Bekijk het origineel

Hoedt u voor geldgierigheid

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Hoedt u voor geldgierigheid

10 minuten leestijd

BIJBELSTUDIE

„Uw wandel zij zonder geldgierigheid; en weest vergenoegd met het tegenwoordige, want Hij heeft gezegd: , Ik zal u niet begeven en Ik zal u niet verlaten. Zodat wij vrijmoedig durven zeggen: e Heere is mij een Helper en ik zal niet vrezen, wat mij een mens zal doen". (Hebreeën 13 : 5—6)

De waarschuwing tegen ontucht en overspel, zoals die in het voorgaande vers klonk, wordt gevolgd door een waarschuwing tegen , , geldgierigheid". Opvallend is, dat niet alleen hier, maar ook op tal van andere plaatsen in het Nieuwe Testament deze twee zonden in één adem worden genoemd (vgl. 1 Kor. 5 : 11, 6 : 9v., Ef. 5 : 5, Kol. 3 : 5). Ze hebben kennelijk alles met elkaar te maken. Komen kennelijk op uit één en dezelfde wortel. Ook in de tien geboden wordt de waarschuwing tegen ontucht en overspel (, , Gij zult niet echtbreken") gevolgd door de waarschuwing tegen hebzucht (, , Gij zult niet stelen"). Beide zonden hebben alles te maken met een schier onuitblusbare hef de tot deze wereld. Alles wordt gezet op de kaart van het hier en nu. We willen mi hebben. Nii genieten. Nu al onze begeerten bevredigd zien. En het einde? Volstrekte levenszatheid. Mensen, die alles hebben gezien en alles hebben gehad. Die alle doel, zin en levensvreugde kwijt zijn. Doffe ogen. Uitgebluste levens. Een wegsterven in de eeuwige nacht.

Een wortel van alle kwaad

Onze brief maakt echter duidelijk: eldzucht en hebzucht vormen niet alleen voor ongelovigen, maar ook voor gelovigen een groot gevaar. Ook in het hart van Gods kinderen woont van huisuit een , , beestachtige hef de tot deze wereld" (Calvijn). Voortdurend bedreigt ook hen het gevaar, dat ze alles verwachten van het hier en mi. Geen pelgrim meer zijn. Niet langer , , gast en vreemdehng" op deze aarde (11 : 13), maar inwoner. Geen volk, dat voorttrekt en begerig is naar een beter vaderland (11 : 16), maar dat zich nestelt in dit ondermaanse. Voortdurend moet tegen dat kwaad gewaarschuwd worden. Vandaar het indringend vermaan: , Uw wandel zij zonder geldgierigheid”!

„Geldgierigheid..."! In het Grieks wordt een woord gebruikt, dat letterlijk betekent: iefde tot geld. Onze brief roept de Hebreeën op om hun leven niet door die hefde te laten domineren. Niet geldgierig te zijn. Het leven niet door de zucht naar de aardse schatten te laten bepalen. Want, zo schrijft Paulus aan Timotheüs: , Geldgierigheid is een wortel van alle kwaad" (1 Tim. 6 : 10). Hij bedoelt te zeggen: it de zucht naar geld en goed komt een stroom van ander kwaad voort. Me dunkt, een woord, dat zich de eeuwen door telkens opnieuw heeft bevestigd. Wat dreef Achan om tegen het uitdrukkelijke gebod van de Heere in toch iets weg te stelen uit de schatten van Jericho? Geldgierigheid. Wat was de oorzaak, dat Gehazi's voeten zich plots begaven op het pad van leugen en bedrog? Geldgierigheid. Wat bewoog Judas om zijn Meester voor dertig zilverhngen te verraden? Geldgierigheid.

Geldgierigheid een wortel van alle kwaad. De apostel laat er in zijn brief aan Timotheüs dan ook direkt op volgen: , Tot welke sommigen lust hebbende zijn afgedwaald van het geloof en hebben zichzelf met vele smarten doorstoken" (1 Tim. 6 : 10). De voorbeelden zijn met de handen te tasten: „Hoevelen zaten trouw elke zondag op de kerkbank, maar zijn nu uit alle kerkelijke registers verdwenen, omdat zij in de greep van god Mammon zijn gekomen? Voor hoevelen, die in paleizen wonen en tonnen verdienen, is God slechts een woord uit het woordenboek van grootmoeder" (C. den Boer). Reeds eeuwen geleden schreef Paulus het: , Doch die rijk willen worden vallen in verzoeking en in de strik en in vele dwaze en schadelijke begeerlijkheden, welke de mensen doen verzinken in verderf en ondergang" (1 Tim. 6 : 9).

