Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Kleine Kroniek

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Kleine Kroniek

16 minuten leestijd

De verzegeling met de Heilige Geest (1)

Op de jaarlijkse conferentie van de Stichting Vrienden van dr. H. F. Kohl brugge, dit keer gehouden op 6 april j.l. werd door prof. dr. W. van 't Spijker e boeiend en inhoudsrijk referaat gehoude over „De verzegeling met de Heilige Gee naar bijbels-reformatorische opvatting". Dit referaat is in zijn geheel afgedrukt Ecclesia (voorheen , , Kerkblaadje"), het orgaan van genoemde stichting, en wel i het nummer van 17 mei. Ik acht dit onderwerp van zo grote be tekenis en de wijze waarop Van 't Spijke het behandeld heeft zo helder en gedege dat ik het referaat graag geheel aan de zerskring van het G.W. wU doorgeven. Vanwege de lengte gebeurt dit in twee opéénvolgende afleveringen van de Klei Kroniek. Deze keer de uiteenzetting over , , Nieuw-Testamentische gegevens, vol-' gende week de weergave van de visies v Luther en Calvijn.

„1. Inleiding

Het onderwerp van deze morgen voert ons in het hart van het evangelie en daarmee ook tevens in het hart van de Reformatie.

In het werk van de Heilige Geest komt Gods eeuwige genade tot ons, zoals Chris-) tus die heeft verworven. De Heilige Geest is het, die Christus verheerlijkt, zodat het - heil niet maar voor ons in de eeuwigheid , blijft liggen, in Gods eeuwige Raad en en welbehagen. De Heilige Geest verheerlijkt n Christus voor ons, zodat het heil evenmin st een zaak is van vér in het verleden liggende tijden, die onderdeel vormen van de in historie. De Heilige Geest verheerlijkt Christus aan en voor en in ons, zodat wij n hier en nu delen in de zaligheid, op de manier van het geloof, dat de wereld over--wint. Op de manier van de liefde, die het r leven verandert. En op de manier van de n, hoop, die ons bindt aan de toekomst van leChristus. De Heilige Geest legt een relatie tussen ons leven en de levende Christus, zodat het ver in de tijd liggende Golgotha ne in ons eigen leven een plaats krijgt en zodat zelfs de eeuwigheid van Gods welbehagen in Christus voor ons een realiteit an wordt. Wie spreekt over de Geest, spreekt over het hart van het evangelie.

Maar wie spreekt over de Heilige Geest, spreekt evenzeer over het hart van de Reformatie. Iedere reformator is op zijn beurt een theoloog van de Heilige Geest genoemd. Zwingli, Bucer en Calvijn, zij dragen deze naam zeer terecht. En ook Luther weet van het werk van de Geest, die ons aan Christus zó verbindt, dat wij , , één koek" met Hem worden. Het is voor de hand liggend, omdat de Reformatie zelf de Geest weer een plaats heeft gegeven binnen de gemeente van Christus. Waar voor Rome de kerk staat, daar staat voor de Reformatie de Geest. We zeggen wellicht beter, dat de Geest zelf die grote beweging van de Reformatie op gang heeft gebracht, die tot op heden van zo grote betekenis is geweest en die haar betekenis ook nimmer zal verliezen.

Het onderwerp van deze morgen voert ons ook binnen het terrein van onze eigen levensvragen. De verzegeling met de Heilige Geest raakt het eigenlijke van het Geestes werk.. Zij raakt de kwestie van de zekerheid van het heil van God, hier en nu in ons eigen leven. Onze tijd zoekt zekerheid niet alleen, zij roept ook om de ervaring van die zekerheid. Aan beschouwin-

gen heeft zij geen behoefte. Zij tast naar de laatste grond. En de verzegeling met de Geest brengt ons op die allerlaatste grond van de zekerheid van het geloof. Daarom is ons onderwerp niet alleen een boeiend onderwerp. Het raakt ieder mens, die de vraag omtrent de levende, de genadige God voor zichzelf heeft leren stellen. De Schrift geeft op die vraag een duidelijk en een heerlijk antwoord.

