Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Inwonen en uitwonen

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Inwonen en uitwonen

10 minuten leestijd

MEDITATIE

„...en weten dat wij, inwonende in het lichaam, uitwonen van de Heere". 2 Cor. 5 : 6b

Wie zou dat nu kunnen zeggen, wat Paulus hier zegt: „Wij hebben dan altijd goede moed"? Daar is het bij u misschien wel heel ver bij vandaan om altijd goede moed te hebben. Wellicht zijn we geneigd om te vragen of dit soms woorden zijn uit de mond van iemand bij wie alles over rozen gaat. Of is hier misschien iemand aan het woord die zeldzaam optimistisch is of wellicht grenzeloos oppervlakkig leeft? Toch is niets van dit alles waar. Niemand anders dan Paulus is hier aan het woord. Bepaald niet een man bij wie alles voor de wind gaat. En ook niet een man die in wereldse overmoed alles van de zonnige kant bekijkt.

Moet dit aan de orde komen?

Maar hoe komt hij er dan bij om deze dingen te schrijven? Wel, Paulus heeft het hier over zijn uitzien, zijn verlangen naar de eeuwige heerlijkheid. Hij legt getuigenis af van de hoop die in hem is, de hoop op wat God voor hem doen zal. Aangrijpend en treffend is de zekerheid waarvan hij getuigenis aflegt: want wij weten, dat, zo ons aardse huis dezes tabernakels gebroken wordt, wij een gebouw van God hebben... Wij wéten... Naast deze zekerheid blijkt ook sterk het verlangen van Paulus. Hij verlangt naar een andere woonplaats, naar zijn thuis.

We hebben hier dus te maken met een ver­ langen naar het toekomende leven. Maar moeten we daar nu bij stilstaan? Velen willen ons doen geloven dat dit in de prediking niet de eerste prioriteit hoeft te hebben. Het moet immers veelmeer gaan over de vraag hoe we hier en nu leven. En verder kan de vraag gesteld worden of we hier nu zo om verlegen zitten, om uitvoerig te horen van dit verlangen naar het toekomende leven bij Paulus. Misschien leest u deze meditatie wel even tussen de bedrijven, tussen duizend andere dingen door. Of op een zondag na een bewogen en drukke week, waarin zoveel dingen uw aandacht hebben opgeëist. Of uw hoofd en hart zijn vol van dingen die komen gaan. We zijn zo druk en we hebben zoveel aan ons hoofd.

En dan hier een man, die ontzaglijk veel meemaakt, die zoveel lijden en verdrukking oploopt in de dienst des Heeren en... in dat alles reikhalzend uitziet naar wat God werken gaat. U ziet hier een man voor u die zich uitstrekt naar wat komen gaat in het toekomende leven. Wat moeten we daar nu mee? We weten er vaak geen raad mee. Omdat we zo werelds zijn en zo werelds leven misschien? Misschien is dit Hed van hoop dat Paulus zingt wel een aanklacht tegen ons. Belijd het maar eerlijk voor God als het zo is, dat het hier en nu voor u verreweg het zwaarste weegt en dat u in uw oude leven nog de wereld voor uw één en al hebt.

Een andere vraag die bij ons kan bovenkomen: is dit niet zo hoog gegrepen, wat Paulus hier zegt, dat we hier maar snel aan voorbij moeten gaan? Is dit niet iets wat maar voor een enkeling is weggelegd en waar de meesten - ook van degenen die geestelijk leven kennen - ver bij vandaan zijn? Dit is iets voor de allergrootsten in het Koninkrijk Gods.

Laten we juist ook in de prediking van het Woord deze dingen niet voorbijgaan! Wanneer zulke centrale thema's uit de Bijbel in de prediking onaangeroerd blijven liggen, kan dat alleen maar heilloze gevolgen hebben. Of we er nu om verlegen zitten over deze dingen te horen of juist niet. Het zou weleens kunnen zijn dat de Heilige Geest heel wat te zeggen heeft in dit gedeelte. Een jongen of meisje kan jaloers gemaakt worden. Paulus zou inderdaad een levende aanklacht kunnen zijn, zodat we met al onze wereldsgezindheid worden neergeworpen voor God met de schreeuw om genade. Wanneer u genade kent, zou de Geest u kunnen laten zien dat er meer genade bij God is dan u ontvangen hebt, opdat u zou weten wat u in het gebed hebt te zoeken bij Hem.

