Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Simson (1)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Simson (1)

8 minuten leestijd

(Richteren 13-16)

In Zijn grote genade en Verbondstrouw, ^i^ heeft God aan Zijn ontrouwe volk Israël vele Richters gegeven, bekende en minder bekende. Wie wat namen wil: het waren achtereenvolgens: Gideon, Thola, Jaïr, Jefta, Ebzan, Elon en Abdon.

Als Abdon Israël acht jaar gericht heeft, sterft hij. En wat lezen we dan? Dit: „En de kinderen Israels voeren voort te doen dat kwaad was in de ogen des Heeren..." (13 : 1). Israël verlaat op­ nieuw de Heere en dient de afgoden. En weer geeft de Heere hen over in de handen van de vijand.

Ditmaal zijn de Fihstijnen de gesekoede van God. De Filistijnen waren afkomstig van het eiland Kreta. Ze aanbaden de god Dagon waarvoor in de stad Gaza een tempel was gebouwd. Veertig jaar moeten de Joden zuchten onder de heerschappij van dit heidenvolk. Ze waren heer en meester in Israël. Zelfs de ark had men wegge- voerd. Krijgshaftig als de Filistijnen waren, beschikten ze over een voor die tijd respectabele strijdmacht. Ze hadden de beschikking over 30.000 strijdwagens en 6.000 ruiters. Wat kon het uitgemergelde volk van Israël tegen hen beginnen? Er was geen smid meer die wapens kon maken. Ze waren door de vijand weggevoerd. Israël was praktisch weerloos. Het was een uitermate donkere tijd.

Maar dan denkt de HEERE opnieuw aan Zijn Verbond. Hij zorgt opnieuw voor een verlosser In Richteren 13 wordt de geboorte van de nieuwe Richter aangekondigd. Een eenvoudige vrouw is op de akker Haar man was Manóach uit de stam van Dan. Ze heeft tijd voor akkerwerk, want kinderen die haar aandacht vragen zijn er niet. Ze is onvruchtbaar De verwachte kinderzegen is uitgebleven. Plotseüng is op de akker een Man. Ze ziet hem aan voor een profeet, maar hij bhjkt later een Engel te zijn. Hij spreekt haar aan, en verteft haar, dat zij moeder zal worden van een zoon. Het zal een bijzondere zoon zijn. Hij zal namehjk vanaf zijn geboorte aan God gewijd zijn... een Nazireër Gods. Zeer onder de indruk van de verschijning, vertelt zij, thuisgekomen, haar man wat ze heeft meegemaakt. „Daar kwam een Man Gods tot mij. Wiens aangezicht was als het aangezicht van een Engel Gods, zeer vreseüjk..." (13 : 6). Manóach wil er meer van weten. Hoe zullen ze dat bijzondere kind moeten opvoeden? Hij bidt om ook zelf de „Man Gods" (= profeet) te mogen ontmoeten. Het gebed vindt verhoring, en in de ontmoeting met de Engel herhaalt Deze, dat de aangekondigde zoon zal „beginnen", zijn volk te verlossen. Als Nazireër zal hij moeten afzien van wijn en sterke drank en zijn hoofdhaar mag niet afgeschoren worden. Dat lange haar symbohseert zijn aan God gewijd zijn. Opmerkelijk is, wat in Richteren 13 vers 4 staat. Het is de eerste en enige keer in de Bijbel, dat het bevel van onthouding van wijn en sterke drank ook gegeven wordt aan de vrouw, die de moeder van de Nazireër zal worden.

Na het onderhoud met de Engel brengen Manóach en zijn vrouw een offer Als de offervlam omhoog gaat, verdwijnt in de vlam de Man Die met hen sprak. Ze verstaan nu, dat ze met een Engel d.w.z. „de Zoon van God Zelf' (kantt.) van doen hebben. Manóach wordt doodsbang. God zien... dat betekent toch sterven? Maar zijn vrouw stek hem gerust. Ze maakt hem duidehjk, dat de Heere deze openbaring niet zou gegeven hebben, als Hij van plan was hen te doden.

God vervuh Zijn belofte... de onvruchtbare vrouw van Manóach mag moeder worden van een zoon. Zijn moeder geeft hem de naam Simson wat zoveel betekent als: „zonnekind". Verwachtte zij, dat nu de zon des heils zou gaan stralen over Israël? Het Richterenboek wijdt niet minder dan vier hoofdstukken aan de geschiedenis van Simson. Maar over zijn jeugd lezen wij vrijwel niets. De Schrift volstaat met de mededeüng: „Dat jongsken werd groot en de Heee zegende het" (13 : 24). Bij zijn opgroeien blijkt Simson te beschikken over een enorme lichaamskracht. Niemand als hij is op aarde zo sterk geweest. De heldendaden die hij zal mogen verrichten, hadden niets te maken met krachtpatserij die zo tot de verbeelding van jonge mensen spreekt. Er was geen sprake van een alle perken te buiten gaande lichaamsverheerhjking zoals die in onze tijd, vooral in de topsport, tot uiting komt. De kracht waarover Simson beschikte was hem door God gegeven. Ze zal hem in staat stellen daden te doen in het belang van zijn volk. Bovenal tot eer van God. Deze zo sterke Simson kon op bepaalde momenten heel zwak zijn. Door zijn anders zijn dan anderen, zal hij veelal onbegrepen zijn weg zijn gegaan. Het betekende voor hem een stuk eenzaamheid. Wie niet begrepen wordt, is eenzaam.

