Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Doopgebruiken (1)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Doopgebruiken (1)

9 minuten leestijd

RONDOM DE SACRAMENTEN

Rooms-katholiek of toch Bijhels-katholiek?

(T/T'^ de nummers 26 en 28 van ons Gerefor- (L^ meerd Weekblad wijdde de pastor van Hollandscheveld, ds. A.J. Kunz een tweetal artikelen aan de Heilige Doop. Hij ging daarbij vooral in op de betekenis ervan.

Vandaag en de komende weken willen wij nadenken over een aantal gewoonten en gebruiken rondom dit sacrament.

Jaren geleden viel het mij op, dat onze voorgeslachten doorgaans sneller met hun zaad naar de doopvont hepen, dan wij, hun nazaten. De kerkehjke pubheke opinie schreef dit toe aan de nawerking van een Rooms zuurdeeg. Daarmee was de kous af. Voor mij echter niet, ik kon mij namehjk niet voorstellen, dat onze verre en minder verre voorouders soms wel driehonderd jaar lang bleven vasthouden aan een traditie, die uitsluitend kerkehjk bepaald zou zijn. Dat „de vroegdoop" een overtuigd Reformatorisch beginsel is, zal ik u aantonen, zonder daar direct een pleitbezorger voor te wihen zijn.

In het Nieuwe Testament vinden wij geen voorschriften voor wat betreft het tijdstip van de doop. Het Oude Testament biedt wel een handvat. Zoals u weet werden de jongetjes onder Israël besneden. Een ceremonie, die plaats had op de achtste dag. Waarom precies dan, en niet vroeger of later? Een vraag waarop het antwoord niet zo één, twee, drie te geven is. De uitleggers stemmen lang niet altijd overeen in hun verklaring. Sommigen menen dat de achtste dag te maken heeft met Gods bijzondere zorg voor het tere leven. Juist de achtste dag zou een zeer geschikt moment zijn voor de besnijdenis, een niet ongevoehge ingreep in het vlees. Anderen wijzen er op dat, wat uit mens en dier geboren werd, tot de achtste dag als onrein gold. Ook zijn er, die veronderstellen, dat die achtste dag op iets toekomends zag. Hij zou als eerste na de sabbat, heenwij zen naar Christus. Zijn opstaan uit dood en graf vond plaats, onmiddelhjk na het verstrijken van de zevende dag. De achtste dag heeft in het besnijdenis-ritueel weUicht iets schaduwachtigs. Dat wil evenwel niet zeggen dat de Nieuwtestamentische kerk daar geen boodschap meer aan zou hebben. Artikel 57 van de Dordtse Kerkorde uit 1574 schrijft met betrekking tot de doop. „Het verbond Gods zal in de kinderen (zo haast als men de Doop christelijk bekomen kan) met de Doop verzegeld worden, tenzij, dat er enige zware oorzaak zij, om de Doop een tijdlang uit te stellen, waarover de consistorie [kerkenraad] oordelen zal. Maar de affectie der ouderen, die de Doop hunner kinderen begeren uit te stellen ter tijd toe, dat de moeders zelve haar kinderen presenteren, of op de gevaders lang wachten, is geen wettelijke oorzaak om de Doop lang uit te stellen."

De Reformatie schafte de vroegdoop, zoals die ook binnen de Rooms-kathoheke kerk bestond, niet af. Vanzelfsprekend distantieerde men zich wel van de doopopvattingen daar. Rome leert dat de doop de deur des heils is. De doop wast de erfzonde af. De doopvont is hier geworden tot „het bad der wedergeboorte." En daarom, wie naar oude Roomskathoheke opvatting sterft zonder gedoopt te zijn, sterft in zijn zonden. Deze ideeën zijn door de hervormers bestreden. Zij hebben er vanuit de Bijbel op gewezen dat de doop niet strikt noodzakehjk is tot zahgheid. Tegehjkertijd echter, wilden zij beshst niet de indruk wekken germg te denken over de betekenis van de HeiUge doop. Het onnodig uitstellen ervan vond dan ook geen genade in hun ogen. Guido de Brés, de man, die we houden voor de opsteller van de Nederlandse Geloofsbehjdenis, hield zijn zoon de dag na diens geboorte reeds ten doop. Ongetwijfeld zullen oude, diep ingeslepen gebruiken de Reformatie gedurende de eerste tijd wel parten hebben gespeeld. Maar ten aanzien van de doop en het tijdstip waarop gedoopt werd, is van doorslaggevende betekenis de hoge achting voor Gods verbond. Dat verbond is onder het Nieuwe Testament geen ander dan onder het Oude. Belangrijk is de continue verbondsUjn in het oog te houden. Horen de kinderen er in de dagen van Abraham bij, waarom dan niet in de tijd van de apostelen en daarna? Maar kom, we dreigen af te wijken. Ons onderwerp gaat dit maal over Doopgebruiken.

