Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Perkins over de dienaar des Woords

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Perkins over de dienaar des Woords

8 minuten leestijd

'Predik het Woord; houd aan tijdig, ontijdig; weerleg, bestraf, vermaan in alle lankmoedigheid en leer (2 Tim. 4:2).' Telkens maar het Woord te verkondigen, is de hoge en dure roeping. Zowel de goeden als de kwaden moeten het horen. Niet alleen als het wordt aangenomen, gewillig, maar ook als het hardnekkig wordt tegengestaan. Niet alleen als de hoorders de dienaar prijzen en loven, maar ook als zij hem lasteren en daarom vervolgen. Hij moet zowel tijdig als ontijdig aanhouden, want de geringste nalatigheid in zijn ambt of het minste verzuim van gelegenheid om goed te doen, zal hem een last en kwelling zijn, wanneer God hem bezoekt.

De dienaar dan is een gezant van Christus' wege. De Heere heeft de bediening van de verzoening in hem gelegd. Zo is hij bekwaam de verzoening tussen God en mens te verkondigen. Dat wil bepaald niet zeggen dat hij de werkmeester van de verzoening zou zijn. Want het heil komt van God Zelf. Het staat helemaal op Zijn rekening. Zijn eeuwig en onveranderlijk welbehagen. De dienaar is ook niet de uitvoerder van de verzoening. Dat is de tweede Persoon, de Heere Jezus Christus. Hij is ook niet degene die het verzekert of bevestigt, want dat is het werk van de Heilige Geest. Hij is ook niet het werktuig ervan, want dat is de blijde tijding van het Evangelie. Wat is de dienaar dan wel.? Hij is de verkondiger. Hij is iemand die de woorden Gods opent. Die heeft hij te ontvouwen en door te geven. Hij is iemand die de middelen waardoor de verzoening is gewerkt bekwaam kan voorstellen. Hij stelt het evenwel niet alleen voor, maar hij zal het ook grondig en in alle delen hebben toe te passen en toe te eigenen. Zo is hij een (be-)dienaar van het Goddelijk Woord. Daarom moet hij, of iemand die er naar staat, een tong der geleerden hebben (naar Jesaja 50). Om het Woord te spreken, te hanteren als een kracht tot neerwerping van alles en ieder wat hoog van gevoelen is. Wat zich tegen de Heere en tegen Zijn Christus verheft. Ook datzelfde Woord te hanteren in zijn vertroostende kracht en werking. De moeden een woord ter rechter tijd mee te geven. Wat in het stof is neergebogen, op te richten. Geestehjke leiding te geven is zijn roeping. Het Evangehe, wat een reuke des levens ten leven en een reuke des doods ten dode is, verkondigen.

De Heilige Geest

Hij, die het Woord van God draagt en uitdraagt, is daarbij aangewezen op de leiding van de Heihge Geest. Daarbij is niet gezegd, dat het menselijk inzicht afgedaan zou kunnen worden als van nul en generlei waarde. Dat wordt niet op een zijspoor gezet of helemaal uitgerangeerd. Dat de Geest middellijkerwijs werkt, wil ook zeggen, dat een oprecht dienaar, die door de Geest wordt gedreven, zijn verstand gebruikt. Scherp is hier de uitval in de richting van de wederdopers (zij moeten het vaker ontgelden). 'Niemand moet denken dat ik hier in het allerminst toestem de bedriegerijen of openbaringen van de wederdopers, die alleen bestaan in hun eigen dromen of in de verleidingen van de duivel. Want zij versmaden de menselijke geleerdheid, als ook de oefening van de Schriftuur, zich verlatende op een openbaring des Geestes.'

Perkins benadrukt met grote stelhgheid dat de Geest Gods niet werkt, dan alleen op de grondslag van het Woord. Een dienaar moet een uitlegger zijn van Gods mening. Hij is dienaar van het Woord. Hij moet zich ingraven in dat Woord. Hij moet zich dat Woord eigen maken. De Heilige Geest werkt ook nooit tegen het Woord in. Waar het Perkins om begonnen is, is dat met een beroep op de Heilige Geest het Woord nooit terzijde geschoven kan en mag worden. Dat leidt alleen maar tot ontsporingen. Tegelijk wijst hij er nadrukkelijk op dat de werking van de Heilige Geest onontbeerlijk is, als het gaat om het verstaan van het Woord. Dat Hij geeft verlichte ogen van het verstand.

Moet, wat hij noemt de 'geestelijke Schoolmeester' de Heihge Geest, hen die tot de dienst van het Woord geroepen worden, leren. Hij moet kennis hebben van de goddehjke zaken, niet alleen in zijn brein, maar ze moeten ook in zijn hart gegraveerd zijn en in zijn ziel zijn ingeprent door de geestelijke vinger Gods. De oprechte dienaar moet na al zijn oefening, overdenking, studie, uitleg, meditatie en alle andere zaken die hierbij te pas komen, met David bidden: 'Open mijn ogen, opdat ik aanschouw de wonderen van Uw wet.'

