Bekijk het origineel

JEZUS wekt Lazarus op

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

JEZUS wekt Lazarus op

15 minuten leestijd

„En dit gezegd hebbende, ging zij heen, en riep Maria, haar zuster, heimelijk, zeggende: e Meester is daar, en Hij roept u. Deze, als zij dat hoorde, stond haastelijk op, en ging tot Hem.... Maar sommigen van hen gingen tot de Farizeën, en zeiden tot hen, hetgeen Jezus gedaan had." (Joh. 11 : 28—46)

1. Het wonder aan de dode

De opwekking van Lazarus - dat is een geschiedenis die ons allen wél bekend is. In een dorpje vlakbij Jeruzalem, Bethanië geheten, woonden Maria, Martha en Lazarus. Twee zusters en een broer, alle drie ongehuwd. Ze waren samen gelukkig en gezegend. Want in hun woning werd de HEERE gediend. Ze waren één in het geloof in de God van Israël, maar ook in de verbondenheid met Christus.

Van het huisgezin van Maria, Martha en Lazarus in Bethanië gold voluit wat Psalm 133 zegt:

„waar liefde woont, gebiedt de HEER' de zegen, daar woont Hij Zélf, daar wordt Zijn heil verkregen, en 't leven tot in eeuwigheid."

Maar dan gebeurt dat erge: Lazarus wordt ernstig ziek en sterft.

Het is altijd weer hetzelfde: de dood breekt het menselijk geluk. De dood scheurt en breekt kapot. De dood is de laatste vijand. Wanneer zal de grote bevrijdingsdag van de dood gevierd kunnen worden? We zingen in het Wilhelmus: , , de tyrannie verdrijven die mij 't hart doorwondt."

Wanneer wordt de tyrannie van de dood verdreven, die dagelijks zóvele harten doorwondt?

Martha zowel als Maria hebben tot Jezus dezelfde woorden gezegd: „Heere als U hier was geweest, dan was mijn broer niet gestorven" (vs. 21, 32). Nergens lezen we in de evangelieën dat er iemand sterft in Jezus' tegenwoordigheid. Zijn direkte nabijheid verdrijft de dood. Maar... toen Lazarus stierf, was de Heere Jezus er niet bij. Hij was nog onderweg. Menselijkerwijs gesproken kwam Hij te laat.

Wat een vragen, wat een waaroms, wat een verdriet voor de beide zusters. Als de nood het hoogst is, is de redding nabij. Waarom was de Redder niet nabij, toen de nood het hoogst was en toen de nood tot de dood werd? Toch blijven Martha en Maria geloven in de Heiland. Als Jezus tot Martha zegt , , Ik ben de Opstanding en het Leven", dan is haar geloofsantwoord: , , Ja, Heere, ik heb geloofd dat Gij zijt de Christus, de Zoon van God, Die in de wereld komen zou." (vs. 27).

En even later valt Maria in aanbidding aan Jezus' voeten neer. Duizend vragen, duizend noden kwellen 't angstvallig hart. Maar toch blijft het geloof werkzaam. Job heeft eens gezegd: zie, zo, Hij mij doden, zou ik niet hopen" (Job 13 : 15).

Dat is geloven tegen de klippen op. Dat is houvast vinden aan Hem die we niet zien in de feitelijke werkelijkheid rondom ons en in ons, en die we tóch zien met de ogen van het geloof.

Nu is het opmerkelijk dat er in dit tekstgedeelte zo bijzonder veel aandacht wordt gegeven aan wat er in de Heere Jezus omging. In vs. 33 lezen we: „ Jezus dan, toen Hij haar (Maria) zag, wenen, en de Joden die met haar kwamen óók wenen, werd zeer bewogen in de geest, en ontroerde Zichzelf".

