Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

CALVIJN EN HET DAAG'LIJKS LEVEN (2)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

CALVIJN EN HET DAAG'LIJKS LEVEN (2)

9 minuten leestijd

Deuteronomium

Calvijn kende die angst niet, maar kwam dan ook niet met, , eigen" gedachten, maar belichtte het totale leven van , , lichaam en ziel beide" vanuit het Woord.

In de daag'lijkse godsdienstoefeningen stelde hij een overweldigende hoeveelheid praktische vraagstukken aan de orde.

Met name vanuit het boek Deuteronomium kritiseerde hij een aantal zaken die in zijn dagen heel gewoon geacht werden.

Zo waren er, om enkele voorbeelden te noemen, in de zestiende eeuw tienduizenden bedelaars. Men vond dit gewoon, behorend bij het leven. Vanuit Deutr. 5 echter bestreed Calvijn deze bedelarij heftig. Dat werd hem niet in dank afgenomen.

Aan de hand van Deutr. 26 gaf Calvijn vanaf de preekstoel duidelijke regels voor de verhouding: heer en knecht, (me) vrouw en dienstmeisje. Zelfs in ónze dagen zouden wij voor goede arbeidsverhoudingen van deze richtlijnen kunnen leren.

Toen Deutr. 17 aan de beurt was, ging Calvijn diep in op de wijze van rechtspreken, gesteund door zijn grondige kennis van de rechtspraak door zijn vroegere studie.

In de zestiende eeuw begon men vanuit Europa volken in het Oosten en Westen met geweld te onderwerpen en te gebruiken om er rijker van te worden (imperialisme en kolonialisme). Calvijn las en herlas Deutr. 2 samen met Handl. 17 : 26 en hekelde ongekend fel dit streven van europese volken en vorsten. „God heeft de grenzen voor elk der volken vastgesteld en alles wat deze bedoeling van God doorkruist is zondig." Wanneer we maar enigzins beseffen wat dit kolonialisme betekende voor de volken in Europa, kunnen we ook enigzins beseffen wat voor moed er nodig was om bijvoorbeeld naar aanleiding van Deutr. 19 vanaf de kansel te zeggen: ...wij zien dus dat oorlogen die ondernomen worden uit eerzucht en hebzucht, ergernissen voor God zijn, omdat zij de natuurlijke orde overtreden die God gesteld heeft en waarvan Hij wil dat deze als heilig beschouwd worden."

Preken en praktijk

In dit alles zien wij dat Calvijn de overheid op een eerlijke en open wijze tegemoet trad, zonder aanziens des persoons. Hij deed dat niet alleen in zijn preken, maar - indien nodig - tevens in zijn handelen. Want de reformator préékte niet alleen over de orde zoals God die wil in het leven van alle dag, maar nam de invoering daarvan soms zelf ter hand.

Boven het portaal van het raadhuis in Genève, waar Calvijn zijn ideeën, ontleend aan de Bijbel, verdedigde, staan de latijnse woorden: „post tenebras lux". Dit kan in het Nederlands weergegeven worden met: „na de duisternis het licht". Dat achtte Calvijn zijn levensroeping: het Licht van het Woord Gods te laten schijnen in de duisternis. En dat niet slechts in de duisternis van het geestelijk-kerkelijk leven, maar evenzeer in de duisternis die heerste op velerlei terreinen van het maatschappelijk leven. Dit alles met dat ene doel: de ere Gods. Daarop - het zij herhaald gezegd - was alles wat Calvijn voorstond gericht.

Om deze universele ere Gods, was het voor Calvijn onmogelijk Staat en Kerk te scheiden. Hoezeer verschillend, naar hun plaats en taak zijn ze wel te onderscheiden maar niet te scheiden. De Staat kan de Kerk en de Kerk kan de Staat niet missen. Elk heeft een eigen autoriteit van God ontvangen.

