Bekijk het origineel

De navolging van Christus (III)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

De navolging van Christus (III)

8 minuten leestijd

GEESTELIJK LEVEN

Wandelen gelijk Hij gewandeld heeft

1 Joh. 2 : 6 spreekt duidelijk en onomwonden over Christus als een Voorbeeld, hét Voorbeeld dat wil nagevolgd worden. Er zijn nog niet zoveel teksten uit de Schrift te noemen, waarin zo nadrukkelijk naar voren komt het treden in de voetstappen van Jezus. , , Die zegt dat hij in Hem blijft, die moet ook zelf alzo wandelen gelijk Hij gewandeld heeft”.

We zien ons hier gesteld voor de vraag, wat dat wandelen dan inhoudt in de praktijk van het leven. Wat is het eigenlijk concreet? Waar hebben we aan te denken bij deze geladen woorden uit de Johannesbrief? Wanneer we met deze vragen in ons achterhoofd de brief nog eens lezen, komen we voortdurend twee dingen tegen: de liefde en het bewaren van de geboden Gods. We kunnen zeggen, dat de navolging van Christus gestalte krijgt in het Hefhebben en in het onderhouden van de geboden van God, de onderwerping aan Zijn wil. Dat zijn trouwens niet twee verschillende dingen die losstaan van elkaar.

Wanneer ik me niet vergis komt het in allerlei discussies over ethische onderwerpen meer dan eens voor dat ze tegenover elkaar gesteld worden. Alsof de liefde en de barmhartigheid enerzijds en het bewaren van Gods geboden anderzijds op gespannen voet met elkaar zouden staan. Een bepaald handelen kan misschien wel niet direct in overeenstemming zijn met de Wet van God, maar als het voortkomt uit liefde en barmhartigheid moet het toch goed en zelfs, in bepaalde situaties, geboden zijn. Dergelijke gedachten komen we wel tegen wanneer bijv. gesproken wordt over euthanasie. Hier wordt een tegenstelling geschapen die er niet is. Liefde uit zich in het onderhouden van de geboden. Wat in strijd is met Gods Wet, is niet echt liefdevol! En heel duidelijk zegt de Schrift ons anderzijds dat de liefde de vervulling der Wet is! Opmerkelijk is in de eerste Johannesbrief hoezeer de liefde en het bewaren van de geboden met elkaar verbonden worden.

De liefde

Johannes wordt niet moe om in zijn brief te benadrukken, dat de Heere gebiedt om de broeders lief te hebben. In dat verband stelt hij de Uefde van Christus voor ogen. Het loopt als een gouden draad door deze brief heen. Hier en daar wekt Johannes de indruk, dat hij naar woorden zoekt om toch maar iets over deze liefde van God en deze liefde van Christus te kunnen zeggen. Geen wonder ook! Wie heeft hier woorden? De mens die het meest welbespraakt is, komt hier niet verder dan wat stamelen.

Er zou heel wat te noemen zijn uit de wandel van Christus om Zijn liefde te laten zien. Wie denkt hier niet aan Zijn komen in deze wereld om de weg te gaan tot in de dood, Zijn bittere dood aan het kruis? Wat heeft Hij niet gedragen? Hoe diep boog Hij niet op Zijn weg? In Joh. 13 lezen we de geschiedenis van de voetwassing. Hij spreekt dan tot Zijn discipelen: , , Want Ik heb u een voorbeeld gegeven, opdat, gelijkerwijs Ik u gedaan heb, gij ook doet". Is het dan in dit verband niet opmerkelijk dat dit hoofdstuk begint met het onuitputtelijke woord: , , En voor het feest van het pascha, Jezus wetende dat Zijn ure gekomen was, dat Hij uit deze wereld zou overgaan tot de Vader, alzo Hij de Zijnen die in de wereld waren, Uefgehad had, zo heeft Hij hen liefgehad tot het einde”.

Liefde deed Hem hoon en smaad en spot dragen. Het tegenspreken van zondaren heeft Hij verdragen. Maar meer nog: de onuitsprekelijke bitterheid van de godverlatenheid, de angsten der hel, de onmetelijke toorn van Zijn Vader nam Hij gewillig op Zich. Blijkt daar dan geen liefde uit? U weet (hopelijk niet alleen van-horen-zeggen): het was niet voor beste, goedwillende mensen dat Hij dit alles deed. Hier spreekt en werkt Uefde tot mensen die verklaarde vijanden zijn van zichzelf.

Waar en van wie kunnen we leren wat echte liefde is? Die vraag zou wel eens minder overbodig kunnen zijn dan wij vaak denken. Er kan zoveel over liefde gesproken worden, maar wat is echte liefde? Johannes verwijst in 1 Joh. 3 : 16 weer naar Christus. , , Hieraan hebben wij de hefde gekend, dat Hij Zijn le­ ven voor ons gesteld heeft". Als de Heihgelb ligej Geest mij Christus leert kennen, dan leer r ikï ik'n ook echte hefde kennen! Maar nu laat Johannes iets volgen wat terdege onze bevreemding kan wekken: , ...en wij zijn schuldig voor de broeders het leven te stellen". Kan dit? Moet dit?