Dat is het aanhoudende gebed. Dat de Heere geeft een tong der geleerden, om een oprecht uitlegger te zijn van Gods heilige

wil. Om de verlichting door de Heilige Geest. Om het Woord op de rechte wijze te verstaan en uit te dragen. Een trouw bedienaar daarvan te zijn. Zo heeft hij de opdracht, ja het is de hoogste en de uitnemendheid van zijn ambt, om de mens zijn gerechtigheid te verkondigen. Dat de mens, kwaad en verdorven in zichzelf (tot dat inzicht gebracht door de verkondiging van de wet) nochtans in Christus rechtvaardig is voor God. Ja zo rechtvaardig, dat hij in Gods gezicht en gericht geen zondaar meer is. Het is het Evangelie van de geschonken, toegerekende gerechtigheid. Die gerechtigheid te verkondigen aan degenen die zich bekeren en geloven, is de eigen plicht van de oprechte leraar.

De gerechtigheid die in Christus Jezus, de Rechtvaardige is. Hij moet aanwijzen hoe de gerechtigheid te verkrijgen is namelijk door het waarnemen van 2 plichten t.w. door het verloochenen en afzien van eigen gerechtigheid (dat gebeurt door bekering) en door het aannemen en vasthouden van Christus' gerechtigheid (en dat gebeurt door het geloof). Een oprecht dienaar moet deze zaken verstaan en verkondigen. Hij moet deze gerechtigheid bekend maken en uitroepen dat ze gereed is om geschonken te worden aan iedere zondaar, die ze zo aanvaardt en daarbij vertrouwt dat ze hem rechtvaardigt en behoudt. Hij moet betuigen dat ze zo zeker en waarachtig is, als God waarachtig is. Een oprecht leraar is 'n getrouwe getuige Gods, die betuigt dat wanneer het geweten van de zondaar wankel is en twijfelachtig, wat ze geloven zullen ten aanzien van deze gerechtigheid.

Hij is een getrouwe getuige van God om de waarheid voor te stellen, weet te hebben van de onfeilbare zekerheid van de goddelijke beloften. En die aan het twijfelmoedig en benauwde geweten van de zondaar te betuigen. En dit is de waarheid zo diep als gewis, dat Christus alleen de gerechtigheid is. En dat voor ieder die zich bekeert en gelooft. Een dienaar mag een zondaar verzekeren, en hij mag daarvoor zichzelf en zijn ziel verpanden, dat dit de ware, volmaakte en algenoegzame gerechtigheid is. Daarbij komt dan nog de rechte manier van onderwijzen, in het verkondigen van deze gerechtigheid, dat ze niet (zoals sommigen dat zeer onbescheiden doen) alleen de wet en niet alleen het Evangelie, maar die beiden verkondigen.

De kerk

Die wordt door Perkins niet uit het oog verloren. Hij beklemtoont met grote nadruk dat de Heere ons heeft willen leren dat niemand het ambt van dienaar des Woords dient te aanvaarden tenzij de Heere hem zendt. Wanneer de vraag dan opkomt: Wanneer roept en zendt de Heere mij? Dan luidt daarop het antwoord: God roept gewoonlijk door Zijn kerk. Haar stem is de Zijne.

'Daarom, wanneer de kerke Gods tot U zegt: U zult gezonden wezen en U zult ons voorgaan, dan roept U de Heere tot deze heilige bediening.' Dat betekent dan wel dat niemand zich moet verstouten zich in deze bediening in te dringen, voordat hij ten volle verzekerd is in zijn geweten dat God en Zijn kerk gezegd hebben: Gaat! Op dit punt aarzelt Perkins niet om (opnieuw) in krasse bewoordingen stelling te nemen tegen de wederdopers. Van hun 'grillen' moet hij niets hebben. 'Daarom worden hier verdoemd de onheilige beuzelingen van de wederdopers en alles wat daaraan gelijk is. Zij namelijk die menen dat een ieder op enige bijzondere wijze voort mag treden en de ambten van een profeet aanvaarden, om te leren en te prediken. O, zeggen zij, deze bewegingen zijn van Gods Geest.' Nuchter luidt het commentaar van deze vader van het puritanisme, dat met dat beroep op de Geest de zaak nog niet is opgelost. Dat dat beroep zo zonder meer niet toereikend is. Hij keert het radikaal om. 'Gesteld eens dat wij nee zouden zeggen en zouden beweren dat zij door de duivel of tenminste door eigen ijdelheid en hoogmoed gedreven waren, hoe zouden zij dat kunnen weerleggen? '

Perkins houdt het er maar op, dat God gewoonlijk roept door Zijn kerk. De roeping tot het ambt wordt dan ook bevestigd door de roeping van de kerk.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 juni 1988

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

Perkins over de dienaar des Woords

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 juni 1988

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

PDF Bekijken