De roeping van deze Richter was, om door persoonhjke heldendaden de vijand te bedwingen. Dat zou er toe kunnen leiden, dat bij het verlamde en verdrukte volk de hoop op verlossing weer levend werd. Daarbij kon Simson niet be- schikken over een leger. Hij had geen keurbende zoals Gideon. Hij moest het alleen doen. Alleen door de hem verleende kracht van Israels God. De Geest dreef hem bijwijlen in de vijandeüjke legerplaats (13 : 25). Zijn zwerftochten door de bossen en in de bergen, hadden tot doel met de Filistijnen in contact te komen. Zo komt hij ook in de Filistijnse stad Timnath. Daar wordt hij verliefd op een FiUstijnse schone. Met haar wil hij trouwen. De bezwaren van vader en moeder tegen de verboden verbintenis met een heidin, wuift hij weg. Hij wil en zal haar hebben. Met bezwaard hart leggen Manóach en zijn vrouw er zich bij neer. In Richteren 14 vers 4 lezen we in verband met dit huweUjk: „Zijn vader en moeder wisten niet, dat dit van de Heere was." Ook dit huwelijk moet bhjkbaar dienen om de Fihstijnen te bestrijden. Gedrieën gaan ze naar Timnath om nader kennis te maken en de nodige voorzieningen te treffen in verband met een eventuele trouwerij. Als Simson even van de weg afwijkt, komt een brullende leeuw op hem af. Hij maakt er korte metten mee: met blote handen grijpt hij de leeuw beet en scheurt hem vaneen: „GeUjk men een bokje vaneen scheurt" (14 : 6). Het dode dier werpt hij terzijde van de weg. Vader en moeder blijven onkundig van het gebeurde. Enige tijd later gaan ze weer naar Timnath, om de bruiloft te vieren. Onderweg gaat Simson kijken wat er van de verslagen leeuw is overgebleven. Hij treft het verdroogde kadaver aan met daarin een zwerm wilde bijen. Simson eet van de aanwezige honingraten en laat ook zijn ouders van de zoetigheid genieten. Op de bruiloft geeft Simson aan dertig Fiüstijnse „vrienden" een raadsel op. Waarschijnhjk was het opgeven van raadsels een oud gebruik, dat men op de bruiloften handhaafde. Het raadsel luidde: „Spijze ging uit van de eter, en zoetigheid ging uU van de sterkte." Als ze het raadsel kunnen verklaren, krijgen ze elk een

stel boven- en onderkleding. Als ze dat binnen zeven dagen niet gelukt, zullen ze aan Simson dit aantal kleren moeten leveren. Het raadsel bhjkt voor de bruiloftsgasten te moeihjk. Na drie dagen zijn ze er nog niet uit. Ze proberen de bruid van Simson er toe te brengen haar bruidegom het geheim te ontfutselen. Daarbij dreigen ze haar te doden en het huis van haar vader te verbranden, als ze medewerking weigert. Zo lang bUjft ze Simson aan het hoofd zeuren, dat hij haar tenslotte het gebeurde met de leeuw verteft. Al spoedig weten de gasten het ook. Op de laatste bruiloftsdag zeggen ze tot Simson: „Wat is zoeter dan honing en wat is sterker dan een leeuw? " Dan barst Simson woedend los: „Zo gij met mijn kalf niet had geploegd, gij zoudt mijn raadsel niet hebben uitgevonden" (14 : 18). Als wraak voor het „ploegen met zijn kalf', verslaat hij dertig mannen van de Askelonieten en zendt hun kleren aan de jonge mannen in Timnath (14 : 19). Uit balorigheid gaat hij terug naar zijn ouderUjk huis. De doodslag in Askelon is de eerste van een reeks wraakoefeningen tegen de vijanden van zijn volk. Hij krijgt onder de Fihstijnen een geduchte naam. Later wordt het verlangen naar zijn vrouw hem te sterk. Maar in Timnath aangekomen, bhjkt zijn vrouw te zijn gegeven aan „zijn metgezel, die hem vergezelschapt had" d.w.z. aan degene die zijn bruidsjonker geweest was. Op het aanbod van zijn schoonvader, genoegen te nemen met de jongere zuster van zijn vrouw, gaat Simson niet in. Nu zal hij zich wreken aan de Fihstijnen! Hij vangt 300 vossen, bindt ze twee aan twee met de staarten aan elkaar vast en bevestigt aan de staarten een brandende fakkel. Dan jaagt hij de bange dieren de Füistijnse korenvelden in. De oogst gaat voor een deel verloren en veel wijngaarden en ohjfbomen staan in brand (15:3-5).

(wordt vervolgd)

Ridderkerk

H. Hartman

Dit artikel werd u aangeboden door: https://www.hertog.nl

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 mei 1999

Gereformeerd Weekblad | 16 Pagina's

Simson (1)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 mei 1999

Gereformeerd Weekblad | 16 Pagina's

PDF Bekijken