Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Perkins over de dienst van het Woord (IV)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Perkins over de dienst van het Woord (IV)

9 minuten leestijd

UIT DE SCHAT VAN DE KERK

In zijn werk over het ambt (The Calling of the Ministry) houdt Perkins zich naast Job 33 ook bezig met Jes. 6 : 5—9, de roeping van Jesaja. We zouden kunnen zeggen dat het vanuit Job 33 vooral ging om wat een dienaar van het Woord heeft te doen, terwijl het nu aan de hand van Jes. 6 meer gaat over wie hij moet zijn.

Het zien van God - verootmoediging

Perkins gaat niet in op de vragen die kunnen rijzen ten aanzien van het zien van de Heere door Jesaja. Het gaat hem veelmeer om de verootmoediging en de vreze Gods die bij Jesaja het gevolg zijn van dat zien. Iets van huiver en vernedering voor God is kenmerkend voor de roeping tot Zijn dienst. De Heere verootmoedigt als Hij roept én nadat Hij geroepen heeft. Dat is temeer nodig omdat een dienaar van het Woord maar al te gemakkelijk zichzelf verheft. Grote gedachten van jezelf zijn meer dan gevaarlijk in deze dienst.

Wie zou durven ontkennen dat Perkins hier allerbelangrijkste dingen aan de orde stelt? Geldt het al van ieder christenmens dat hij geoefend moet worden in ootmoed, zeker is dat het geval bij de man die staat voor Gods aangezicht in Zijn hoge dienst. Het staan voor God in Zijn dienst geeft ze- geningen, maar heeft ook verzoekingen in zich.

De ootmoed van Jesaja komt aan de dag, wanneer hij behjdt een man van onreine lippen te zijn en te wonen in het midden van een volk, dat onrein van lippen is. Wellicht meent de meerderheid van het volk dat het wel meevalt met die onreinheid van Jesaja's lippen. Het geweten van de profeet is echter teer en fijngevoelig, eerlijk voor God. Opmerkelijk verder dat de profeet juist over de onreinheid van zijn lippen spreekt. Voor een profeet zijn de lippen wel van de grootste betekenis. Zonder de almachtige genade Gods kan hij dan ook, zo blijkt hier, zijn dienst niet vervullen.

Verder verootmoedigt de profeet zich voor God vanwege de zonde van het volk. Hier spreekt de rechtgeaarde dienaar van God! Perkins benadrukt een bepaalde wisselwerking: het slechte voorbeeld van een dienaar brengt het volk tot de zonde. Anderzijds brengt in het algemeen de zonde van het volk een dienaar tot geestelijk verval. Behartenswaardige lessen, ook aan het einde van de 20ste eeuw! Een andere praktische vraag van Perkins: met wie heb ik als herder en leraar omgang in mijn persoonlijk leven?

De onreinheid waarover Jesaja spreekt, valt destemeer in het oog tegenover de hei-Ugheid en heerlijkheid van God. Het besef met Wie we te doen hebben in het ambt moet verootmoedigen en het hart vervullen met eerbied. We staan in Gods tegenwoordigheid. (Wijlen ds. G. Boer sprak over de schroeihitte van Gods tegenwoordigheid waarin we met ons ambt staan.) In dit verband is het gebed, ook het gebed voor en na de preek, van het grootste belang. Een ander punt: eer we de zonden van anderen bestraffen, hebben we eerst onszelf in berouw te verootmoedigen. De hoorders van het Woord hebben zich van hun kant te verwonderen dat God wil onderwijzen door mensen die zelf ook zondaren zijn. Dat is genade, want het onderwijs direct door Hemzelf of door engelen zou niet te verdragen zijn door ons.

Troost en bemoediging

Jesaja wordt getroost door een seraf met een gloeiende kool. Vrij uitvoerig maakt Perkins gewag van de dienst van engelen aan de dienaren Gods. Hier ligt stof tot overdenking en bemoediging! Deze dienst van de engelen is alle eeuwen door werkelijkheid, ook al is nu de verschijning van engelen in de regel onzichtbaar. Er is in het ambt tegenstand, er zijn ontmoedigingen van allerlei aard en vorm. Wat zouden mensen die de adem in hun neus dragen vermogen, als de engelen vóór je zijn? Perkins: , , Geschiedenissen uit iedere eeuw bevestigen dit evenzeer als onze eigen ervaring". Ook de engelen zijn Gods dienaren en gezanten. Ook zij begeren de voortgang van het werk Gods. Daar komt bij dat hun dienst moet aansporen tot trouw en ijver in de dienst des Heeren. Zeker zullen zij dan hun diensten betonen tot ondersteuning.

De Heere, en daarom ook de seraf, wil hier gebruikmaken van een gloeiende kool om de profeet te reinigen. Soms gebruikt de Heere geringe middelen om grote dingen te doen. Dat is op zich al een les in de dienst Gods. Spreekt Paulus niet ergens over de dwaasheid der prediking? Niemand achte dit middel te gering! Verder leren we hier, aldus Perkins, dat een Evangehedienaar een vurige tong moet hebben. Alleen gaat het er wel om dat we hier goed onderscheiden. Het moet ons niet te doen zijn om het vuur van onze menselijke ambities, van een trotse geest of van persoonlijke antipathie tegen bepaalde mensen, maar om het vuur van de Geest Gods! Dat maakt nogal verschil! Liefde tot het werk Gods en het behoud van zondaren drijve.

