Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Het kerklied (2)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Het kerklied (2)

7 minuten leestijd

KERKGESCHIEDENIS

Calvijn en de kerkzang

Calvijn ging in de zaak van het kerklied een andere weg dan Luther. Hij was vooral overtuigd van de noodzaak, dat de Gemeente des Heeren in de eredienst zingt. De Gemeente moet zélf zingen. Moet haar lof, haar schuldbelijdenis, haar nood, ja, geheel haar hart voor God in de kerk kunnen uitzingen. Calvijn had daarbij een uitgesproken voorkeur voor de Psalmen. Het vrije hed of de hymnen van de oude Kerk, wees hij als Gemeentezang af. In de voorrede van zijn liturgie getiteld: , , La forme des priërs et chauts ecclesiastique" (1545), zegt hij: , , Wij hebben hederen nodig, die niet alleen eerbaar zijn, maar ook heilig, en die ons kunnen dienen als prikkels: om ons aan te sporen tot God te bidden. Hem te prijzen en Zijn werken te overdenken; opdat wij Hem hefhebben, vrezen, eren en verheerlijken. Maar wat Augustinus zegt is waar, dat niemand iets Gode waardiger zingen kan of hij moet het van God Zelf ontvangen hebben. Daarom zullen wij ook, na overal gezocht en rondgespeurd te hebben, geen betere liederen vinden, noch meer geschikt om dit te bewerkstelligen, dan de psalmen van David, welke de Heilige Geest hem geïnspireerd heeft en die door Hem zijn gemaakt. Als wij deze zingen, zijn wij zeker, dat God ons de woorden in de mond legt, alsof Hij Zelf in ons zong om Zijn eigen glorie te verhogen".

En in zijn: , , Mémoire sur l'organisatium de I'église de Geneve" schreef hij: , , Wij wensen, dat de Psalmen in de kerk worden gezongen, zoals wij daarvan in de oude kerk een voorbeeld hebben; en volgens het getuigenis van Paulus, die zegt dat het goed is om te zingen. Het zingen van de psalmen kan onze harten tot God opheffen".

„Het is de geweldige greep van Calvijn geweest, dat hij het boek der psalmen weer onder het stof vandaan gehaald heeft, en dat hij de zang van de clerus heeft overgebracht naar de kerk in haar geheel" (dr. K. Deddens in: , , Op weg naar een nieuw Psalter", bladzijde 10).

Op grond van deze keuze, kiest de gereformeerde gezindte ook nu nog voor de psalmen als kerkgezang. Meer uitgebreid wordt hier op teruggekomen. In 1562 gaf Calvijn een compleet psalmboek uit. Deze 150 psalmen waren voor één derde berijmd door de Fransman Clement Marot en voor twee derde door Theodorus Beza. In de 16e eeuw werden ze meermalen herdrukt en door geheel Europa verspreid.

In Nederland

De kerken in Nederland zongen na 1566 als kerkliederen voornamelijk de psalmen van Datheen, , , den Minister mette rosten baerd". In 1566 werd deze voor het eerst compleet uitgegeven. De eerste Synode van de Nederlandse Kerken onder het kruis, het Convent te Wezel in 1568, aanvaardde deze psalmbundel met vreugde en met uitsluiting van alle andere. En de eerste Nederduitse Synode te Emden in 1571, was het met deze beslissing eens. In 1578 aanvaardde de Synode van Dordrecht eveneens de berijming van Datheen voor kerkelijk gebruik. Twee eeuwen lang zou de berijming van Datheen het reformatorisch psalmboek zijn!

In 1773 verscheen een nieuwe psalmberijming en in 1968 de allernieuwste. Deze laatstgenoemde wordt gebruikt in de Ned. Herv. Kerk, de Gereformeerde Kerken, de Lutherse Kerken, de Remonstrantse Broederschap en bij de Doopsgezinden. Aan de Staatsberijming van 1773 Hggen de berijmingen van Joh. Eusebius Voet, Hendrik Ghijsen en het Genootschap Laus Deo Salus Populo ten grondslag. Uit Datheen wordt praktisch in de kerk niet meer gezongen. De behoudende groep van de gereformeerde gezindte bleef de berijming van 1773 gebruiken.

Psalmen alleen of ook gezangen?

De reformatorische christenen zijn ervan overtuigd, dat de psalmen bij uitstek de kerkliederen voor de Nieuw-Testamentische Gemeente zijn. Ingegeven door de Heilige Geest, naar de inhoud volmaakt, zijn ze altijd fris en blijven immer nieuw. Ze zijn van God gegeven.

