Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Leerde Calvijn de veronderstelde wedergeboorte?

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Leerde Calvijn de veronderstelde wedergeboorte?

9 minuten leestijd

Van een lezer uit P. kreeg ik een sympathieke brief met een belangrijke vraag èn met het verzoek daarop in te gaan. Bij het lezen van een boek verklaart hij erg geschrokken te zijn. Wat is het geval? Ik geef hem nu maar eerst het woord.

„Naar ik meende was het alleen de „grote" Dr. A. Kuyper, die de veronderstelde wedergeboorte bij kinderen leerde. Maar een schrijver attendeerde mij op „onze" Calvijn, met zijn doopleer. Nu is het mijn vraag: hetgeen we Dr. Kuyper kwalijk nemen, heeft Calvijn dat niet net zó gesteld, of er behoorlijk wat aanleiding toe gegeven? "

Onze briefschrijver verwijst vervolgens naar een uitspraak van Calvijn (Inst. IV - 16—20), ...„dat de kinderen gedoopt worden tot de toekomstige bekering en het toekomstige geloof; want ofschoon die nog niet in hen gevormd zijn, ligt toch het zaad van beide door de verborgen werking des Geestes reeds in de kinderen besloten."

Tenslotte merkt onze briefschrijver op: „Dit is toch wat anders, dan dat we het in de belofte van Gods verbondstrouw mogen hebben? " Tot zover de brief.

Ik ben natuurlijk wel nieuwsgierig welk boek en wie de schrijver is, die onze lezer zo deed schrikken, en op het idee bracht om die vraag mij voor te leggen. Hoewel, al zou ik dit weten, het van de vraag en het antwoord daarop niets af of toe doet. Ik begin mijn antwoord met een paar opmerkingen betreffende Kuypers' leer omtrent de veronderstelde wedergeboorte.

Eerlijkheidshalve moeten we wel zeggen dat we Kuyper groot onrecht zouden aandoen door hem uitsluitend te identificeren met de leer van de veronderstelde wedergeboorte. Dat zou een verenging en versmalling betekenen van Kuypers betekenis voor de theologie, met name de gereformeerde. Intussen is het een vast gegeven dat Kuypers naam aan deze leer hangt en er ten nauwste mee verbonden is. Ik ga nu geen beschrijving geven van de ontwikkeling in Kuypers denken betreffende de betekenis van de kinderdoop. Het lijkt mij voldoende de uitkomst ervan samen te vatten.

Volgens Kuyper vindt de wedergeboorte zelf op een volstrekt direkte wijze plaats. God wederbaart door Zijn Geest de mens onmiddellijk. Het is dus een handeling die op volstrekt mystieke wijze plaats vindt. De Heilige Geest gebruikt daarvoor geen enkel middel. Zelfs het Woord niet en ook het sacrament niet. De doop wederbaart niet. Wel gaat de wedergeboorte aan de doop vóóraf. Ook, ja juist bij de kinderen. Deze voorafgaande wedergeboorte is de grond voor de doop. De doop is het zegel van Gods genade.

Is cr in de gedoopte geen genade aanwezig dan kan de doop ook niets verzegelen. Je verzegelt niet niets, maar iets. Is er niets, dan heeft de doop ook geen enkele betekenis. De genade, aldus Kuyper, die in de dopeling aanwezig is, is de genade van de wedergeboorte. Nu zou het kunnen zijn dat er helemaal geen wedergeboorte aanwezig is. Kuyper ontkent dit ook niet. Voor het geval dat er geen inwendige genade der wedergeboorte aanwezig is, heeft dan de doop ook geen betekenis meer. Want er is niets, waarop hij slaat.