Kritiek en toch eerbied

Uit het bovenstaande blijkt dat Calvijn scherp en eerlijk de overheid tegemoet trad als hij vanuit de Schrift meende te moeten bestraffen, anderzijds valt bij hem evenzeer op de eerbied en de gehoorzaamheid die hij voor diezelfde overheid opeist. In deze stelde Calvijn zich scherp tegenover de radikale dopers en anarchisten, die van gehoorzaamheid aan de overheid niets wilden weten. In Calvijn's staatsleer is zelfs een slechte overheid nog een „uiterlijk middel van en vóór het heil", omdat zij er zorg voor draagt dat het Woord verkondigd kan worden. Voor de dopersen is de overheid er alleen om . orde te handhaven in een wereld die in het boze ligt. Dat de overheid een „dienaresse Gods" is, ten goede voor ons, d.w.z. de gemeenteleden, de kerk, ligt helemaal buiten het gezichtveld van de radikale doperse visie. Dat Calvijn zoveel aandacht schonk aan het geheel van de samenleving, en vanuit de Heilige Schrift regels poneerde voor het maatschappelijke leven, was dan ook voor deze dopersen onbegrijpelijk. Zij erkenden nog wel dat de overheid het zwaard heeft, maar dan uitsluitend om de bozen te straffen. Omdat echter, naar de mening van de dopersen, ieder christen per definitie deelt in de volmaaktheid van Christus, kon hij zich niet inlaten met het onvolmaakte van dit leven. Kinderen Gods konden onmogelijk overheidstaken vervullen en zij behoeven

daarom ook niet de aardse overheid te gehoorzamen in haar wetgeving, omdat zij burgers zijn van een Nieuw Koninkrijk.

Calvijn's gedachten in deze zijn geheel anders. Hij wees er vanuit de Schrift op dat God Zelf het was die Mozes aanstelde als leider van het volk; dat er rechters geroepen werden; dat de Heilige Geest mensen riep en bekwaam maakte om n.b. oorlog te voeren (Ri. 3 : 10) en dat zelfs een profeet als Daniël het zwaard hanteerde. In de Institutie schrijft Calvijn het volgende over gehoorzaamheid aan de overheid:

, , De eerste plicht der onderdanen jegens hun overheden is deze, dat ze aangaande hun ambt een zo eerbiedig mogelijke opvatting hebben, daar ze immers erkennen, dat het een rechtsbevoegheid is hun door God opgedragen, en dat ze hen daarom eren en eerbiedigen als Gods dienaren en gezanten. Want men treft sommigen aan, die zich aan hun overheden zeer gehoorzaam betonen, en die niet zouden willen, dat er geen overheid was om haar te gehoorzamen, omdat ze weten, dat het zo nuttig is voor het algemeen welzijn; maar die toch over de overheden geen andere opvatting hebben, dan dat ze een noodzakelijk kwaad zijn. Maar Petrus eist iets meer van ons (1 Petr. 2 : 17), wanneer hij gebiedt de koning te eren, en Salomo (Spr. 24 : 21), wanneer hij beveelt God en de koning te vrezen. Want Petrus verstaat onder eren een zuivere en oprechte mening aangaande de overheid; en, wanneer Salomo de koning samen noemt met God, toont hij aan, dat de koning een zekere heilige eerbied toekomt en dat hij vol is van waardigheid. En ook dat is een treffelijke lofspraak bij Paulus (Rom. 13 : 5), dat wij moeten gehoorzamen niet alleen om der straffe, maar ook om des gewetens wil. Daaronder verstaat hij, dat de onderdanen niet alleen door vrees voor de vorsten en overheden zich er toe moeten laten brengen, om zich in onderwerping aan hen te houden, gelijk diegenen zich aan een gewapend vijand plegen te onderwerpen, die zien, dat de straf voor hen bereid is, wanneer ze weerstand bieden, maar ook omdat de gehoorzaamheid, die hun betoond wordt, aan God zelf wordt bewezen, aangezien hun macht van God is. Ik spreek niet over de personen der overheden, alsof een masker van waardigheid dwaasheid of slapheid of wreedheid en zeden, die vol zijn van slechtheid en misdaad, zou bedekken, en zo voor ondeugden de lof van deugden zou verwerven; maar ik zeg, dat de stand zelf eer en eerbied waardigis, zodat alle overheden bij ons in waarde zijn en verering ontvangen van wege hun regeringsambt.