In de dagen van de Reformatie werd steevast zo vroeg gedoopt, dat de moeder niet in staat was, de doopdienst van haar kind bij te wonen. Om die reden wordt de moeder ook niet genoemd in oude uitgaven van het doopformuher. Merkwaardig genoeg komt de moeder ook niet (meer) ter sprake in de kerkbijbel met formuheren, die wordt uitgegeven door de Gereformeerde Bijbelstichting, terwijl de moeders wel aanwezig zijn bij de doop van hun kind en ook antwoorden op de vragen. Een goede zaak overigens, want in de praktijk zal zij het leeuwendeel van de opvoeding voor haar rekening nemen. Laten de ouders beiden hun grote verantwoordehjkheid mogen voelen aan de doopvont.

De nieuwe reglementenbundel

Tot 1816 werd zeer algemeen binnen acht dagen na de geboorte gedoopt. Dat betekende, dat de vader zijn kind ten doop hield. Hij was uiteindelijk ook het gezinshoofd. In verschillende gemeenten in ons land handhaafde men deze gewoonte. Mij zijn voorbeelden bekend van Urk en Friesland (Wouterswoude, Driesum, Oudemirdum GG), De vader, die als hoofd zijn gezin vertegenwoordigt bij de doopvont, hoeft niet bang te zijn buiten de boot van de gereformeerde traditie te vallen. Verschillende (hervormde) synoden hebben het nadrukkehjk voor hem opgenomen als „doopheffer". De grote kerkhervormer Johannes Calvijn bepaalde in de kerkorde van Geneve, dat de vader zijn kind ten doop dient te houden en de vragen moet beantwoorden.

Voor ds. Ledeboer, de predikant, die in de vorige eeuw de hervormde kerk verliet, was van doorslaggevende betekenis dat het genadeverbond is opgericht met Abraham en niet met Sara en dat voorts de besnijdenis pUcht van de man was en niet van de vrouw.

De Reglementenbundel, die Koning Willem I, in het begin van de vorige eeuw de hervormde kerk oplegde, brak met deze gewoonte. Voortaan moest de moeder of de baker voorop gaan bij de doop. Deze nieuwe orde voor de kerk maakte tevens een eind aan de vroegdoop en propageerde regehnatige doopdiensten. Bij alle veranderingen, die gekomen zijn, zal in ieder geval dit gebleven zijn, dat onder ons de vader als eerste zijn 'Ja' geeft als antwoord op de gestelde doopvragen.

Neuzen in oude boeken

Een aardige bezigheid is altijd weer het snuffelen in oude kerkenraads- en doopboeken. De geschiedenis van mijn eerste gemeente. Loon op Zand, onthulde, dat de vroegdoop daar, tot in de dertiger jaren van de negentiende eeuw algemeen in zwang bleef. Niet zelden werden kinderen zelfs gedoopt, voordat ze een dag oud waren. Wie op onderzoek uitgaat zal overal in Nederland voorbeelden daarvan opdissen uit de oude acta. In Almkerk werd in 1848 voor het laatst een kind binnen vier-en-twintig uur gedoopt. Het doopboek van Wijk meldde in de vorige eeuw ook nog enkele zeer snelle „vroegdopen" (1808, 1810). Voor 's Gravenmoer noteerde ik (1808), Sprang (1808), Fijnaart (1810). In Katwijk waar men minder snel doopte, er lag al gauw een week, zo niet meer, tussen geboorte en doop, werd op 12 oktober 1813 een zekere Leendert, zoon van Teunis G. van der Plas en Willempje Leendd. Vooys, gedoopt op de dag van zijn geboorte.

De praktijk van de vroegdoop bracht mee dat er zeer regelmatig doopdiensten waren. In de kleine Kempische gemeente van Loon op Zand soms drie zondagen op rij. In het naburige Sprang telde ik zelfs zes aaneengesloten doopzondagen. In grote stadsgemeenten werd vaak wekelijks gedoopt.