„Zeer bewogen" wil eigenlijk zeggen „zeer verbolgen". Toornig. Kwaad. Dat roept de vraag op: waarop werd Jezus kwaad, waar richtte Zijn toorn zich op? Behalve toorn is er nog een heel sterke emotie bij de Heere: verdriet. Zo staat er in vs. 35 „Jezus weende". Dat is het kortste vers uit heel de Bijbel. Twee woordjes maar... Maar wat ligt daar een diepe werkelijkheid achter. In vs. 38 staat het nogmaals: „Jezus dan wederom in Zichzelf zeer bewogen zijnde, kwam tot het graf". Het stormt in Jezus' binnenste. Aan de ene kant die toorn. Dat moet wel zijn een toorn tegen de dood. Een diepe verontwaardiging vanwege de harde en bittere werkelijkheid van de dood.

Staande bij het graf van Zijn vriend Lazarus en met een hartstochtelijk wenende Maria aan Zijn voeten, kijkt de Heere de dood recht in z'n gezicht. „De geweldige tyrannie van de dood die Hij overwinnen moest, staat Hem voor ogen" (Calvijn). Waarschijnlijk wordt Jezus hier ook bepaald bij Zijn eigen dood die voor de deur staat.

Toorn dus, kwaadheid op de verderfelijke macht van de dood. Maar tegelijkertijd diepe bewogenheid. Jezus weende. Hij voelt Zich verbonden met degenen die rouwen. Hij is één met hen in hun verdriet. Ik denk hierbij aan woorden uit de Hebreeën-brief: at Hij in alles de broeders moest gelijk worden, opdat Hij een barmhartig en een getrouw Hogepriester zou zijn... want in hetgeen Hij Zelf, verzocht zijnde geleden heeft, kan Hij degenen, die verzocht worden, te hulp komen. (Hebr. 2 : 17—18).

Zó is Jezus. Geen Stoïcijn, niet iemand die heet noch koud wordt, die onbewogen blijft zonder grote vreugde en zonder diep verdriet. Integendeel. We zien hier een heel menselijke Jezus. Maar ook zien we door Jezus God in het hart. God is een bewogen God. Een God die meelij heeft. God is de God van het leven. Hij schept het leven, bewaart het en beschermt het. Psalm 116:15 zegt dan ook: Kostbaar is in de ogen des HEEREN de dood van Zijn gunstgenoten."

Dat wil zeggen: de HEERE vindt het erg als zij sterven. Hij heeft hun leven niet over voor het verderf. Daarom redt Hij hen keer op keer. En uiteindelijk zal God definitief de dood verdrijven. Wij hebben de dood binnengelaten door onze zonde. Wij zélf hebben de dood macht gegeven. Wij hebben gekozen vóór de dood. God is tégen de dood!

Jezus weende

Het lijden gaat niet buiten Hem om. Wanneer Hij komt verlossen van de dood, doet Hij dat niet als buitenstaander en als het ware met een handomdraai. Integendeel - Hij daalt eerst helemaal af in onze dood. In al onze benauwdheden is Hij mede benauwd.

Nu gaat de Heere resoluut handelen. Hij slaat geen acht op het commentaar van de omstanders. Temidden van misverstand en ongeloof moet Hij Zijn werk doen. Er zijn zelfs mensen die opmerken: „dan had Jezus maar eerder hier moeten zijn. Hij heeft toch de ogen van een blinde

geopend? Dan had hij ook de zieke Lazarus wel beter kunnen maken". Ze zien Jezus dus als een wonderdoener, een gebedsgenezer. Maar dat Hij een dode zou kunnen opwekken, gelooft geen mens!

„ Waar hebt gij hem gelegd? ", zo vraagt Jezus aan Maria en deze brengt Hem bij het graf van haar geliefde broer. Allerlei familieleden en kennissen, rouwklagers, staan er bij en zijn er getuige van als Jezus zegt: „Neemt de steen weg" (vs. 39). Martha protesteert., , Heere, hij riekt nu al, want hij heeft vier dagen in het graf gelegen. " (vs. 39 b.) Om het maar ronduit te zeggen: het ontbindingsproces is al op gang gekomen. De dode is niet meer te zien. In de grafkamer is de reuk van de dood. Daar is de totale heerschappij van de dood. Martha wil dat het dode lichaam van haar broer met rust gelaten wordt. Wij kunnen dat heel goed begrijpen. Maar Jezus wijst haar terecht. , , Heb Ik u niet gezegd, dat, zo gij gelooft, gij de heerlijkheid Gods zult zien? " (vs. 40).