De grond wordt gemist. Aan een enveloppe zonder inhoud hang je immers geen zegel. Hij gaat zelfs zover dat niet uitverkoren, niet wedergeboren kinderen een schijndoop hebben ontvangen. Wie dan toch met een goed geweten de kinderdoop wil bedienen of laten bedienen, zal, juist omdat hij niet van te voren weet of de dopelingen allen de inwendige genade der wedergeboorte bezitten, haar dienen te veronderstellen. Mochten er kinderen onder hen zijn, die niet wederom geboren zijn, dan heeft de doop voor hen geen betekenis. Mocht het tegendeel dus blijken, n.1. dat zij, die gedoopt zijn geen blijken van wedergeboorte in hun leven openbaren, dan kan men weten dat zij niet écht gedoopt zijn. Ik wil het bij deze korte weergave laten.

Vragen als: hoe blijkt de wedergeboorte, of wat zijn de konsekwenties van de veronderstelde wedergeboorte, of was Kuyper de eerste en de enige die de veronderstelde wedergeboorte in de gereformeerd theologische doopbeschouwing naar voren bracht, laten we nu rusten. Ze mogen op zichzelf van belang zijn, maar we kunnen de beantwoording van bovengenoemde vraag te ingewikkeld maken. En dat is mijn bedoeling niet.

De vraag klemt wel of Kuyper de relatie tussen belofte en doop niet gezien heeft. De vraag dus: verzegelt God door de doop of alleen maar de inwendige genade der wedergeboorte, of uitsluitend Zijn belofte? De verzegeling der belofte ontkent hij niet. Maar het is voor hem niet óf-óf, maar èn-èn. Met dien verstande dat de op mystieke wijze en door direkte genade tot stand gekomen wedergeboorte de primaire grond voor de doop blijft. Maar de belofte is voor hem alleen realiteit in samenhang met het inwendige werk des Geestes in de wedergeboorte van het hart.

Het is een bijkomende grond voor de doop. Niet de enige, zeker niet de éérste grond. Precies zo staat het met het verbond. Natuurlijk is het verbond Gods voor Kuyper ook grond van de doop. Maar dit verbond richt God op met zijn uitverkorenen. En deze uitverkorenen zijn tegelijk de wedergeborenen. Belofte, verbond worden beide naar de hoofdzaak toegebogen. Kuyper vat het woord „grond" dan ook in hoofdzakelijk drie betekenissen op. Er is een grond waarop ouders het recht funderen om hun kinderen te dopen, de inwendige geestelijke grond, de voorafgaande genade der wedergeboorte. Er is een grond, waarop het recht van de kerk om te dopen steunt, het verbond. Er is een grond in het goddelijk recht tot de doop, die aan Gods Woord ontleend wordt, de belofte.

Al met al valt bij Kuyper de nadruk op de inwendige genade, die wel niet bij de kinderen aan te wijzen is, noch minder klaar en duidelijk te bewijzen is en daarom verondersteld mag worden. Als we het geheel overzien, zal wel niemand beweren dat we deze opvatting van de doop en de wedergeboorte en nog wel op die manier bij Calvijn tegenkomen. Maar wat heeft Kuyper gedaan? Hij heeft de onbewuste wedergeboorte tot leidend beginsel, tot een systeem in zijn theologisch denken gemaakt. Daarmee heeft hij zijn doopleer onderbouwd, maar tegelijk het bijbels fundament onder de doop ondergraven.

Zeker, Calvijn erkent dat de Heilige Geest onmiddellijk de wedergeboorte kan werken, zoals bijvoorbeeld in nog niet op pasgeboren kinderen. Maar dat is bij Calvijn nooit regel, wel uitzondering. Daarmee betuigt hij eerbied te hebben voor Gods vrij en soeverein handelen. Hij wil, om zo te zeggen, niet wijzer zijn dan God. Hij wil voor God de dienst niet uitmaken. Maar hij zegt wel met grote nadruk dat dit niet de gewone weg der wedergeboorte is.

In de regel wederbaart God door het Woord, waarvan de Heilige Geest zich bedient. En het is voor hem onopgeefbaar dat wij wedergeboren worden door het geloof, niet als eigen prestatie, maar als gave Gods, gewerkt door Woord en Geest.