2. Waar lezen wij ervan?

Wij lezen de uitdrukking „verzegeling met de Heilige Geest" op verschillende plaatsen, die we hier eerst willen noemen. In Ef. 1 : 13 v.: In Hem zijt gij ook, nadat gij het woord der waarheid, het evangelie uwer behoudenis, hebt gehoord; in Hem zijt gij, toen gij gelovig werd, ook verzegeld met de Heilige Geest der belofte, die een onderpand is van onze erfenis, tot verlossing van het volk, dat Hij zich verworven heeft, tot lof zijner heerlijkheid". We willen straks nader op deze woorden ingaan. We vermelden nu nog dezelfde zegswijze, zoals deze voorkomt in Ef. 4 : 30: En bedroeft de Heilige Geest Gods niet, door welke gij verzegeld zijt tegen de dag der verlossing".

Ook in de tweede brief aan de Corinthiërs uit Paulus zich over de verzegeling met de Heilige Geest. Te vermelden valt 2 Cor. 1 : 20 vv. Paulus spreekt daar over de vastheid van Gods beloften. De woorden zijn bekend genoeg: Want hoevele beloften Gods er ook zijn, in Hem is het: a. Daarom is ook door Hem het: men, tot eer van God door ons. Hij nu, die ons met u bevestigt in de Gezalfde en ons heeft gezalfd, is God, die ook het zegel op ons gedrukt en de Geest tot onderpand in onze harten gegeven heeft". Ook in 2 Cor. 5 : 5 treft ons een gelijksoortige uitdrukking, in de volgende woorden: God is het, die ons juist daartoe bereid heeft en die ons de Geest tot onderpand heeft gegeven".

Ik ga nu voorbij aan de andere teksten uit het Nieuwe Testament, die spreken over een zegel. Men vindt ze in sommige andere brieven van Paulus en in het laatste bijbelboek. Maar ze raken daar niet de specifieke betekenis, die Paulus er in de hierboven genoemde teksten aan toekent. De verzegeling met de Heilige Geest heeft daar een eigen betekenis, waarvan ik straks een aantal bijzondere aspecten zou willen noemen.

3. Verzegeling in trinitarisch licht

Maar eerst zou ik willen opmerken, dat we ons moeten wachten voor een opvatting, die het werk van de Geest versmalt. Dat kan op twee manieren gebeuren. We kunnen het werk van de Geest versmallen, doordat we het isoleren van het werk van de Vader en dat van de Zoon. Het is opmerkelijk, dat Paulus, met name in het eerste hoofdstuk van Efeze, het werk van de Geest plaatst in correlatie met dat van de Vader en van de Zoon. Het werk van de Geest wordt daardoor geplaatst in een trinitarisch kader. Over de Vader wordt in het bijzonder gesproken in verband met de verkiezing van de gemeente. Wij zeggen: „De Vader". Paulus spreekt echter over de God en Vader van onze Here Jezus Christus. Daarmee wordt de verkiezing geplaatst binnen het raam van de verlossing. En niet omgekeerd: de verlossing geplaatst binnen het raam van de verkiezing.

Dat heeft nogal wat gevolgen. Men kan blijkbaar over de verkiezing niet anders spreken dan als verkiezing in Christus. Daarbij denk ik aan de woorden van Von Staupitz tegen Luther: Je vindt je verkiezing in de wonden van Christus. Ik vind Christus niet in mijn verkiezing, maar ik vind de eeuwige liefde van God in Christus en in zijn werk. De Geest geeft déze zekerheid.