Martha, waar is nu uw geloof? Ik heb u toch gezegd dat Ik de Opstanding en het Leven ben? Daar hebt u toch amen op gezegd? Trek er dan nu ook de konsekwenties uit. Lééf dan nu ook uit dat geloof. Zou voor de HEERE iets te wonderlijk zijn? Nooit kan het geloof toch teveel verwachten?

Wat kan het geloof in de praktijk van het leven toch verward zijn. Met de ene hand zoekt Martha hulp bij Jezus. In vs. 22 horen we haar zeggen: , , Maar ook nu weet ik, dat alles wat Gij van God begeren zult, Hij u dat geven zal. Daar strekt ze haar hand in geloofsvertrouwen naar Jezus uit. Maar nü weert ze Hem met de andere hand weer af. Nu zwicht ze voor de macht van de dood, alsof de dood toch het laatste woord zou hebben!

Maar laten we Martha niet hard vallen. We kijken hier immers in de spiegel van ons eigen verdoemelijk ongeloof? We wijzen dan op de feiten. Martha zei: , , Heere, hij riekt nu al", hij is dood, begraven, aan de ontbinding prijsgegeven. „Wat heeft U bij dit graf dan nog te zoeken? U bent hier gewoon te laat gekomen". Neen, hier kunt U niets meer aan doen, Heere! Dit gaat Uw macht te boven. En zo staat een mens dan bij het graf van de hoop. De hoop is begraven, want de hoop heeft de doodsteek gekregen door het on-( geloof. Ongeloof is: grenzen stellen aan Gods liefde en macht. Daarbij gaat het' verstand redeneren. Zie het bij Martha: , , want hij heeft vier dagen aldaar gelegen".

Wij kunnen de Heere precies vertellen waaróm het niet meer kan. Onze verstandelijke argumenten passen in elkaar als de stukken uit een blokkendoos. Maar intussen wordt Gods liefde buitenspel gezet en Gods wondere macht buiten beschouwing gelaten. De Heere roept Martha - en ook óns - tot de orde. Tot de orde van het geloof, dat wil zeggen: terug naar het Woord. Wat heb Ik u gezégd, Martha?

Geloof is als klimop. Het kan nooit eigenstandig groeien, maar alleen tegen de muur van het Woord. Wordt het daarvan losgemaakt, dan is het einde nabij. Had Martha nu maar gebeden, telkens opnieuw: „gedenk aan het Woord, gesproken tot Uw dienstmaagd, waarop Gij haar verwachting hebt gegeven..."

Maar nu is haar opmerking beschamend voor haarzelf en vooral bedroevend voor de Heere. Door het ongeloof willen we God de handen binden. Door het ongeloof zijn we blind voor de heerlijkheid Gods. En tóch zal Martha de heerlijkheid Gods zien. De Heere doet wonderen, Hij alleen - en Hij doet ze boven bidden en denken, ja Hij doet ze ondanks onze twijfel en ons kleingeloof.

De steen wordt nu inderdaad weggerold. De doodsgeur kan naar buiten komen. Iedereen staat als aan de grond genageld, ontzet. Dit kan toch eigenlijk niet, dit gaat toch zeker te ver? Het doet aan grafschennis denken! Op het ogenblik dat de grafkamer open ligt, gaat Jezus in gebed. Is het een smeekgebed om kracht te ontvangen voor de verrichting van het grote wonder? Neen - het is een dankgebed! Jezus hief de ogen op en zei: „Vader, Ik dank U, dat Gij Mij gehoord hebt." Als de gehoorzame Knecht eist Christus de eer niet voor Zichzelf op. Hij geeft God de eer en dat moeten alle omstanders weten.