Altijd goede moed

In ieder geval heeft Paulus goede moed. Dat wordt niet veroorzaakt door de uiterlijke omstandigheden. De goede moed van Paulus rust op wat hij in het voorafgaande naar voren heeft gebracht. De uiterlijke omstandigheden zijn in Paulus' leven vaak niet zo moedgevend. Opmerkelijk dat Paulus spreekt over goede moed in een brief, waarin zoveel naar voren komt van zijn lijden en verdrukking, van strijd en doodsgevaar. De goede moed van deze man heeft te maken met zijn wetenschap, dat hij een gebouw bij God heeft als zijn aardse tent wordt afgebroken.

Jawel, Paulus heeft het hier over zijn zuchten, VS. 2, maar denk nu niet dat hij een moedeloos mens is. Hij heeft het over vervolging en verdrukking, maar denk niet dat hij te beklagen is. Vindt u ook niet dat het wat wonderlijk is, wat hij hier naar voren brengt: we worden in alles verdrukt maar niet benauwd; bijna wordt ons de adem ontnomen, maar toch is er ontkoming; we zijn twijfelmoedig maar niet mismoedig. Telkens moet Paulus zeggen: Heere, hoe nu verder? Maar evenzovele malen baant God wegen. Ter aarde wordt hij geworpen, maar niet verdorven. De doding van de Heere Jezus draagt hij in zijn lichaam om. En dan altijd goede moed? ! Wat is dat dan toch? Dit is het geheim: het wonder van Gods genade, de nabijheid van de Heere Jezus Christus. Gelooft u ook niet dat dat het diepste geheim van zijn leven is? En niet alleen van Paulus, maar van allen die met alles aan het einde zijn keer op keer en die de verschijning van Christus al meer liefkrijgen.

U denkt: dat was Paulus en zo is er maar één. Bedoelt u daarmee dat hij als enige zo'n weg gaat? Het zal waar zijn dat de Heere met ieder van de Zijnen een eigen weg gaat. En toch, gelooft u ook niet dat de Heere de levende hoop oefent door de beproevingen en aanvechtingen heen? Hij oefent toch het betrouwen op Zijn Naam door de aanvechtingen en strijd heen, zodat ik keer op keer zeg: Heere, baant Gij toch de weg!

Inwonen en uitwonen

Paulus schrijft over inwonen in het lichaam en uitwonen van de Heere. Denkt u daarbij ook maar aan thuis zijn en van huis zijn. Hij wil duidelijk maken dat bij nog niet thuis is. Zijn thuis is immers bij de Heere! Daar waar Christus Jezus is in Zijn heerlijkheid. Daar is hij nu nog niet. Hij woont nog in in het lichaam, in zijn aardse bestaan. Het beeld kan ons duidelijk zijn. Met name na de Tweede Wereldoorlog met de geweldige woningnood die er toen heerste, woonden vele pasgetrouwde stelletjes in bij de ouders of bij anderen. Dat was een voorlopige oplossing. Men zag uit naar de tijd dat men helemaal op zichzelf kon gaan wonen. Een verlangen dat vaak sterker werd naarmate de tijd van inwoning gerekt werd.

We weten dat we inwonen in het lichaam. Is dat dan zo erg? Het lichaam, het aardse bestaan is op zich een gave van God. Het is ook allerminst een schande dat we een Hchaam hebben. Zo zijn we geschapen. Het hchaam is ook niet minderwaardig. Paulus bedoelt hier het hele aardse bestaan, met een hchaam dat sterfelijk is en dat eenmaal nog het graf in moet. Denk erom, dat is geen kleinigheid. Sterven is ook voor Paulus maar niet een kleinigheid. Hij heeft hier ook het oog op zijn onderworpen zijn aan allerlei strijd en lijden, noden en aanvechtingen. En dan nog altijd niet thuis. Nog altijd niet bij de Heere. Nog altijd niet zonder zonde. Verstaat u hoe zwaar dit Paulus weegt?