Ook is te letten op de relatie tussen het werk van de Geest en dat van Christus. In Hem, in Christus hebben wij de verzoening. Paulus spreekt over de verzoening geenszins op een abstracte manier. Het kruis van Christus maakt alleen wijs. Wijsheid en verstand is er in d& theologie van het kruis: alle wijsheid en verstand zelfs. Ook de wijsheid omtrent de Geest en zijn werk ontlenen wij aan de kennis van Christus en zijn kruis. We mogen, zeiden wij, het werk van de Geest niet versmallen, doordat we het isoleren van dat van de Vader en van de Zoon. De verzegeling met de Heilige Geest staat in dit trinitarisch kader. Wanneer we het werk van de Geest verzelfstandigen ten opzichte van dat van de Vader en van de Zoon, moet eenzijdigheid het gevolg zijn.

Maar we mogen het werk van deze verzegeling ook niet versmallen, doordat we het beschouwen als een onderdeel, een aspect, een interessant bijkomend effect van het werk van de Geest in de wedergeboorte, of in de heiliging, of in de bekering. In zekere zin geldt, dat de Geest het einde is van al Gods wegen. De algehele vervulling met de Heilige Geest zal de heerlijkheid vormen van de komende bedeling: God alles en in allen. Dat is iets anders dan een sluitstuk. Het is de climax, het hoogtepunt, waarheen de geschiedenis heenstuwt, naar Gods Raad en door zijn kracht, die alles in allen werkt. Er is niet alleen een werk van de Vader en van de Zoon. Er is ook een werk van de Geest. En dit werk bestaat niet zozeer in verkiezing, of in verzoening, maar in verzegeling. Daarom beschouwen we die verzegeling met de Heilige Geest ook niet als een deelaspect van zijn werk, dat velen missen, en enkelen misschien ontvangen. Maar we zien daarin een aanduiding van het volle en rijke werk van de Geest. Het werk van de Vader is te tekenen als verkiezende genade. Dat van de Zoon in zijn volheid als verzoenende, verlossende genade. En dat van de Geest als verzegelende genade. Het is ons een aanduiding van de gehele volheid van zijn werk.

4. Aspecten van de verzegeling met de Heilige Geest

Teneinde die volheid enigszins in het licht te stellen, wijs ik op de volgende zeven aspecten, zoals die met name uit Ef. 1 : 13 v. zijn af te leiden.

Allereerst mag het ons niet ontgaan, dat juist in de brief aan Efeze een belangrijke bijdrage wordt geleverd voor de visie op de verhouding tussen Israël en de hei-

denen. Zij is al te zeer verwaarloosd in ons denken over en in ons gesprek met Israël. Wij hebben niet alleen Rom. 9—11. We hebben ook Efeze, waar sprake is van de tussenmuur, die scheiding maakte. Eén lichaam is het, de gelovigen uit Israël en die uit de volken. Christus is van dit éne lichaam de hoeksteen (Ef. 2 : 11—22). Die gedachte duikt niet eerst in het tweede hoofdstuk op. Zij presenteert zich reeds in het eerste hoofdstuk. In vs. 13 spreekt Paulus de Efeziërs aan: ok gij zijt in Hem. Daarvoor lezen we, dat Paulus zegt: ij die eerst, tevoren onze hoop op Christus hadden gebouwd. Israël was Gods erfdeel in een heel bijzondere zin. Maar door het werk van de Heilige Geest zijn ook de heidenen medeërfgenamen geworden van dezelfde belofte. God heeft ook op hen zijn zegel gezet. Wij eerst... zegt de apostel. Nu ook gij! De eenheid tussen Israël en de kerk is gelegen in het werk van de Geest. Wij waren eerst een erfdeel van de Here. Nu blijkt dat ook gij zijn eigendom zijt. De Heilige Geest verbindt in Christus de gelovigen uit Israël met degenen, die uit de volkeren worden toegebracht. Men kan zich in dit licht afvragen of het gesprek met Israël niet veel meer zou moeten gaan over het werk van de Heilige Geest.

