Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Perkins over de dienaar des Woords

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Perkins over de dienaar des Woords

10 minuten leestijd

(3)

Het laat zich verstaan dat William Perkins een hoge opvatting had aangaande het ambt van de dienaar des Woords. Het is naar zijn overtuiging een hoge, heilige en voortreffelijke roeping. Allen die in de dienst staan hebben zich daarvan bewust te zijn. Boven de titels van zijn boeken was Perkins gewoon te schrijven, als herinnering aan zijn roeping: Gij zijt een dienaar des Wooras; denkaan Uw ambt.

Deze vader van het puritanisme heeft ons veel geschriften nagelaten. Daaronder zijn er ook die handelen over de dienaar van het Woord, zoals 'Een verhandeling van de ambten en waardigheden van de Heilige Dienst'. Hij gaat daarbij uit van Job 33 : 23 en 24 (Is er dan bij een Gezant, een Uitlegger, Een uit duizend...) en van Jesaja 6 : 5—9 (de roeping van Jesaja).

Ootmoed en vrees

Uitvoerig beklemtoont Perkins dat het leven van de dienaren gestempeld dient te zijn door de ootmoed. Door het besef van vrees en eerbied jegens God. Ze zullen weet hebben van de grootheid, de majesteit en de heiligheid van God. Alle oprechte dienaren, en in het bijzonder diegenen die tot de grootste werken in Zijn kerk geroepen worden, moeten allereerst geslagen zijn met grote vrees. Dat heeft alles te maken met de grootheid van de bediening. Ze zullen verbaasd en verschrikt zijn. In diepe verwondering over Gods heerlijkheid en grootheid, in Wiens plaats ze staan. Zij hebben te verkondigen het Woord van de hoge God van de hemel. Ze hebben Zijn boodschap te doen horen. Hoe meer een dienaar van het Woord verbaasd en bevreesd is, hoe meer het blijkt dat hij waarlijk door God geroepen is. En tot treffelijke zaken in Gods kerk is gesteld. Wanneer dat voortkomt uit het besef van Gods heerlijkheid en eigen zwakheid.

Wie dan ook zo maar naar dit ambt staat en er intreedt zonder die vrees, die mag op zichzelf vertrouwen, maar het is uiterst twijfelachtig of hij door God geroepen is. Het zal dus nodig zijn dat bij het licht van Gods heiligheid en majesteit de dienaren gedreven worden tot het aanschouwen van eigen onwaardigheid en zwakheid. Zichzelf neerwerpen aan de voeten van Christus. Zichzelf verloochenen en bekennen dat zij in Christus zijn al wat zij zijn. Opdat zij zichzelf aan Hem overgeven en enkel en alleen vertrouwen op Zijn hulp, Zijn genade, Zijn kracht.

Op meer dan een plaats beklemtoont Perkins dit. Soms gebruikt hij er de volgende argumentatie voor (en ziet hij er een parallellie in met de roeping tot het heil): 'Tot de heilige dienst geroepen te worden is als te worden bekeerd en wedergeboren. Wanneer iemand wordt geroepen tot het ambt, is dat een werk, weinig minder dan hetgeen waardoor God een zondaar roept van zijn zonden tot de ware boetvaardigheid.'

Is het immers Gods 'gewone' wijze van doen, dat de Heere de zondaar verwondt om te genezen, neerwerpt om hem op te richten en Zijn genade te bewijzen, zo ook is het met het ambt. Hij werpt Zii'n dienaren neer in het gezicht van Zijn majesteit, heerlijkheid en eigen ellendigheid. Hij doet dat eer de Heere hem eert met een last om Zijn Woord te gaan verkondigen. De dienaar moet oog hebben voor de grootheid van God en de majesteit van God. Het is immers Gods bevel wat hij moet uitrichten. Hij moet weet hebben van eigen onwaardigheid. Hij moet weten, dat wanneer iemand beroepen wordt tot de Heilige Dienst, dat dat het grootste werk is wat God in Zijn kerk werkt, te vergelijken derhalve met de bekering van de zondaar. Wanneer en zonder, overtuigd van zijn verlorenheid, het moet uitroepen: 'Wee mij, ik verga!', zal dat toch zeker de taal van een dienaar zijn.

