Bekijk het origineel

Een parel uit de schat der Kerk (33)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Een parel uit de schat der Kerk (33)

10 minuten leestijd

GELOOFSLEVEN

Het eerste grote gebod

Nu de Tien Geboden stuk voor stuk aan het woord geweest zijn, kun je jezelf afvragen welke indruk zij hebben nagelaten. Komen zij bedreigend over met het tienmaal herhaalde , , gij zuh" en , , gij zult niet"? Heilig, maar dan wel heilig beven, is heilzaam. Want het gebod is heilig, rechtvaardig en goed. We moeten maar nooit vergeten dat het geboden van de heilige en rechtvaardige God zijn. Heeft de wet van God alleen maar iets afschrikwekkends? Maar dan hebben wij de kern van de wet niet begrepen. Je zet dan de Tien Geboden keurig op een rij en je probeert aan elk geen verbod te voldoen. De wet laat op deze manier de indruk na: als je nu maar goed je best doet, dan kom je met de wet van God een heel eind. De rijke jongeling en ook Paulus in zijn „eertijds" hadden van zichzelf de indruk dat zij in het houden van Gods geboden notabéne „geslaagd" waren. Die illussie konden zij wel vergeten, toen Jezus hen, ieder op zijn eigen manier, duidelijk maakte, dat zij om de kern van de wet finaal heengelopen waren. Want de grondtoon van Gods wet is niet doen-doen, maar liefhebben.

Calvijn wil nu van zijn leerlingen horen wat voor indruk de wet van God op hen gemaakt heeft. Overzie de Tien Geboden nog eens en nu vraagt hij: Zouden jullie de hele wet nu eens kunnen samenvatten (217). Met de eigen woorden van de Schrift luidt het antwoord: Ja, dat kunnen wij doen door haar in twee artikelen samen te vatten tot een eenheid. Het eerste daarvan is, dat wij onze God zullen liefhebben met heel ons hart, heel onze ziel en met al onze macht. En: onze naaste als onszelf.

De wet valt niet uiteen in tien geboden, maar de Tien Geboden vormen een eenheid, toegespitst in de liefde tot God en de naaste. Ontbreekt die liefde dan is het resultaat van tien keer tien geboden nakomen nul komma nul. Al denk je dat tien keer tien honderd procent is, dan moet Jezus constateren: Eén ding ontbreekt u. Voorwaar de nekslag voor alle farizeïsme en wetticisme, met de bedoeling om erachter te komen dat de liefde de vervulling der wet is en Christus het einde der wet voor ieder die gelooft.

Vervolgens vraagt Calvijn eerst aandacht voor de verticale dimensie van Gods wet. Wat brengt het mee God lief te hebben? (218). In de verhouding van God en Zijn kinderen betekent het: Hem als onze God lief te hebben. Hem kennen en erkennen als Heere en Vader, Redder en Koning; wat insluit. Hem vrezen. Hem eren en vertrouwen. Hem liefde en gehoorzaamheid bewijzen. Hoe bereik je dat? Nooit door jezelf ertoe op te werken. Want wettische , , preciesheid", zonder brandende hef de tot God, heeft alle kans maar op een carricatuur uit te lopen. De mens van nature weet immers niet meer wat liefhebben van God, Hem eren en Hem vertrouwen is. Zal er ooit weer sprake kunnen zijn van kinderlijke gehoorzaamheid aan het hoogste gebod der liefde, dan moeten we leren van het , , doen" der wet af te zien en , , de goedheid Gods, die ons door het Evangehe geopenbaard is, met geloof leren omhelzen". (Inst. II-VII-4) God hefhebben, Hem vertrouwen en eren is vrucht van de Geest der wedergeboorte. Calvijn brengt het woord van Augustinus in herinnering, die zegt , , dat niemand God volmaakt kan hefhebben, die niet eerst ten volle Zijn goedheid heeft leren kennen". (Inst. II-VII-6)

Zo is de liefde tot God de vrucht van het liefhebben van God. De grondhouding van de liefde is het vertrouwen op God. We kunnen zeggen dat liefhebben vertrouwen is en vertrouwen hefhebben. Want wat is vertrouwen anders , , dan naakt en leeg tot Gods barmhartigheid te vluchten, op haar alleen te steunen voor onze gerechtigheid en verdiensten, welk in Christus voor allen ter beschikking is, die haar met een waar geloof begeren en verwachten". (Inst. II-VII-8).