Vervolgens is een heel belangrijk aspect van de verzegeling met de Geest, dat zij geschiedt , , in Christus". In de verzen 3—10 komt die uitdrukking tien maal voor: , , in Hem", , , in Christus", , , in de Geliefde". Wij mogen over de verzegeling met de Geest niet spreken los van Christus. Sterker nog: buiten Christus is van een eigendomsmerk geen sprake. Dit , , in Christus" duidt op een levensgemeenschap, die gegrond is in de rechtvaardiging en die de grond vormt van de vernieuwing en die nimmer denkbaar is zonder de unio mystica, de verborgen gemeenschap met Christus. Een zaak van de rechtvaardiging, een zaak van de heiliging is het, maar vooral omdat het een zaak is van de hartelijke en existentiële verbondenheid aan Christus. De Geest is de band aan Christus. Omgekeerd is Christus zelf de bron voor de verzegeling. „In Hem zijt gij verzegeld". Nimmer is er sprake van Geestesbezit buiten Christus om. Door Hem ontvangen wij de Geest. Hij heeft uitgestort, wat wij zien en horen op Pinksteren. Wie Geestesvolheid zoekt, moet bij Christus wezen en nergens anders.

Het derde aspect, dat in de tekst wordt aangewezen, is, dat er van verzegeling met de Heilige Geest alleen sprake kan zijn van de relatie die er ligt tussen Woord en Geest. Het Woord der waarheid, het evangelie van ons behoud, moeten wij horen. Het geloof is uit het gehoor. De verzegeling met de Geest geschiedt eveneens door het gehoor van het Woord Gods. Het Woord der waarheid, het evangelie van het behoud: zo wordt het genoemd. Niet het Woord van de wet, maar het evangelie van het behoud, de belofte is het die ons de Geest schenkt. Woord en Geest: men heeft die verhouding wel genoemd het scharnier van de theologie. Wanneer hier de zaken fout gaan, gaat het over de gehele linie fout. De valse mystiek dient zich dan aan. Of de steile orthodoxie. Woord en Geest zijn met een onlosmakelijke band aan elkaar verbonden. De een kan niet zonder de ander. Het werk van de Geest is een effectieve kracht van het Woord der waarheid. En dit Woord der waarheid functioneert als het evangelie der zaligheid.

Een vierde aspect wordt gevormd door de relatie tussen het geloof en de Geest. We zeggen het eerst zo: et geloof en de Geest, tussen geloof en verzegeling. „In Hem zijt gij, nadat gij het woord der waarheid gehoord hebt, namelijk het evangelie van uw behoud, in Hem zijt gij, nadat gij geloofd hebt, verzegeld...". We denken daarbij aan Paulus' woorden uit de Galatenbrief: Hebt gij de Geest ontvangen ten gevolge van werken der wet, of van de prediking van het geloof? " (Gal. 3 : 2). Niet de werken der wet verlenen ons de Geest, maar alleen het geloof in Christus. Door dit geloof ontvangen we de Geest, zo leert ons de brief aan de Galaten en zo leert ons ook onze tekst. Het geloof is het middel waardoor wij het eigendomsstempel ontvangen van de Geest. De relatie is een bijzonder sterke en een onmiddellijke.

Hoe hebben wij het „nadat" van de tekst op te vatten? Bedoelt Paulus dat er eerst het geloof is, en daarna, misschien wel geruime tijd daarna een verzegeling met de Geest? ïk meen, dat we dit niet in de tekst moeten lezen. Er is geen sprake van een temporele aanduiding: eerst geloven we, en daarna, misschien heel lang daarna, misschien ook wel helemaal nooit daarna, volgt de verzegeling. Niet in temporele zin, maar in causale zin hebben we dit „daarna" op te vatten. De verzegeling geschiedt door het geloof. Het geloof is uit het gehoor en het gehoor door het Woord van God, door het evangelie van

ons behoud. En waar dit geloof kwam, daar zette God zijn zegel, zijn eigendomsmerk, Zijn Geest er op. Door het geloof komen wij tot zekerheid. Ook het omgekeerde is waar. Alleen de Geest leert ons geloven. Geloof is Gods gave! De Geest is het ook, die het leven van het geloof in stand houdt, zodat er niet één daad van geloof is, of wij ontvangen van Hem de kracht daartoe. Maar juist zo, in en door het geloof vertoont het kind des Heren het eigen merkteken van de Geest, het eigendomsstempel van God zelf.