En daarom: , Uw wandel zij zonder geldgierigheid"! Laat dat ook óns gezegd zijn. Juist in een tijd, waarin de afgod van de welvaart z'n duizenden verslaat en ook onder ons in ongekende kracht toeslaat. Geldgierigheid - de zucht, de begeerte naar geld en naar nog méér geld - voert harten af van God en doet ons wegen inslaan, waarop ons niets anders dan Gods toorn staat te wachten. Fraude, belastingontduiking, valse aangiften, knoeien met papieren, met quota, met werktijden, met prijzen, met uitkeringen, met declaraties en evenzovele dingen meer... het kan alles voor de levende God niet bestaan. Wie daarin volhardt en zich daarvan niet bekeert, sluit zichzelf daarmee buiten het Koninkrijk van God, hoe geestelijk de mond misschien verder ook praat: , Want dit weet gij, dat geen gierigaard erfenis heeft in het Koninkrijk van Christus en van God” (Ef. 5 : 5).

Het hart van de godvruchtigen dient van een andere hefde vervuld te zijn, nl. van de liefde tot God. Terwijl een andere zucht en een ander begeren z'n binnenste dient te doortrekken, nl. de levende God in alles welbehagelijk te zijn. Paulus schrijft: , Eén ding doe ik, vergetende hetgeen achter is en strekkende mij naar hetgeen voor is, jaag ik naar het wit, tot de prijs der roeping Gods, die van boven is in Christus Jezus" (Filip. 3 : 14). Daarnaar te streven, daarnaar te jagen, dat dient het levensdoel van elke christen te zijn. En dat ziende op Hem, Die al Zijn rijkdom en heerlijkheid heeft opgegeven om straatarme zondaren eeuwig rijk te kunnen maken.

Christelijke tevredenheid

De waarschuwing tegen geldgierigheid gaat gepaard met de opwekking: , , en weest vergenoegd met het tegenwoordige..."! Letterlijk staat er: weest tevreden met de dingen, die aanwezig zijn. Dat is: weest tevreden met wat God u in Zijn wijze voorzienigheid heeft toevertrouwd. Een hele les zowel voor mensen, die veel hebben als voor mensen, die weinig hebben. Vergenoegd te zijn met het tegenwoordige. Niet te klagen over uw misschien bescheiden deel. Niet te jagen naar altijd maar meer. Nee, vergenoegd te zijn. Tevreden te zijn. De Heere te danken voor het brood van uw bescheiden deel. Hem te aanbidden, ook als uw weg moeilijk en zwaar is. Te beoefenen, waar de dichter van zingt:

„ ’k Zal Zijn lof zelfs in de nacht zingen, daar ik Hém verwacht”!

En weest vergenoegd met het tegenwoordige.

U zegt: Ja, als er voorspoed is en overvloed, dan is dat niet zo moeilijk, maar wat als de dingen precies anders lopen? Als er ziekte is? Tegenslag op tegenslag misschien? Rouw en verdriet? Hoe kan ik dan toch vergenoegd zijn met het tegenwoordige? Waar wordt dat geleerd? Nergens anders dan aan de voeten van Christus. Daar leer ik verstaan, wie ik ben in mezelf. Een zondaar. Een mens, die tot in de diepste nerven van z'n leven schuldig staat voor God. Een rechteloze, die niets anders verdiend heeft dan de eeuwige vloek. Maar nu dat wonder, dat God Zijn Zoon gezonden heeft. En dat er nu in Christus een volkomen verzoening is voor al mijn zonden. Volkomen betahng van al mijn schuld. Vrede en gemeenschap met God. Leven tot in eeuwigheid. En dat God het me nu op de puinhopen van m'n leven wil leren: , , Ik ben uw heil alleen"!

O, we verzekeren u: ie Hem heeft, die heeft alles. Die komt tot in alle eeuwigheid niets meer tekort. En daarom, waar Christus het hart vervult, daar leren we om , , vergenoegd te zijn met het tegenwoordige"! En met de Kerk der eeuwen te belijden: , Zo God voor ons is, wie zal tegen ons zijn? Die ook Zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, maar heeft Hem voor ons allen overgegeven, hoe zal Hij ons met Hem niet alle dingen schenken" (Rom. 8 : 31v)?

Ook onze brief wijst de Hebreeën op de rijke beloften, die aan de gemeenschap met Christus verbonden zijn: , Want Hij heeft gezegd: k zal u niet begeven en Ik zal u niet verlaten"! Dat is al een oude belofte. We komen haar het eerst tegen in Deut. 31 : 6—8, waar Mozes Jozua moed inspreekt en zijn opvolger verzekert: , De HEERE nu is Degene, Die voor uw aangezicht gaat. Die zal met u zijn.

