Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De Christusbelijdenis in de NGB (3)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De Christusbelijdenis in de NGB (3)

9 minuten leestijd

Geloofsleer

Die ook voor ons bidt...

Een Voorspraak bij de Vader

rn artikel 21 sprak de NGB over het verzoeningswerk van Christus. Als onze enige Hogepriester heeft Hij Zichzelf in onze naam voor Zijn Vader gesteld om Gods toom te stillen met volle genoegdoening. Na Zijn hemelvaart zet Christus Zijn hogepriesterUjke werk voort. In artikel 26 komen verleden en heden samen: op grond van Zijn zoenoffer doet Christus als de eeuwige Hogepriester voorbede voor al de Zijnen. Guido de Brés grijpt nogmaals terug op het verleden: Gods eeuwige Zoon is Immanuël geworden - God en mens in één persoon, opdat wij mensen een toegang zouden hebben tot de Goddelijke majesteit. Een toegang die zonder Christus voor ons gesloten blijft. Maar Christus' verzoeningswerk is niet alleen een daad uit het verleden. Zijn hjdensweg op aarde was de toeleidende weg naar het heiügdom. In de hemel gaat Zijn middelaarswerk door: na het priesterhjke offer op Golgotha volgt de priesterhjke voorbede: Vader, Ik wil dat waar Ik ben ook die bij Mij zijn, die Gij Mij gegeven hebt! Christus kan het vragen: op grond van Zijn zoenofl'er heeft Hij recht van spreken.

Artikel 26 plaatst ons helemaal in het heden van de genade. Christus' voorbede in het hemelse heihgdom is onmisbaar voor onze verlossing. 'Hij heeft een onvergankehjk priesterschap; waarom Hij ook volkomenlij k kan zaüg maken degenen die door Hem tot God gaan, omdat Hij altijd leeft om voor Zijn volk te bidden' (Heb. 7 : 25). Deze tekst vormt het fundament van artikel 26. De voorbede van Christus: laat de praktijk van het geloofsleven niet zien dat we er zo weinig bij leven? Wat is ons spreken over Christus' verzoeningswerk dikwijls onvolledig. Christus' sterven aan het kruis is onlosmakehjk verbonden met Zijn voorbede in de hemel. Heeft een ingezonken geloof soms ook hiermee te maken: dat we er te weinig bij leven, dat we een levende Hogepriester hebben - een Voorspraak bij de Vader? En bÜjft de bediening van de verzoening daardoor soms zo dikwijls op een afstand: omdat we Christus' kruisdood op Golgotha alleen zien als een feit uit de geschiedenis - zonder dat wij erbij betrokken raken. Guido de Brés trekt de Ujnen door: van Golgotha - 2000 jaar geleden, naar de hemel vandaag. Zo wordt het kruisevangelie een heilsfeit: op grond van Zijn offer doet Christus heden ten dage voorbede voor het Aangezicht van Zijn Vader.

Geen andere Middelaar

De weg tot de Vader is de weg naar Christus. Hij is immers onze Immanuël geworden, opdat wij mensen een toegang zouden verkrijgen tot de Goddehjke Majesteit. Zonder Christus is die toegang door onze zonden afgesloten. Christus verandert de schrikwekkende troon der heerhjkheid in een troon der genade, om ons te doen naderen (Guido de Brés). Artikel 26 spreekt over de voorbede van Christus, maar daar is ons gebed tot Christus nadrukkeüjk mee verbonden. Hier gaat het om bij het middelaarswerk van Christus: om ons te doen naderen tot de Vader! Niemand komt tot de Vader dan door Christus. Daarom steft de NGB ook nu: geen andere Middelaar dan Jezus Christus.