Nu moet hierbij opgemerkt worden dat niet wij mensen de graad van de liefde bepalen. De liefde dient gemeten te worden naar hemelse maat. We moeten God liefhebben gelijk het past Hem hef te hebben. Daar gaat Calvijn op in door te vragen: Wat betekent: met heel ons hart, onze ziel en onze krachten? (219). Antwoord: Het betekent: God liefhebben met zo 'n ijver en gloed, dat er in ons generlei wens, wil, neiging of gedachte leeft, die tegen de liefde in- gaat. U zult vragen: is dit „haalbaar"? Vraag zo niet. Zelfs de allerheiligste, juist de allerheiligste, weet beter. Maar daarom hoeven wij Gods eis niet naar beneden te schroeven. Evenmin ons op te schroeven tot , , haalbaarheid". Het drijft ons wel uit om van onszelf het allerminste te verwachten. Het luistert absoluut nauw. Wees gijheden volmaakt! Wie God leert liefhebben zal nooit meer zeggen dat het zo nauw niet steekt. , , Bekeerde mensen zijn de slechtste. Ik had nooit geweten, dat ik zo was en kon zijn. Ik ben nog veel slechter dan toen God mij de eerste keer ontdekte en toen was ik al zo verschrikkelijk slecht. Deze ervaring drijft ons wel uit om van onszelf ooit maar het minste te verwachten. We zoeken het buiten onszelf in de vergeving en gerechtigheid van Christus, " (G. H. Abma). Nu weet ik waarom Calvijn kan zeggen dat de wet ons bij Christus houdt. Al was het alleen maar om dagelijks te bidden: O Zoon, maak ons Uw beeld gelijk.

Het tweede grote gebod

Het grote gebod der hefde heeft naast de verticale ook de horizontale dimensie. Liefde gericht op de naaste. Vertel eens: Wat is de betekenis van het tweede (grote) gebod? (220). Ontdekkend luidt het antwoord: Dit: dat, waar wij van nature zó geneigd zijn onszelf lief te hebben, dat die drang alle anderen overtreft, de liefde tot onze naasten zo moet overheersen in ons hart, dat ze ons leidt en bestuurt en de regel van al onze gedachten en daden moet zijn.

Ik noem dit antwoord ontdekkend. Omdat het heel scherp analyseert wat er leeft in ons hart. Het egoïsme en individuahsme, de ik-gerichtheid is niet slechts een modern tijdsverschijnsel, dat nu plotsklaps om de hoek komt kijken. Het is de aangeboren aard van elk mens om God en de naaste voor zichzelf te vergeten. Wat dat betreft hoeft niemand van ons ver te lopen. Blijf maar bij jezelf. Hier schuilt dunkt mij de diepste wortel van de wereldgelijkvormigheid, namelijk de liefdeloosheid. Alles loopt erop stuk. Huwelijk, gezin, samenleving, collegialiteit, kerk en gemeente. Ieder haalt zijn eigen gelijk en vecht voor eigen standje. Als dat niet zo was zou de kerk, nee zouden de christenen, die tot de kerk uitmaken niet zo hopeloos verdeeld zijn, niet zo gewetenloos polariseren. Verraadt de manier waarmee wij op alle terreinen met elkaar omgaan niet dat het op het belangrijkste punt mis zit, op het gebod der liefde? Uw naaste hefhebben als uzelf. We kunnen het wel dromen, wat de letter betreft.' Maar de praktijk? Het gaat om de liefde die ons helemaal in beslag neemt, overheerst in onze harten. De drijfveer is van ons doen en laten. Maar het tegendeel, de eigenliefde leeft zo sterk in ons mensen, dat zij elke gedachte, elke begeerte om het nu toch eens anders te doen, overwoekert en dooddrukt. Ga opzij, want ik kom eraan. Een zonde die valt onder de categorie van de boze lusten van het vlees, en waartegen ieder die de Heere vreest van dag tot dag te strijden heeft. Hoe noodzakelijk is de bekering, eens en dagelijks opnieuw. Het radicale van de bekering is dat God de wortel aanpakt, zodat het eens en meer en meer hierop uitloopt: Ik sterf elke dag. Niet meer ik leef, maar Christus leeft in mij. Hoe weet ik dat? Hoe blijkt dat? Als in ons leeft wat we naar buiten uitdragen: Zie hoe Uef zij elkander hebben. Als we zo in de hefde leven zouden kerk en gemeente vooral een oase zijn in de woestijn van hefdeloosheid, waar alles doodgaat aan het eigen ik. Liefde is de thermometer voor het geestelijk leven. Genoeg om over na te denken en... in de praktijk te brengen.