Wie ergens inwoont, heeft zijn echte thuis nog niet. Paulus ervaart aan den lijve wat dat betekent. In de verbondenheid met Christus lijden en smaad dragen. Hoe zei de Heere Jezus het ook alweer? Zo iemand achter Mij wil komen, die verloochene zichzelf, neme zijn kruis op, volge Mij! Het blijkt bij Paulus geen uitzonderingsgeval te zijn. Hij is niet de enige die geoefend wordt in kruisdragen en zelfverloochening. Bent u het ermee eens geworden trouwens, dat de Heere op deze wijze de Zijnen oefent?

De woning waar Paulus nu in woont, is breekbaar, vergankelijk. Het hchaam dat hij nu heeft moet nog onsterfelijkheid en onvergankelijkheid aandoen. Hij is nog niet daar waar Christus is, de Heere Die hij zo uitnemend heeft hefgekregen, aan Wie hij werd verbonden.

Wij weten, dat wij inwonende in het lichaam... De Geest doet Paulus weten wat zijn leven nu is, leert hem zijn aardse leven op de rechte wijze verstaan. Hebben we daar soms de Geest niet voor nodig? De Geest leert hem ook wat zijn leven zijn zal. Van huis uit leven wij alsof het inwonen in ons Hchaam onze uiteindelijke bestemming is. Hier beneden is het wél... Bij Paulus is het anders geworden. Er is een wissel omgezet, een brug opgehaald. Dit aardse bestaan kan zijn één en al niet meer zijn. Ten diepste omdat Hij, Dien hij van harte heeft Hefgekregen, elders is. Daar trekt zijn hart heen. Naar Hém trekt zijn hart. Weet u wat dat is?

U hebt gelijk, ons aardse leven is een gave van God. Maar wee ons, wanneer het ons één en al is en ons hoogste goed in het zichtbare ligt. Het inwonen in het lichaam is tegelijk een uitwonen van de Heere. In het aardse leven en in het vergankelijke Hchaam zijn, wil zeggen: niet bij de Heere zijn... Dit raakt Paulus in het diepst van zijn ziel. Uitwonen van de Heere, niet zijn waar Christus is aan de rechterhand van Zijn Vader. Als ik me niet vergis, kan Paulus dit niet schrijven zonder heimwee in zijn ziel.

Niet bij de Heere - we kunnen ook lezen: nóg niet bij de Heere. Dat is juist wat door dit gedeelte heenkHnkt als een roep van verlangen: nog niet... Daar ligt de strijd en daar ligt de hoop van Paulus in. Nog in de strijd, in de nood, de vervolging, nog met een vergankelijk Hchaam. Tegelijk spreekt hier de levende hoop. Nóg niet - het zal wel komen dat Paulus inwoont bij de Heere, is thuisgekomen bij God. Maar weet hij dat dan? En hoe weet hij dat?

Jawel, hij weet dat. Niet zomaar dat Paulus zichzelf inprent dat hij het er maar voor moet houden. Hij weet het echt. Van de Heilige Geest! Die leert hem en leidt hem in al de waarheid. Anders gezegd: Paulus weet dit van Christus Jezus. Hij heeft Hem leren kennen en Christus heeft hem toegezegd dat Hij voor hem plaats zou bereiden en dat Hij hem niet uit Zijn hand zou laten rukken. Hoe kunnen mensen dat vandaag dan weten? Nog een stap verder: hoe kan ik het weten? Door de Heihge Geest Die onderwijst in zelfkennis en in kennis van Christus en van het werk van Christus! Zit u erom verlegen, schreeuwend arm in uzelf? Natuurlijk, de één zal er meer van verstaan dan de ander. En toch, in de levende kennis van Christus gaat iets van deze dingen open. Gaat het andere, het betere vaderland trekken, omdat Christus trekt. Het hgt voor Paulus vast in Christus! Ik hoop dat het voor u nergens anders in kan vastliggen dan alleen in Hem en in Zijn werk! Dan bent u wel, net als Paulus, bedelaar in uzelf.

L.

M.G.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van Friday 18 August 1995

Gereformeerd Weekblad | 16 Pagina's

Inwonen en uitwonen

Bekijk de hele uitgave van Friday 18 August 1995

Gereformeerd Weekblad | 16 Pagina's

PDF Bekijken