Jesaja wordt zeer getroost als hij hoort van... de vergeving van zijn zonden. , , Zie, deze heeft uw lippen aangeroerd; alzo is uw misdaad van u geweken en uw zonde is verzoend". Het gaf Jesaja diepe vrees dat hij onrein was. Dan geeft de verzekering, dat zijn zonden zijn weggenomen, hem onuitsprekelijke troost. Deze verzekering - de zonde is verzoend - geeft hem meer troost, dan wanneer tot hem was gezegd: u zult een welsprekende tong hebben. Tegelijk leert de Heere hier aan Jesaja hoe boetvaardige harten het beste getroost kunnen worden: door het Evangehe van de vergevende genade in Christus.

In dit alles wordt iets duidelijk van de trouwe zorg van de Heere voor Zijn rechtgeaarde dienaar. Nooit zal de Heere nalaten hem te sterken wanneer dat nodig is! Desnoods zal Hij vanuit de hemel Zijn engelen zenden om helpers te zijn. Zou Perkins dit naar voren gebracht hebben, omdat ook in zijn dagen weleens een al te vlot zelfbeklag gevonden werd bij dienaren van het Woord?

Een vraag en het antwoord

De Heere stelt een vraag: Wie zal Ik zenden en wie zal voor Ons heengaan? Jesaja is ingewonnen voor Zijn dienst en antwoordt: Zie, hier ben ik, zend mij heen.

Het is allerminst misplaatst wanneer Perkins opmerkt, dat herders en leraren niet de eer en voordelen van hun dienst moeten nemen, als ze niet ook bereid zijn om de lasten en plichten te nemen. Laat verder niemand zich tevreden stellen met de naam en titel van dienaar van het Evangelie. We hebben te zoeken de doorwerking van het Evangelie.

Perkins leidt uit de roeping van Jesaja af, dat niemand het ambt op zich moet nemen als niet God hem roept en zendt. Alle eigenwilligheid wordt hier afgekeurd. Een sterk pleit wordt gevoerd voor de kerkelijke en ordelijke weg. , , Als iemand vraagt hoe hij zal weten wanneer God hem roept, is mijn antwoord dat God gewoonlijk roept door Zijn Kerk". Over de roeping tot het ambt volgt hieronder meer.

Treffend is wat Perkins naar voren brengt over de wijze waarop de Heere Zijn trouwe dienaren onderhoudt en beloont. Opnieuw gebruikt hij daarbij het beeld van een gezant, een ambassadeur. Zo'n gezant moet zijn beloning verwachten van degene die hem zendt. Een ambassadeur kan soms een gift ontvangen van degenen tot wie hij gezonden is - dat is dan een extraatje - zijn onderhoud moet hij uiteindelijk verwachten van de koning die hem zendt. Trouwe ambtsdragers moeten volhardend zijn in hun dienst en wachten op wat de Heere doen zal. Als we dan maar geen dienaren van mensen zijn, die de goedkeuring van mensen tot hun hoogste doel hebben gesteld.

Wat hier naar voren gebracht wordt, moet er ons toe brengen om in de dienst van het Woord ons hart te onderzoeken, ons hart open en bloot te leggen voor de ogen Gods. Het wil ook een aansporing zijn om onze weg op de Heere te wentelen. Meer dan een koning, een regering zorgt voor zijn ambassadeurs, zorgt de Heere voor degenen die Hij zendt. Gaat Hij de beste koning niet ver te boven?

De roeping en opdracht

De Heere zegt tot Jesaja: Ga...! In dit verband gaat Perkins wat verder in op de vraag: hoe kan ik weten of ik door de Heere gezonden word? In het algemeen wijst God ons Zijn weg door Zijn Woord. In heel persoonlijke zaken, waarin het Woord ons niet direct de weg wijst, spreekt de Heere door ons geweten en - als het de roeping tot het ambt betreft - door de stem der Kerk.

Men heeft zowel naar het oordeel van het eigen geweten als naar het oordeel van de Kerk te vragen. Het eigen geweten moet getuigenis afleggen van de gewilligheid van het hart en de Kerk van de bekwaamheid tot de dienst. Daarbij heb ik het oordeel over mijn innerlijke gezindheid niet aan anderen over te laten en het oordeel over mijn bekwaamheid mag ik niet aan mezelf overlaten! Het oordeel over mijn gezindheid vraagt wel een eerlijk zelfonderzoek voor Gods aangezicht. Wat zoek ik ten diepste? Wat drijft mij? Als mijn geweten mij getuigt, dat ik deze roeping niet begeer boven welke andere ook maar, dan roept God mij niet. (Later zou Spurgeon tegen een jonge man zeggen: als je nog iets anders kunt doen, blijf dan buiten het ambt.) Als ik in mijn geweten overtuigd ben dat God mij roept en de Kerk roept mij inderdaad tot de dienst, dan heeft God mij geroepen.

Met alle nuanceverschillen is er in deze mening van Perkins veel overeenkomst met wat bijvoorbeeld Calvijn, W. a Brakel en Spurgeon over de roeping tot het ambt hebben gezegd. Het Woord leert ons dat deze tere dingen moeten zijn ingebed in een vol­ hardend bidden, in de levende gebedsomgang met de Heer e der Kerk.

Aan het einde van zijn boek haalt Perkins Ps. 118 : 26 aan: ezegend zij hij, die daar komt in de Naam des HEEREN! Laten u en ik dan vooral maar denken aan de grote Ambtsdrager!

L.

M. G.

Dit artikel werd u aangeboden door: https://www.hertog.nl

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 mei 1997

Gereformeerd Weekblad | 16 Pagina's

Perkins over de dienst van het Woord (IV)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 mei 1997

Gereformeerd Weekblad | 16 Pagina's

PDF Bekijken