Er is zeker gebedsworsteling bij Jezus geweest. Met de dode Lazarus is Hij naar God toe gevlucht. Maar nu, terwijl het wonder nog moet gebeuren, is de worsteling al voorbij en spreekt Hij met rustige zekerheid: , , Doch Ik wist dat Gij Mij altijd hoort; maar om der schare wil die rondom staat, heb Ik dit gezegd, opdat zij zouden geloven dat Gij Mij gezonden hebt" (vs. 42).

Dan breekt het grote moment aan. Jezus riep met grote stem: , , Lazarus, kom uit!" Dit is de dwaasheid gekroond - zegt ons verstand. De doden weten en horen niets. Het is zinloos en schrijnend om de doden te gaan toespreken. Al riep Jezus nog tien keer harder - wat zou het baten? Het gaat hier niet om een dove, maar om een dode. Nu, dat weet Christus óók wel. Maar Zijn schreeuw is een schreeuw tegen de macht van de dood en de duivel in.

De stemverheffing van Jezus is als een bazuinstoot. Deze dringt door tot in het geloof en tot in de donkerste kelders van het rijk van de dood. Zelfs de doden moeten horen naar de stem van de Zoon van God. Johannes hoorde op Patmos een grote stem als van een bazuin. Het was de bazuin van de overwinning, het stemgeluid van de triumferende Koning. Zó klinkt hier Jezus' roepstem bij Lazarus' graf. Zijn Woord is scheppingswoord en herscheppingswoord. Hij roept de doden wakker alsof ze slechts lagen te slapen (vgl. vs. 11).

Daar gebeurt het wonder aan de dode. , , En de gestorvene kwam uit, gebonden aan handen en voeten met grafdoeken, en zijn aangezicht was omwonden met een zweetdoek." (vs. 44)

Hier blijkt het absoluut onmogelijke mogelijk. Het is een aanblik geweest om nooit meer te vergeten. Als een spookachtige verschijning komt Lazarus naar voren vanuit de geopende grafmuil. Nóg draagt hij alle tekenen van de dood om zich en aan zich. Maar dit zijn nu overwinningstekenen van Christus geworden! De gestorvene kwam naar buiten. Jezus roept doden levend. Wie heeft ooit zoiets gehoord? Straks zal het gerucht van Lazarus' opwekking als een lopend vuurtje door Jeruzalem gaan. Sommige ooggetuigen zullen het rondvertellen uit oprechte bewondering voor deze „wonderdoener". Anderen zullen uit vijandschap alles overbrieven aan de farizeeën. Maar weinigen slechts hebben begrepen het onderwijs aan de levenden dat Christus wilde geven door dit wonder aan de dode.

2. Het onderwijs aan de levenden.

Als iedereen verbijsterd staat te kijken, zegt Jezus: „Ontbindt hem, en laat hem heengaan? " Het eerste, „ontbindt hen", doe hem die doodskleren uit, wil zeggen: „aanvaard hem weer als een levende, neem hem weer op in uw midden". Het tweede, „laat hem heengaan", wil zeggen: „blijf hem niet staan aangapen". Stel hem ook niet allerlei nieuwsgierige vragen waar hij toch niet op antwoorden kan! Lazarus moet niet in het middelpunt staan. Een gewone wonderdoener zou de situatie hebben uitgebuit om bewondering te oogsten voor het mirakel dat verricht was. Zo wil de Heere Jezus het niet. Het wonder is geen mirakel. Het wonder is een teken. Het wijst boven zichzelf uit. Gelukkig maar! Want dat er ooit een keer ene Lazarus uit de dood is opgewekt, dat was voor Maria en Martha wel heerlijk - maar wat zou dat betekenen voor u, voor jou en voor mij? Dat verandert nog niets aan uw en mijn dood en graf!

De opwekking van Lazarus is eigenlijk een plaatje bij de woorden van vs. 25: , , Ik ben de Opstanding en het Leven". Waar wijst het teken van de opwekking van Lazarus dan heen?

