ziekbed zou hij niet meer opstaan. Velen bezochten hem tijdens zijn ziekte. In zijn broer Dirk had hij een goede verzorger en verpleger. Ook zijn collega's ds. deRijp en ds. Kruger waren trouwe ziekenbezoekers. Ds. Kruger nam tijdens de ziekte van vanLodenstein diens ambtswerk waar. Nog in zijn laatste ogenblikken waren zijn gedachten bij zijn zieke gemeenteleden. In zijn lijden mocht hij zich verenigen met de wil van zijn God en Vader. De hemelse heerlijkheid hield hem bezig. Hij citeerde veel uit Augustinus. Wenende vrienden vermaande hij hun droefheid te temperen, „want 't was hem", zei hij, „of hij op roosen legge zoude".

Toen het op een eind liep, fluisterde hij: „Is dat sterven, zo zal ik zagt sterven". „Ik gevoel niets, maar ik weet, dat in de Heere Jezus Christus de volheid van genade is, en ik leg mij neder op het Zoutverbond, dat onveranderlijk is".

Tegen ds. deRijp beleed hij: „Ik ben een dode hond voor God, maar nochtans zal ik door de verse en levende weg tot Hem ingaan in het heiligdom door het bloed van Jezus en voor eeuwig bii Hem en in Hem rusten. Ik zal mij aan Hem geheel overlaten en mij onverdroten aan Hem aanbevelen."

Zijn laatste woorden waren: „Ik ben zeer vol van gedachten."

6 augustus 1677 ontsliep hij, 57 jaar en 6 maanden oud. Groot was algemeen de droefheid om het heengaan van deze bijzondere predikant en mens. Zijn stoffelijk overschot werd bijgezet in het Koor van de Oude Kerk te Delft. (Wordt vervolgd)

B.

H/H.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 oktober 1987

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

Jodocus vanLodenstein

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 oktober 1987

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

PDF Bekijken