Geen andere Middelaar: het brutale ongeloof wordt in artikel 26 buiten beschouwing gelaten. Zonder middelaar voor God te kunnen bestaan, dat is te dwaas om over te praten. Dwaas, maar levensgevaarhjk. Guido de Brés richt zijn aandacht nu vooral op degenen die zich niet rechtstreeks tot Christus durven wenden. We moeten artikel 26 vooral lezen tegen de achtergrond van de praktijk van de Rooms-kathoüeke kerk. Christus was wel het üjdende Lam van God, maar als de verheerhjkte Christus was Hij in de hemel onbereikbaar ver weg. Niet te benaderen voor zondaren. Daarom was het gebruik geworden om Maria en de heiligen aan te roepen om voorspraak bij Christus te zijn. Ook de eerste generatie van reformatorische christenen had er moeite mee om rechtstreeks tot Christus te bidden. Zij waren er ook vertrouwd mee geraakt om voor hun redding een beroep te doen op Maria of op de heiÜgen. Christus was voor hen alleen hun toekomstige Rechter Daar tegenover zegt de NGB: 'Deze Middelaar, die de Vader ons heeft gegeven tussen Zich en ons, moet ons door Zijn grootheid niet verschrikken om ons een ander, naar ons goeddunken te doen zoeken.' De grootheid van Christus wordt hier niet ontkend. Hij is de verheerlijkte Christus. Maar Hij is niet de afschrikwekkende Christus. In dft heden der ge- nade is Hij nog altijd dezelfde Middelaar, ons door de Vader gegeven.

Niemand die ons liever heeft dan Hij

Geen andere Middelaar: want er is niemand in de hemel, noch op de aarde onder de schepselen, die ons liever heeft dan Jezus Christus. Opnieuw raken we hier de kern van de Christusbeüjdenis. Onbevangen geloof in Christus: daarin is het reformatorische geloof getekend. Er is niemand die ons hever heeft dan Hij! De NGB ziet Christus' zondaarsüefde weerspiegeld in Zijn leven op aarde. Hoewel Hij in de gestalte van God was, heeft Hij Zichzelf vernietigd. Hij heeft voor ons de gestalte van een mens - van een dienstknecht aangenomen. Hij is Zijn broeders in alles gehjk geworden. Immanuël wilde Hij worden. En Zijn hefde ging nog verder: wie zouden wij kunnen vinden, die ons meer beminde dan Hij, die Zijn leven voor ons gelaten heeft, ook toen wij Zijn vijanden waren? Niemand die ons hever heeft dan Hij! De spits van deze woorden is allereerst gericht tegen de Rooms-kathoheke kerk - ter bemoediging van hen die de Roomse kerk verheten en schroomden om Christus aan te roepen. Maar het is de vraag, of wij dit reformatorische geloof kennen: dat er niemand is die ons meer hef heeft dan Christus. Of maken wij het zo ingewikkeld, dat Christus in Zijn zondaarshefde vandaag ook onder ons op een afstand staat?

Niemand wordt eerder verhoord dan Hij

God Zelf heeft Zijn Zoon tot een Middelaar gegeven. Een betere Middelaar is er daarom niet te vinden. Christus - Hij is niet alleen de vernederde. Hij zit nu aan Gods rechterhand. Alle macht in hemel en op aarde is aan Hem gegeven. Welke Middelaar heeft er meer macht dan Hij? En - zo gaat de NGB verder - wie zal er eerder verhoord worden dan Gods eigen Ueve Zoon? Gebeden tot andere voorsprekers zijn zinloos - een teken van wantrouwen tegen Christus, die ons door de Vader tot een Middelaar is gegeven. De Roomse kerk was de heiUgen gaan aanroepen uft een besef van eigen onwaardigheid. Heihgen worden eerder verhoord dan zondaren, zo was de redenering. Gods heihgheid en onze onwaardigheid: daar is ook Guido de Brés diep van doordrongen. Daar is hij dit artikel mee begonnen: wij hebben geen toegang tot de Goddeüjke majesteit. Maar het beroep op onze onwaardigheid om tot God te bidden, bewijst dat de Roomse kerk het juiste zicht op Christus verloren heeft. Wie zich tot Christus leert wenden, behoeft zichzelf niet op te werken. Bijbelse rechtvaardiging is geen zelfrechtvaardiging. Wij behoeven niet te bidden op grond van onze waardigheid, maar alleen op grond van de waardigheid van Christus, wiens rechtvaardigheid de onze is door het geloof. Zo krijgen we toegang tot de Majesteit Gods: achter Christus - gerechtvaardigd door het geloof alleen.