Het is duidelijk dat Perkins stelling neemt tegen mensen die het maar als een gewone zaak beschouwen in de Heilige Dienst te treden. Hij heeft het niet begrepen op diegenen die het ambt gaan bekleden naar wereldse maatstaven en burgerlijke inzichten. Bovendien heeft hij hen op het oog — hij noemt ze 'sommige van beter slag' — die denken dat men met wat vertoon van geleerdheid, inzicht en kennis bekwaam genoeg is tot dit ambt. Maar helaas, zo ligt het toch niet. Zij die menen dat het hebben van een goed en groot verstand toereikend zou zijn, zonder de ware verootmoediging, bedriegen zich.

Als het dan toch waar is dat, wanneer een mens in zijn zonden is, hij niet blijmoedig kan komen noch vrijmoedig kan staan in Gods tegenwoordigheid, hoeveel te meer geldt dat dan de dienaren. Het is dan ook niet minder dan wat Perkins noemt 'een ijsselijke vermetelheid', wanneer iemand onbeschroomd en vrij het ambt van prediking durft aanvaarden en te gaan op heilig land met onreine voeten. Want in te gaan tot de Heilige Dienst, wat is dat anders dan binnen te gaan in de kamer van een groot koning.

En zou een mens daar zomaar binnengaan? Daarom, omdat God Mozes bestraft heeft, omdat hij te onbedacht op de brandende braambos toeliep, hoe zal God dan niet bestraffen die mensen die vleselijk en zorgeloos zijn en in een valse gerustheid tot des Heeren heilige tafel lopen, waar God tegenwoordig is op een veel treffelijker manier dan in die braambos. Zware beschuldigingen worden geuit aan het adres van hen die intreden zonder vrees en eerbied. Die zichzelf zoeken en niet God. Dienaren die het bestaan te preken of de heilige sacramenten te bedienen, zonder heilige en bijzondere voorbereiding van zichzelf. Die er maar op aanvallen als waren het gewone en onheilige handelingen.

Wie het met die (kwalijke) gezindheid doet, zal ongetwijfeld zeggen, dat een profeet als Jesaja, die het uitriep: 'Wee mij, want ik verga dewijl ik een man van onreine lippen ben en woon in het midden van een volk dat onrein van lippen is', er wel wat te zwaar aan tilde. Dat zon man al te nauw

van geweten was. Maar het zij hun gezegd, aldus Perkins, dat God eenmaal vreselijk en verschrikkelijk aan zulke mensen zal verschijnen, die er niet naar vragen, hoe zij verschijnen zullen in Gods tegenwoordigheid.

Toestand van de kerk

Hier ligt dan ook volgens Perkins een van de oorzaken, zo niet de grootste en voornaamste oorzaak, waarom het zo jammerlijk met de kerk gesteld is. Dat zij die het ambt bekleden, komen tot de heilige dingen met de schoenen aan hun voeten. Dat wil zeggen dat ze komen in de tegenwoordigheid van God, terwijl ze nog in hun zonden liggen. 'Gewis dat brandende vuur zal ze verteren'. Ze moeten erop bedacht zijn dat de allerminste zonden en de allerkleinste verzuimen de profeten hebben beangst, als ze zouden gaan in de tegenwoordigheid van God. Maar er zijn (onbeschaamde) lieden die durven komen in het heiligdom van God, die Gods Woord in de mond nemen en die nochtans dat Woord achter de rug werpen. Datzelfde Woord wat zij met de mond aan anderen verkondigen. En waar ze zelf weigeren voor te buigen en zich aan te onderwerpen. Waar zij bovendien weigeren zelf uit te leven.

Daarover kan Perkins profetisch toornen.

'Als het nu zo is, dat slechts een kleine onreinheid van zijn lippen Jesaja deed vrezen in Gods tegenwoordigheid, hoe kunnen dan sommigen zo vermetel zijn om te komen met ogen, oren, lippen, voeten, handen, harten, ja alles verontreinigd. Met ogen die besmet zijn met zorgeloos aanzien. Met lippen die besmet zijn met lichtvaardige, oppervlakkige en zondige praat. Met voeten die zo gemakkelijk lopen naar verkeerd en zondig gezelschap. Met handen die verkeerd doen. Met harten die gesloten zijn, verhard en grenzeloos hoogmoedig'. Daardoor is het dan ook dat de dienst van zovelen goeddeels zonder nut is. Met vruchteloosheid geslagen. Omdat ze zo in de tegenwoordigheid van God komen. En blijven in hun zonden. Geen ootmoed. Geen vrees en eerbied. Hoe komt het toch dat sommigen van de christenen tot goddeloosheid vervallen? Dat de dwaalleer welig tiert en veel aanhangers telt en dat weer anderen geraken tot zonden die men onder christenen niet behoort te noemen?