Hij zal u niet begeven, noch u verlaten; vrees niet en ontzet u niet" (vs. 8). Wie een beetje thuis is in de Schrift weet: telkens opnieuw wordt deze belofte in het Oude Testament herhaald en nieuwtestamentisch belooft ook Christus aan Zijn apostelen en daarin aan heel Zijn Kerk: , , Want ziet, Ik ben met u alle de dagen tot aan de voleinding der wereld"! Kortom, Hij neemt de Zijnen helemaal voor Zijn rekening. Hij heeft hen met ziel en lichaam gekocht en staat daarom ook voor hun volkomen verzorging in. Hoe het dan ook is en door welke diepten hun weg misschien ook gaat. Nee, ze hoeven niet zelf te schrapen, of hun leven in veiligheid te brengen, want Hij staat voor hen in en Hij zal op Zijn tijd en wijze genadig in al hun nooddruft voorzien.

Een vrijmoedige belijdenis

Welnu, die wetenschap, dat God de Zijnen niet zal begeven en niet zal verlaten, dient - zo besluit onze brief - aan het hart van de gelovige de vertrouwensvolle belijdenis te ontlokken: , Zodat wij vrijmoedig durven zeggen: e Heere is mij een Helper en ik zal niet vrezen, wat mij een mens zal doen"! Een woord ontleent aan Psalm 118 : 6, 7. Zeker, de Hebreeënschrijver sluit z'n ogen niet voor de moeitevolle omstandigheden, waarin z'n lezers verkeren. Hij weet van de tegenstand. Van de smaad. Van de vervolging, die ze hebben te verduren. Maar hij wekt hen op om zich daardoor niet te laten ontmoedigen. Ze moeten niet op de mensen zien. Op de moeiten. Op alles, wat hen vanwege hun geloofsgehoorzaamheid aan Christus overkomt. Nee, ze moeten op hun Meester zien. Op het wérk van hun Meester. Op de beloften van hun Meester. En als Hij heeft gezegd: , Ik zal u niet begeven en Ik zal u niet verlaten", dan zal Hij hen ook niet begeven en verlaten!

Integendeel, Hij zal met hen zijn alle dagen. Ook als hun weg moeilijk is. Ook als lijden en smaadheid hen overkomt. Ook als ze omwille van de gehoorzaamheid aan Hem schade lijden en mensen hen benauwen en uitwerpen. Ik ben met u. Dat is Zijn vaste en onwankelbare belofte. Een belofte, die gedoopt is in het bloed van Christus. Die is opengebloeid vanuit de Godsver lating, die Christus doorleed. Maar in die belofte wil Gods Geest al Gods strijders doen ankeren en hen zo de vrijmoedige belijdenis in het hart leggen: , , De Heere is mij een Helper en ik zal niet vrezen, wat mij een mensia zal doen”!

Zeker, mensen zijn tot veel in staat. Ze kun­ g nen de gelovigen vervolgen. Hun bezit roven t (10 : 34). Ja, zelfs hun lichaam doden. Noch tans, hoe het ook is en wat er ook gebeurt, ^ God zal toch een vurige muur zijn rondom al de Zijnen. Hij zal hen niet begeven en niet verlaten. Hen omringen met Zijn Vaderlijke Hefde en zorg en hen dwars door de aardse strijd heen voeren naar de eeuwige erfenis. Christus sprak het en er gaat ook vandaag nog geen woord van af: , Vreest niet voor degenen, die het lichaam doden en de ziel niet kunnen doden, maar vreest veel meer Hem, Die beide ziel en lichaam kan verderven in de hel. Worden niet twee musjes voor een penningske ver kocht? En niet één van deze zal op de aarde U vallen zonder uw Vader. En ook uw haren van het hoofd zijn alle geteld. Vreest dan niet; gij gaat vele musjes te boven" (Mt. 10 : 28—30). En daarom:

„Dat Isrel op de Heer' vertrouw. Zijn hoop op Gods ontferming bouw'. En stil berust in Zijn beleid. Van nu tot in all' eeuwigheid. " , , Want Hij heeft gezegd: Ik zal u niet begeven en Ik zal u niet verlaten”!

M.

L.W.Ch.R.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 februari 1995

Gereformeerd Weekblad | 16 Pagina's

Hoedt u voor geldgierigheid

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 februari 1995

Gereformeerd Weekblad | 16 Pagina's

PDF Bekijken