Wat doet nu Kuyper? Hij maakt van de uitzondering een vaste regel. Voor hem geschiedt wedergeboorte, althans binnen de verbondskring van de gemeente van Christus, altijd onbewust. Daarmee draait hij de zaak om. Wat bij Calvijn als uitzondering geldt, maakt Kuyper tot regel. En wat Calvijn als regel ziet, kan bij Kuyper op z'n hoogst als uitzondering in aanmerking komen.

Ik acht het dus niet mogelijk dat Kuyper voor zijn leer van de veronderstelde wedergeboorte zich op Calvijn kan beroepen. Goed beschouwd komt Kuyper ook in strijd met onze Ned. Geloofs Belijdenis. In art. 33 wordt van de sacramenten beleden „dat het geen lege noch ijdele tekenen zijn, om ons te bedriegen". Dat zal Kuyper van harte toestemmen, en naar ik mag geloven houdt hij met deze mogelijkheid ernstig rekening. Maar nu wijkt hij meteen buiten het spoor van het belijden der kerk. In de Belijdenis wordt gezegd, waarom die tekenen niet leeg en evenmin ijdel zijn, n.1. „omdat Jezus Christus hun waarheid is, zonder welke zij niet met al zijn zouden". Nee, zegt Kuyper, ze zijn niet leeg en ijdel, omdat we de inwendige genade der wedergeboorte mogen veronderstellen. Hier laat Kuyper de objektieve grond voor de doop vervallen.

Jezus Christus is hun inhoud. En wat komt er voor in de plaats? Een subjektivisme dat het heil verlegd van Christus in de wedergeboren mens. Ten koste van het historische heilswerk van Christus krijgt de inwendige genade niet alleen een te grote plaats, maar vervangt Kuyper het ene fundament voor een ander.

Het is niet mogelijk dat het verbond Gods een lege zaak zou zijn, zonder betekenis, een „dood" verbond. Dat eerst een „levend" verbond zou kunnen zijn als cr in het hart van de mensen reeds op verborgen onmiddellijke wijze geestelijk leven aanwezig is.

Al wat van God komt is levend en krachtig. Ook waarachtig. Niet mijn geestelijk leven, maar Jezus Christus is de waarheid. Daar ligt het vaste fundament. Kuyper heeft van het heil op dit punt van de doop een systeem gemaakt. Dat heeft grote gevolgen gehad, en voor zijn theologie, en voor de hele theologische ontwikkeling in de Gereformeerde kerken. Dit blijve nu rusten.

„Zijn gedachtengang wordt door een strenge logica beheerst en voortdurend doet hij dan ook een beroep op het aannemelijke van zijn opvattingen, hetgeen nog extra versterkt wordt door de vele voorbeelden, die hij aanvoert uit de wereld van de natuur en het gewone alledaagse leven" (C. Graafland, Rondom de Doopvont" blz. 459).

In hetzelfde verband las ik de volgende anekdote: „Een hoogleraar had eens een systeem aan een broeder uitgelegd en vroeg daarna: is het niet duidelijk? Het antwoord was: Volkomen! Weder vroeg de geleerde: Gelooft gij dat nu? En het antwoord was: neen! Naar de reden gevraagd was het bescheid: Omdat het veel duidelijker is dan de Schrift, en ik mij aan Gods Woord wil houden".

Ziehier het gevaar van alle systematisering, het te duidelijk willen zijn en daardoor het geheim verliezen.

Volgende keer gaan we wat meer luisteren naar Calvijn, of liever naar wat Calvijn in de Schrift heeft gevonden.

K. a. Z.

H. V.

Dit artikel werd u aangeboden door: https://www.hertog.nl

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 april 1988

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

Leerde Calvijn de veronderstelde wedergeboorte?

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 april 1988

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

PDF Bekijken