De reden daarvan moet men maar niet zoeken in het Evangelie. Die reden ligt ook niet in de leer die naar de godzaligheid is. En ook ligt het niet aan het voordragen ervan. Maar een van de voornaamste oorzaken is dat vele dienaren ongeheiligd komen in de tegenwoordigheid van God. En het gevolg is hoe dan ook geestelijke blindheid bij het volk. Deze houding heeft als gevolg een verzaken van de zuivere en gezonde leer. Hoevelen zien alleen op eigen leven en genoegens. Zo kan de Heere ze niet verdragen en verleent Hij aan hun arbeid geen zegen.

Maar er zit ook nog een andere kant aan. Want de onreinheid van een volk heeft ook te maken met de onreinheid van een dienaar. Het is een oude wijsheid, dat waar men mee omgaat, men mee wordt besmet. Dienaren van het Woord, ook de allerbeste, zijn mensen. Zondaren. De aard van de menselijke verdorvenheid maakt, dat allerlei kwaad wat zich aandient, in ons, zondige mensen wordt opgenomen. Dat gaat bepaald niet buiten de dienaren om. Zij bevinden zich niet in een veilige bastion.

Het gebeurt, dat, wanneer een dienaar leeft en werkt onder een volk waar veel zondige gewoonten een praktijken voorkomen, hij daarmee nogal eens besmet wordt. Dat gevaar is lang niet denkbeeldig. Hoe dikwijls is het al voorgekomen, dat mensen die van zichzelf anders gesteld waren, door het leven onder een volk van zondige handel en wandel, tot een of ander kwaad vervallen. Toegeven. Meegaan. Het niet (meer) zo nauw nemen. Zo kan het gebeuren dat een predikant die trouw is in de dienst, die ijverig is en vol werklust, komt tot een volk, een gemeente. Maar dat dat volk ongehoorzaam is, hardnekkig stijfzinnig, onheilig, slordig en ongebonden. Dan kan dat grote gevolgen hebben voor de dienaar. Dat hij niet meer zo trouw is. Dat zijn ijver verflauwt. Dat de moedeloosheid hem bekruipt en dat de gaven waarmee de Heere hem had versierd vervallen. Dat hij in het geheel van zijn dienstwerk een zwakke indruk maakt.

Het is dan ook uitermate dienstig de inkruipende en besmettelijke aard van de zonde te onderkennen. De zonde is niet alleen een vergif wat zich uitspreidt van het hart tot al de leden van de predikant tot het volk. Het kan ook gebeuren dat een ziekte die bij de voet begint, zich uitstrekt tot het hart, wanneer er niet tijdig wordt ingegrepen. Zo kan ook de zonde van het volk zich verbreiden tot de dienaren van het Woord. Er is dan ook reden te over voor alle mensen (inclusief de dienaren) de zonde in het begin tegen te staan.

Perkins onderstreept nadrukkelijk de grote verantwoordelijkheid van de dienaren. Ze hebben er voor te zorgen en over te waken dat hun totale levenshouding, in het openbaar en in het verborgene, in overeenstemming is met de hoogheid van het ambt. Godzalige dienaars behoren een teer geweten te hebben, meer nog dan de andere mensen. Ze hebben er naar te staan vrij te zijn, niet alleen van grote buitensporigheden, maar ook, zoveel als mogelijk is, van de minste schijn van het kwaad. En het kleinste verzuim in de dienst. Want een misslag die klein is in anderen, is groot in de voorgangers. Zo wil Perkins de dienaren van het Woord opscherpen. Om zichzelf te beproeven op hun oogmerk, hun dienst, hun wandel. Opdat de Heere hun dienst zou zegenen.

M.

KtK

Dit artikel werd u aangeboden door: https://www.hertog.nl

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 juni 1988

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

Perkins over de dienaar des Woords

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 juni 1988

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

PDF Bekijken