Desondanks kwam de vraag op: , , Mag de Gemeente des Heeren onder de nieuwe bede- ling, behalve de psalmen, ook andere liederen in de kerk zingen? Hetzij berijmde of onberijmde Schriftgedeelten, hetzij zogenoemde , , vrije" hederen. Tegen het zingen van berijmde of onberijmde gedeelten van de bijbel is moeilijk bezwaar te maken. Calvijn zelf liet de Lofzang van Simeon, de Wet des Heeren en het Onze Vader berijmen. Daarnaast hebben de gereformeerden in Nederland zonder bezwaar de Lofzang van Maria, Zacharias en Simeon ingevoerd. De andere vraag, die tot op vandaag toe de kerkelijke gemoederen bezig houdt is deze: , , Mag in de kerkdienst het vrije Ued, geboren uit de christelijke persoonlijkheid, al dan niet gezongen worden? " En ook op deze vraag moet het antwoord zijn: , , principieel kan daar geen bezwaar tegen zijn". De leus: , , In Gods Huis niets dan Gods Woord ook in uw lied", kan niet betekenen, dat de bijbel alleen woordelijk mag worden nagesproken. Als dat zo was, dan zou men ook geen Psalmberijming mogen maken. Wat meer is... de prediking van het Woord zou, in de vorm waarin dit thans gebeurt, niet meer mogelijk zijn. Want er wordt gepredikt in hedendaagse bewoordingen en in de gebruikelijke taal. Men voelt wel, zó kan het niet zijn. De Gemeente van de nieuwe bedeling mag ook in de publieke eredienst, onder de leiding van De Heihge Geest, haar gebed en dankzegging in haar lied opzenden tot de Heere in de hemel.

Als de Hemel zingt van het Lam dat geslacht is, mag de aarde daar óók van zingen. De grote gereformeerde theologen, die voor het zingen van de psalmen voorkeur hadden, maakten toch geen bezwaar tegen het zingen van een vrij christelijk lied. En uit de kort geleden in druk uitgegeven dissertatie van H. Hofman, onder de titel: , , Liedekens vol geestich comfoort", (geestich comfoort = , , geestelijke troost"), blijkt, dat de calvinisten van ± 1550 in de eredienst ook veel soorten liederen gebruikten, afkomstig uit allerlei bundels. Zij accepteerden de Schriftuurlijke liederen, omdat de inhoud bijbels verantwoord was. En dat is bij alle vragen over het vrije lied het kernpunt: kunnen zij de toets van het Woord van God doorstaan? De ontwikkeling, waarbij de geestelijke hederen uit het gezichtsveld verdwenen en men tenslotte alleen psalmen en enige gezangen zong, kwam eerst na 1550 op gang. Als Calvijn verklaart, dat hij geen betere liederen heeft kunnen vinden dan de psalmen, verklaart hij niet, dat Gods Woord gebiedt, alleen en uitsluitend psalmen te zingen. En Voetius, dezelfde kwestie behandelend, zegt, dat nergens bepaald is, dat alleen de in de Heilige Schrift gegeven psalmen in de Kerk gezongen mogen worden. De vraag al of niet vrije liederen zingen in de kerk behoort tot de middelmatige dingen. Ze mag geen oorzaak worden van tweedracht en verdeeldheid. Als maar vast staat, dat in de gezangen niet de zuivere Schriftuurlijke leer in het gedrang komt.

Dr. Abr. Kuyper oordeelde in zijn: , , Onze Eeredienst", dat onze gereformeerde vaderen hier niet stonden voor een bepaald gebod of verbod van Gods zijde, maar eeniglijk te rade gingen met hetgeen de vroomheid het meest toesprak, en met het oog op de ervaring het veihgst scheen en daarom de regel om alleen psalmen te zingen hebben aangenomen, hoewel niet als een regel zonder uitzonderingen. Daarom is er volgens Kuyper tegen het invoeren van andere hederen naast de psalmen geen principieel hezv/aar. Voor de christelijke feestdagen en kerkelijke plechtigheden hebben we eigen liederen dringend nodig" (Onze Eeredienst" pag 52 V.V.). In 1869 sprak prof. A. Brummelkamp zich vurig uit ten gunste van een bundel hederen. Ook predikanten van de Chr. Ger. Kerken als ds. Lindeboom en ds. Gispen waren reeds in 1875 voorstanders van het vrije hed. Brummelkamp gaf in 1878 veertien redenen op, waarom de invoering van een bundel gezangen in de kerk wenselijk scheen. Eén van de aangevoerde argumenten luidde: , , Omdat Apostelen, Kerkvaders, Hervormers en martelaren ons in het zingen van gezangen zijn voorgegaan, en wij de stroom van geestelijke lofzangen eigenmachtig stremmen, als we de geestelijke hederen van de lippen der Gemeente weren". Eigenlijk zou het vraagstuk: , , Psalmen alleen of ook gezangen? ", enkel een zaak zijn van praktisch inzicht.

(wordt vervolgd)

B.

H.H.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 september 1993

Gereformeerd Weekblad | 16 Pagina's

Het kerklied (2)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 september 1993

Gereformeerd Weekblad | 16 Pagina's

PDF Bekijken