Wanneer men vóór 1816 niet binnen acht dagen doopt, is daar doorgaans een reden voor Niet zelden verantwoordt men zich in de acta. Soms khnkt het bijna als een verontschuldiging richting latere geschiedvorsers. Zo vermeldt het doopboek van Loon op Zand dat op 8 juni 1810 geboren werd: Comeha Adriana, dochter van Comelis van Tilborg en Catarina van der Heiden. Het kind wordt echter pas op 17 juni gedoopt. Reden? „Door 't overlijden van den vader op 11 juni. De dooppeet was Teuntje van der Heiden."

Elders dopen

Het gebeurde ook in voorgaande eeuwen wel, dat buiten de eigen gemeente gedoopt werd. Ik heb daarbij het oog niet op eventuele richtingsverschillen en bezwaren tegen prediking, die in onze tijd soms al heel spoedig een ahbi moeten zijn om naar elders uit te wijken. De motieven waren steeds van heel praktische aard. Zo werd Johannes, zoon van Thomas Talen en Teuntje de Rooy, op 24 april 1799 niet in Loon op Zand gedoopt, maar in Sprang, „omdat hier [Loon op Zand] op dien dag niet is gepreekt, vermits de vacature te Boxtel..." Het zat dit echtpaar bij de geboorte van hun volgende kind weer niet mee. Op 7 december 1800 moesten zij hun zoon Gerrit ook weer te Sprang laten dopen, „omdat hier [Loon op Zand] nog geen bekwame plaats was tot de Godsdienst, wegens den stormwind, die de Kerk geheel onbruikbaar om te prediken gemaakt had."

De zoon van Adrianus Jansz. Verduyn en Marijke Netten, werd op 4 december 1796 te 's Grevelduin gedoopt, „omdat doe [toen] hier niet is gepredikt, vermits de Predicant de vacature te

Moergestel moest gaan waarnemen."

Ook kon het gebeuren dat vanwege de onbegaanbaarheid van de weg naar elders werd uitgeweken. We bladeren nog steeds in de oude Loonse annalen en lezen dan dat de jongste telg van de zojuist genoemde familie Verduyn-Netten, op 3 februari 1799, te 's Grevelduin werd gedoopt, „wegens het koude weder en hooge sneeuw, konnende met dat kind niet na onze Kerk koomen wegens den verre afstand der woning van de ouders." Men moet weten dat de Hervormde Gemeente van Loon op Zand in die tijd nog de beschikking had over de oude kerk midden in het gelijknamige dorp. Thans weer in gebruik bij de Roomskathoheke parochie. Het huidige kerkgebouw Ugt op de grens met Sprang-Capelle, de Loonse dijk.

Maar ook elders in het land komt het voor, dat men met zijn dopeling uitwijkt naar elders. Zo reizen in Oldebroek vaders met hun boreüng de dominé achterna, als deze in een naburige gemeente de vacature moet waarnemen. In 's Grevelduin-Capelle, Waspik en 's Gravenmoer, waar nogal wat beurtschippers woonden brengen de arbeidsomstandigheden mee dat bevallingen soms tijdens de reis plaatsvonden. Dat betekende niet zelden dat men ook onderweg doopte. Op een vrijdagavond in 1809 werd een zekere Cornelis Ophorst uit het Brabantse Capelle in de Amsterdamse Westerkerk gedoopt. In 1810 stond vader Ophorst opnieuw in Amsterdam aan de doopvont, ditmaal met zijn dochter Catharina in de Noorderkerk. Daar werden overigens wel vaker kinderen uit de Langstraat gedoopt. In het Doopboek van de Hervormde Gemeente van 's Gravenmoer trof ik in 1808 de volgende vermelding aan: „Comehs Johannes en Laurentius Blom, zijnde deze kinderen gedoopt te Princeland [nabij Dinteloord, JB], bij gelegenheid, dat genoemde personen met het schip daar lagen."

(wordt vervolgd)

Nieuw-Lekkerland

J. Belder

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 oktober 1999

Gereformeerd Weekblad | 16 Pagina's

Doopgebruiken (1)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 oktober 1999

Gereformeerd Weekblad | 16 Pagina's

PDF Bekijken