In de vijfde plaats leggen we een verband tussen zekerheid van het geloof en verzegeling. We beschouwen deze twee niet als afzonderlijke zaken. Er staat niet dat wij verzegeld worden dóór de Geest, maar mèt de Geest. Het ontvangen van de Geest zelf is het kenmerk, dat het eigendomsrecht van God aangeeft. God kent degenen die de zijnen zijn. Het zegel behoort bij het vaste fundament van God. God weet het. Maar zouden de gelovigen het zelf niet weten? Wie het zegel draagt wordt daardoor voor God gekenmerkt. Maar zou het ooit de bedoeling kunnen zijn, dat Gods kinderen zelf daarvan onwetend blijven? Dat laat zich niet denken. God kent hen. Zij worden ook voor het oog van de mensen aan de vruchten en gaven van de Geest herkend. En zelf weten zij het door het geloof in Christus.

En zesde aspect is dat van de verzegeling door het sacrament. De roomskatholieke exegese legt daarop vrij sterk, soms eenzijdig de nadruk: het zou in deze tekst gaan om het ontvangen van het sacrament van de doop en daarbij dan tevens om de sacramentele doop met de Heilige Geest. De reformatorische exegese doet dit minder sterk. Maar we vergeten niet, dat ook de catechismus spreekt over de zegelen van de genade, geschonken in de sacramenten. Luther wist daarvan gebruik te maken. Eens zei hij tot iemand, die aangevochten werd: „Ben je niet gedoopt? O, welk een grote gave is de doop en het Woord van God! Daarom moet men God van harte danken, dat wij deze gave hebben. God is het die ons sterkt en die ons de Geest als pand heeft gegeven". De sacramenten zijn heilige waartekenen en zegelen. Zij dienen om de belofte van het evangelie des te beter te doen verstaan en haar te verzegelen.

Het laatste aspect is dat van de christelijke hoop. Wij worden verzegeld tot de dag der verlossing. De Heilige Geest is een onderpand van onze erfenis, tot verlossing van het volk dat Hij zich verworven heeft, tot lof zijner heerlijkheid. Daarom staat er ook in Ef. 4 : 30: En bedroeft de Heilige Geest Gods niet, door welke gij verzegeld zijt tegen de dag der verlossing".

Zo is de Geest het onderpand, als zegel waardoor het eigendomsrecht van God zelf tot uitdrukking wordt gebracht. God herkent de zijnen aan de Geest, die Hij hun heeft gegeven. Het gehele werk van de verlossing, zoals het door de drieënige God is bedoeld, door Christus is verworven, wordt door de Heilige Geest geëffectueerd, , , in Christus", door het geloof, uit kracht van het Woord der waarheid, het evangelie van de zaligheid. In dat geloof ligt de zekerheid vast, omdat het vast ligt in het Woord, d.i. in Christus. In de sacramenten worden ons van dit heil de tekenen geschonken, tegelijk ook als zegelen van de Geest. En de hoop richt zich door de Geest op de toekomst van het rijk, waarin God zal zijn alles en in allen."

Tot zover het eerste deel van het referaat van de Apeldoornse kerkhistoricus.

Dit artikel werd u aangeboden door: https://www.hertog.nl

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 31 mei 1991

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

Kleine Kroniek

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 31 mei 1991

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

PDF Bekijken