Allereerst naar Pasen. Dit gebeuren in Bethanië is voorteken van Pasen. Trouwens, er is ook een direkte samenhang. Naar aanleiding van dit wonder aan Lazarus zullen straks de overpriesters besluiten dat Jezus moet sterven. Maar Jezus'

opstanding is toch heel anders dan die van Lazarus. Als Lazarus uit het graf komt, draagt hij nog de bindselen en windselen van de dood. Lazarus is een sterfelijk mens gebleven. Eenmaal moest hij weer sterven en begraven worden. Maar Christus liet bij Zijn opstanding de grafdoeken achter. We weten hoe dat nadrukkelijk gezegd wordt in Joh. 20. Keurig waren de doeken in Jezus' graf achtergebleven. Jezus zal ze nooit meer dragen. Hij is éénmaal gestorven, maar zal nu in der eeuwigheid niet meer sterven. Lazarus had de dood nog weer vóór zich. Jezus heeft de dood eeuwig achter zich gelaten.

Het wonder van de opwekking van Lazarus wijst ons ook op de levendmaking van de dode zondaar door Woord en Geest.

Calvijn zegt hiervan: , , de opwekking van Lazarus is een zichtbaar beeld van de geestelijke genade die wij door het zintuig des geloofs dagelijks ervaren, als Hij toont dat Zijn stem het leven wekt."

Met het oog daarop had Jezus eerder gezegd: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: e ure komt en is nu, wanneer de doden zullen horen de stem van de Zoon van God, en die ze gehoord hebben, zullen leven." (Joh. 5 : 25)

Telkens en telkens weer komen dode Lazarussen uit hun graven vandaan. Waar het Woord naar binnen slaat, waar wij het Woord niet meer missen kunnen, waar we uit de kerk naar huis gaan en er niet meer van lós kunnen komen dat ónze naam genoemd is. HEERE, had U het over mij? Ben ik die dode, die ellendige? HEERE, is het heus waar, hebt U mij geroepen? Zo komt er beroering in het geloof. Er komen ritselingen van leven midden in de dood. Kan ik óók nog bekeerd worden, Heere? Is er ook voor mij nog hoop, al heb ik U zo lang vergeten en zo vaak verdriet gedaan?

Lazarus komt naar buiten. Hij kan niet bewegen en tóch beweegt hij. Hij kan niet lopen en tóch loopt hij. Hij leeft, maar hij draagt de kleren van de dood. Zó wonderlijk gaat het nu ook toe in de levendmaking van de geestelijk dode zondaar. Er is nog zoveel dat aan de dood herinnert. Nog zoveel van de dood dat nog overwonnen moet worden. Maar één ding is zeker: de Meester heeft mijn naam genoemd. Lazarus, kom uit! Niets kan die stem uit mijn geheugen wissen. Geloven is leven op Zijn stem. Die stem klinkt ook heden tot mensen die dood zijn in zonden en misdaden. „Ontwaakt gij die slaapt en staat op uit de doden - en Christus zal over u lichten."

Tenslotte ligt er in de opwekking van Lazarus ook een heenwijzing naar de opstanding van de lichamen op de jongste dag. De doden, klein en groot, zullen herrijzen uit de graven. Dan zullen alle mensen staan voor de troon van de Rechter van hemel en aarde. De ontbinding, vertering of ook verrassing staan de-HEERE niet in de weg om de lichamen op te wekken uit het stof. Wat mag dit ook een geweldige troost zijn tegenover de realiteit van dood en graf. Jezus redt de hele mens. Onze geliefde doden die in de Heere gestorven zijn, zijn naar de ziel nu reeds zalig. Maar ook hun lichamen, gezaaid in zwakheid, verderfelijkheid en oneer, zullen éénmaal worden opgewekt in heerlijkheid, onverderfelijkheid en kracht.

Neem dan in geloof de toevlucht tot de Heere, Die de Opstanding en het Leven is. Want bij de HEERE alleen zijn uitkomsten, zelfs tegen de dood.

Gij hebt, o HEER', in 't dood'lijkst tijdsgewricht, mijn ziel gered, mijn tranen willen drogen; mijn voet geschraagd; dies zal ik voor Gods ogen, steeds wandelen in 't vrolijk levenslicht. (Psalm 116:5)

V.

J.H.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 februari 1991

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

JEZUS wekt Lazarus op

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 februari 1991

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

PDF Bekijken