Daaruit volgt verder nog een andere plicht, namelijk dat ze met een bereidvaardig gemoed hun gehoorzaamheid bewijzen: hetzij om hun besluiten te gehoorzamen, hetzij om belastingen te betalen, hetzij om publieke diensten en lasten op zich te nemen, die dienen tot de algemene verdediging, hetzij om enige andere bevelen te volbrengen."

Waar wij vaak niet eens toekomen aan het gebed voor de overheid en alle ambten die met haar verbonden zijn, heeft de theoloog Calvijn zich niet geschaamd zelfs diep na te denken over de staatsvorm, waarin de overheid haar taak het beste kon vervullen.

Vanuit de bijbelse grondlijn, dat elke christen zowel koning als profeet en priester is - omdat hij deelt in de zalving van Christus, de eeuwige Koning, de hoogste Profeet en de enige Hogepriester - heeft Calvijn zijn medechristenen gewezen op hun roeping niet slechts de overheid te gehoorzamen, maar deze ook mede zelf te vórmen. Overduidelijk schreef hij: „Indien men de drie regeringsvormen - het koningschap, de aristocratie en de democratie - die de wijsgeren stellen, op zichzelf overweegt, dan zou ik geenszins willen loochenen dat óf de aristocratische regeringsvorm, óf een vorm die bestaat uit een juiste vermenging van haar met de burgelij ke regering alle andere vormen verre te boven gaat. De fout of het gebrek der mensen maakt, dat het veiliger en beter te dragen is, dat meer dan één het roer in handen heeft, opdat zij elkander helpen, leren en vermanen, en opdat wanneer iemand zich meer verheft dan passend is, er meer bestraffers en meesters zijn tot het bedwingen van willekeur. Dit is niet alleen door de ervaring zelf altijd bewezen, maar ook heeft de Heere het met Zijn gezag bevestigd...

Samenvattend kunnen we het Balke nazeggen: „Het overheidsambt is een goddelijk ambt. In het handhaven van orde en recht is de overheid dienstbaar aan de komst van het Koninkrijk. Het wereldlijk ambt wordt door Calvijn zedelijk en religieus gekwalificeerd, het is een roeping van God".

We zien dus dat Calvijn met dit aspect van het daag'lij ks leven, in zijn theologische doordenking is bezig geweest en vanuit en in de verkondiging van het Woord ook de overheid heeft betrokken op de Heilige Schrift. Daarbij stond het koning-

schap van Christus centraal, maar juist omdat een christen , , Zijner zalving deelachtig is" heeft die christen een roeping in de regering van het land. Daarbij keek Calvijn ver over de landgrenzen heen en schreef in boek IV/XX par. 8 , , Indien gij niet slechts op één staat de ogen gericht houdt, maar tegelijk de ganse wereld rondziet en beschouwt..."

In deze visie stond Calvijn haaks op het doperse denken, en heeft de verzoening en voldoening van Christus kosmische afmetingen, terwijl ook de Heilige Geest - wiens werk bij de dopersen zo naar binnen gericht is - doorwerkt in de wereld, in de samenleving. Het is een wereld, een samenleving die in het boze ligt, maar die niettemin Gods wereld, Gods samenleving is.

In januari 1990 zei de politicus dr. A. J. Verbrugh in een interview: , , Jammer dat Calvijn de mogelijkheid niet heeft gehad zijn gereformeerde visie op de burgelij ke overheid uit te werken; dat het hem aan tijd heeft ontbroken..."

Het is waar, Calvijn heeft niet een volledig uitgewerkte blauwdruk achtergelaten. Zijn eerste aandacht ging naar de geloofsstrijd, de kerk, de gemeente. Toch heeft de reformator aanzetten gegeven, die later door een man als Groen van Prinsterer verder zijn uitgewerkt.

Kampen

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 september 1991

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

CALVIJN EN HET DAAG'LIJKS LEVEN (2)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 september 1991

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

PDF Bekijken