Met vrijmoedigheid toegaan

Onze zonden behoeven ons niet bij Christus vandaan te houden. Hij is immers de Hogepriester. Vanuit de Hebreënbrief werkt de NGB het priesterUjke ambt van Christus in het heden uit. Ook nu is het offer op Golgotha het uitgangspunt. Hij is Zijn broeders in alles gehjk geworden, opdat Hij een barmhartig en een getrouw Hogepriester zou zijn om de zonden van Zijn volk te verzoenen. Omdat Hij Zelf verzocht is geweest, kan Hij degenen die verzocht worden, te hulp komen (Heb. 2 : 17-18). Laten we daarom met vrijmoedigheid toegaan tot de troon der genade, opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen en genade vinden, om geholpen te worden ter bekwamer tijd (Heb. 4 : l6). Die vrijmoedigheid Ügt vast in het bloed van Christus: wij hebben vrijmoedigheid om in te gaan in het heihgdom door het bloed van Chrisms (Heb. 10 : 19). Wie heil ziet in het kruis van Christus, mag met vrijmoedigheid toegaan. Is er een betere advocaat dan Hij, die de vrijspraak verwierf met Zijn eigen bloed? In de Schriftcitaten die Guido de Brés hier geeft, zit een prachtige opbouw. Hij zet in bij het priesterUjke werk van Christus aan het kruis: Hij kwam om de schuld te betalen. Dat mag zondaren vrijmoedigheid geven om tot de troon der genade te naderen. En die vrijmoedigheid hgt weer vast in het bloed van Christus. Vrijmoedigheid is geen overmoedigheid. Van het begin tot het einde Ugt ze vast in het bloed van Christus, onze eeuwige Hogepriester Zo brengt de NGB Christus als onze Hogepriester in het heden dichtbij. Door Zijn bloed kan Hij degenen die door Hem tot God gaan, volkomen zahg maken. Want Hij leeft altijd om voor Zijn volk te bidden. Zijn bloedstorting en voorbede komen hier heerhjk samen. Zonder bloedstorting geen voorbede. Hij leeft altijd om voor Zijn volk te bidden. Dat mag vrijmoedigheid geven om toe te gaan tot de troon der genade, hoe onwaardig u ook bent in uzelf. Er is er Eén die recht van spreken heeft: Christus, die Zijn bloed gestort heeft. En Hij maakt van Zijn spreekrecht gebruik!

Christus' voorbede en ons gebed

Alleen de voorbede van Christus voldoet voor het Aangezicht van de Vader. Daarom wijst de NGB aan het slot van artikel 26 de weg van het gebed tot Christus. Hij wil onze Voorspraak zijn. 'Hij bidt als de Voorspreker bij de Vader de gebe­ den van de Zijnen over en heihgt ze op het hemels reukaltaar' (ds. W.L. Ibkker). We behoeven geen andere voorspraak te zoeken: God Zelf heeft Zijn Zoon tot een Voorspreker gegeven. Klemmend zijn daarom de woorden van Guido de Brés: 'Laten we Hem dan niet verlaten om een andere te nemen; of veel meer een andere te zoeken, zonder hem ooit te vinden.' Guido de Brés doet niets anders dan Christus in al Zijn zondaarsUefde aanwijzen - om zo de weg van het gebed naar Hem te wijzen. Door het bloed van Christus verandert Gods rechterstoel in een troon der genade. Zelfs onze zonden behoeven ons niet bij Christus vandaan te houden. Pastoraal bewogen zegt de NGB: 'Toen God Hem ons gegeven heeft, wist Hij wel dat wij zondaren waren.'

Door Christus' bloed is de weg naar de Vader gebaand. En door Zijn voorbede wordt voor zondaren de toegang geopend. Niemand komt tot de Vader dan door Hem. Christus laat Zich nog aanroepen: onze Voorspraak aan Gods rechterhand. Door Hem kunnen zondaren tot God naderen in het gebed. Biddend tot Christus, die onze gebeden overneemt en overbidt - pleitend op Zijn volbrachte werk. Hij was onze Immanuël aan het kruis. Hij is onze Immanuël in de hemel. Gelooft u dat? (Wordt vervolgd)

Hollandscheveld

A.J. Kunz

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 februari 1999

Gereformeerd Weekblad | 16 Pagina's

De Christusbelijdenis in de NGB (3)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 februari 1999

Gereformeerd Weekblad | 16 Pagina's

PDF Bekijken