Ik denk dat het heel belangrijk is om nu de volgende vraag aan de orde te stellen. Wat versta je onder de woorden onze naasten? (221). Een oude vraag, waarmee wij mensen vaak onder klem van het gebod der hefde zoeken weg te komen. Denkt u maar aan één der Schriftgeleerden die aan Jezus vroeg wat het grote gebod in de wet is. Hij gaf grif toe: God liefhebben boven alles en uw naaste als uzelf. Formeel was hij het volledig met Christus eens. Alleen, inhoudelijk kon hij er niet goed uitkomen. Of Jezus nu maar eens precies wilde uitleggen wie de man als zijn naaste moest beschouwen. Want het zou toch wat zijn als je zo graag je naaste zou willen liefhebben en niet eens weten wie je naaste exact is. Dan zou je met je liefde blijven zitten. Handige vraag. Wie herkent haar niet? Het antwoord laat aan duidelijkheid niets te wensen over. Begin maar vlakbij. Niet alleen onze ouders, broers, zusters en vrienden, of de mensen die wij kennen, maar ook hen die wij niet kennen, en zelfs onze vijanden. Duidelijk? Nu iets wat duidelijk is hoef ik u niet verder uit te leggen. Beter is dat wij, u die dit leest en ik die dat schrijf, buigen onder Gods Woord, schuld belijden. Om genade smeken en om de Geest bidden. Die ons het beeld van Christus gelijkvormig maakt. Welnu als ik dan als vijand door Hem bemind ben, dan kan ik toch niemand afschrijven? Zelfs mijn grootse vijand niet. Het zou toch zo moeten zijn dat mijn vijand door mijn liefde voor de hefde van Christus wordt gewonnen. Stel daarom u-zelf de vraag: voor wie ben ik de naaste?

Hoe ver zich de kring van de naaste uitbreidt horen we uit de volgende vraag. Welke band hebben de naasten met ons? (222). Dat maken wij niet uit. Dat is in feite reeds door God uitgemaakt. Het antwoord verwijst daarnaar. Die band, die God gesteld heeft tussen de mensen op aarde die onschendbaar is, en die zo ook door de kwaadwillendheid van niemand kan worden tenietgedaan. De bedoeling van dit antwoord is op te komen voor de juiste mentaliteit, de echte humaniteit, de christelijke medemenselijkheid. Paulus zegt tegen de wijsgeren van Athene, dat God uit één bloede het ganse menselijk geslacht gemaakt heeft en dat wij van Gods geslacht zijn. We zullen het geschapen zijn van de mens in het beeld-Gods moeten erkennen. Jacobus schrijft dat wij niemand mogen vervloeken omdat onze medemensen naar de gelijkenis van God geschapen zijn. Een christen kan niet discrimineren omdat hij in ieder mens het beeld van God mag zien. En als God zo ieder mens naast ons heeft geplaatst, dan heeft niemand het recht om te zeggen: ben ik mijns broeders hoeder?

De conclusie daaruit wordt getrokken in de volgende vraag: Zeg je dus daarmee, dat, als iemand ons haat, dat voor zijn eigen rekening blijft, maar dat hij desondanks, volgens Gods ordening, niet ophoudt onze naaste te zijn en we hem daarvoor moeten blijven houden? (223). Antwoord: Zo is het. Wie wil daaraan? Doorgaan met liefhebben? Als we naar het beeld van God herschapen zijn, worden we dan de beelde Zijns Zoons gelijkvormig. Als Zijn genade in ons leven werkelijkheid is geworden en op gaat lichten in ons leven, zoals bij Stefanus, die zijn stenigers niet naar de hel verwenste maar bij wijze van spreken de hemel inbad, dan hebben we lief met de liefde waarmee God ons heeft liefgehad. Dan, " en eerder niet.

H.V.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 januari 1996

Gereformeerd Weekblad | 16 Pagina's

Een parel uit de schat der Kerk (33)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 januari 1996

Gereformeerd Weekblad | 16 Pagina's

PDF Bekijken