Calvijn hierover: , , Het is wel waar, dat wij Christus zeer ongelijk zijn, maar de apostel Z prijst ons aan de navolging: want ofschoon wij Hem niet bijkomen, zo betaamt het ons nochtans Zijn voetstappen van verre te volgen. (...). Maar hij wil dat onze genegenheden zo geregeld zijn, dat wij begeren én leven én dood allereerst Gode, daarna ook de naaste ten goede te laten komen". God vraagt het in de regel niet letterlijk van de Zijnen, dat zij hun leven voor de broeders stellen, maar wel is hier de vraag onontkoombaar: begeer ik zo van harte Christus na te volgen? Iemand kan geroepen worden om zijn leven te geven in de oorlog. Maar positief , , je leven stellen voor de broeders" is nog net iets meer. Zou hier soms de nodige stof tot bezinning en verootmoediging hggen? Waar blijkt duidelijker de volstrekte noodzaak van de verbondenheid met Christus door het levend geloof, om zo naar Zijn beeld vernieuwd te worden?

In dit verband moet gedacht worden aan de: Heilige Geest en Zijn werk. Op treffende wijzCi wordt in het avondmaalsformulier gesproken, over de Geest Die Hij verworven heeft, , , opdat wij door die Geest (die in Christus als in het Hoofd, en in ons als Zijn Hdmaten, woont) met hem waarachtige gemeenschap zouden hebben...". Deze Geest zet het stempel, het beeld van Christus op de Zijnen. Hier Hgt het geheim van de navolging. Zijn dit geen grote dogmatische woorden die hoog boven alle hoofden zweven in de ijle lucht? Nee! Hier is sprake van het arme-zondaarsgeloof dat meer en meer gericht wordt op de levende Christus, meer en meer hongert naar Hem en... naar de vernieuwing naar Zijn beeld!

Op deze wijze kan Johannes spreken overl de hefde waarin de navolging van Christus' zich uit. Zien we op Christus in Wie de liefde volmaakt is, dan bemerken we ook dat deze liefde nog iets anders is dan 'een bepaalde , , lievigheid". Liefde kan niet van alles zeggen: o, wat fijn! Kon Christus niet toornen in heiligei maar tegelijk ook vlammende toorn? Paulus, die van verre de voetstappen van Christus drukt, heeft iets van deze toorn als hij zijnfc brief aan de Galaten schrijft. En ook Johannes schrijft scherpe regels in zijn brieven. Liefde neemt het op voor de rechten van God. Liefde ziet de naaste op zijn weg naar de grote ontmoeting met God.

In hoofdstuk 4 schrijft Johannes aangrijpende dingen over de liefde. Hij zet dan in bij de hef de Gods die blijkt in het zenden van de Zoon. Hij is gekomen tot een verzoening der zonde. Schittert hier geen weergaloze liefde? Vandaaruit dan de bewogen oproep: geliefden, laat ons elkaar hefhebben, want... de liefde is uit God. Dat is dan liefde die gewekt is door de hef de Gods. De kool van deze hef de gloeit omdat ze is ontstoken op het altaar van Gods hef de. Verder kan het opvallen dat met name gesproken wordt over de hefde tot de broeders. Dat wil niet zeggen, dat de liefde zich alleen beperkt tot hen die de broeders zijn, maar wel dat het hefde is in de eerste plaats en vooral tot de broeders. Zij zijn immers het meest nabij.

Johannes waarschuwt in hfdst. 3 voor een liefde, die alleen een zaak van de hppen is. Blijkbaar is deze waarschuwing alle eeuwen van toepassing. Liefde betonen in offerbereidheid, het zoeken van het goede voor de naaste en dienstvaardigheid is nog weer wat anders dan over hefde spreken. Het eerste - hefde betonen - wordt geleerd, wanneer ik als een goddeloze neerval aan de voeten van Hem in Wie God al Zijn hefde betoont. Die alzo heeft hefgehad dat Hij Zijn leven offerde. En juist omdat de oprechte hefde een vrucht is uit Christus, kan Johannes ook zeggen: we weten dat we overgegaan zijn uit de dood tot het leven, dewijl wij de broeders liefhebben. Het komt uit de volheid van Zijn genade, of het is er niet! De bekende bede uit de Avondzang: O Zoon, maak ons Uw beeld gelijk, bergt ook het verlangen in zich: Heere, laat mij hefhebben als een vrucht uit U! Hier hebben we te maken met liefde bij hen, die de verschijning van Christus Hefkrijgen en zo begeren naar Zijn beeld vernieuwd te worden.

Hier wordt dan tegelijk antwoord gegeven op de vraag: hoe kan ik hefhebben als deze vrucht op mijn natuurlijke akker niet groeit, als ik leeg ben van echte liefde? Dit wordt een klemmende vraag als de Geest het hcht van het Woord laat schijnen over mijn leven. Het is in Hem en uit Herh Die onmetelijke hefde toonde in het komen naar deze wereld, in het gaan naar het kruis, in het wederkeren uit de doden.

Zou de navolging van Hem ook zelf een deel kunnen zijn van het heil dat Hij verworven heeft en daarom waard om smekend gezocht te worden?

A.

M.G.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 maart 1995

Gereformeerd Weekblad | 16 Pagina's

De navolging van Christus (III)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 maart 1995

Gereformeerd Weekblad | 16 Pagina's

PDF Bekijken