Bekijk het origineel

In de hof van de opstanding!

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

In de hof van de opstanding!

10 minuten leestijd

MEDITATIE d

oor P. Vermeer, Epe

„En opziende zagen zij, dat de steen afgewenteld was." (Marcus 16 : 4a) OE aangrijpend toch was het sterven van Christus geweest daar op Golgotha's heuveltop. Nooit werd het sterven van een mens door zulke tekenen vergezeld en had het zulke gevolgen. In gedachten zien we hoe een zekere Jozef van Arimathéa en Nicodemus - de laatste is ons uit het evangelie van Johannes goed bekend - het lichaam van de Heere behoedzaam van het kruis afnemen en het haastig in een graf in de hof van genoemde Jozef leggen. De sabbat breekt namelijk aan, de dag van rust gaat in. Een grote, zware steen wordt nog voor de ingang van het graf gerold. Gelegenheid om het lichaam te zalven is er vóór de sabbat niet meer. De specerijen daarvoor moeten ook nog worden gekocht. Dat zalven zal dus moeten wachten tot de sabbat voorbij is...

De discipelen hebben zich verslagen en verbijsterd teruggetrokken ergens in Jeruzalem. Voor hen is met de Heere al hun hoop begraven. Dat laatste geldt niet minder voor de vrouwen die met Jezus zijn geweest. Marcus noemt enigen uit hen met name: Maria Magdalena, Maria, de moeder van Jakobus, en Salome. Met anderen hebben zij de Heere gediend van hun goederen en van verre de verschrikkingen van Golgotha aanschouwd. Met hen gaan wij naar de hof van Jozef op de vroege Paasmorgen!

De afgewentelde steen

Na de sabbat hebben de beide Maria's en Salome in de vroege morgen specerijen gekocht om het lichaam van de Heere te gaan zalven. Het is nog het laatste wat ze voor Hem kunnen doen. Een laatste afscheid, daarna zal het graf ook Zijn gedaante verslijten. Een laatste teken van liefde nog en dan zullen ze heengaan met hun verdriet en gemis, het alledaagse leven weer in, een leven dat nooit meer zal worden als vroeger, want de Meester is er niet meer...

Wij volgen deze vrouwen dus in de zeer vroege morgen naar de hof van Jozef. Reeds vallen de eerste zonnestralen over een donkere wereld. Het licht gaat het donker verdrijven, de nacht gaat voorbij, een nieuwe dag dient zich aan.

Maar wie beseft dat deze dag de roem der dagen zal zijn, het begin van de eeuwig nieuwe dag? De vrouwen in ieder geval nog niet. De vrouwen die op weg zijn naar de hof van Jozef hebben wel wat anders aan hun hoofd. Want ineens schiet hun te binnen dat de toegang tot het graf is geblokkeerd door een grote steen. In hun verdriet hebben ze daar helemaal niet meer aan gedacht. Maar dat die steen er ligt weten ze, want enigen uit hen hebben gezien waar de Heere gelegd werd. Hun vraag is dus heel goed te begrijpen. Wie zal ons de steen van de deur van het graf afwentelen? Temeer omdat vers 4b er verklarend aan toevoegt: want hij was zeer groot. Zo'n zware steen afwentelen gaat de kracht van vrouwen te boven. Dat is geen vrouwenwerk. Hoe het nu moet weten zij niet, want op de hemel rekenen zij niet.

Ineens worden ze stilgezet bij dat vrese­ lijke obstakel naar hun dode Jezus: een grote, zware steen, die aan het beoogde liefdewerk een onverbiddelijk Halt! roeroept. Zij vrezen dat zij nooit meer hun dode Meester zullen zien. Inderdaad, een dode Meester zullen zij nooit meer zien...

* * * We staan even stil en maken de balans op van het begin van deze Paasdag. We begrijpen uit dit alles wel dat deze vrouwen nog ver verwijderd zijn van het zo bevrijdende Paasgeloof. Zij leven nog helemaal in het verleden. Hun gedachten zijn nog vol van wat op vrijdag gebeurde en dus gevangen in de banden van de dood. Goed beschouwd hoeft voor hen het graf van Jezus nog maar één keer open en dan mag het dicht tot de jongste dag. Als zij hun werk hebben gedaan, dan de steen er maar weer voor. En daar moet hij blijven liggen totdat aan de wenteling der eeuwen een einde komt.

Nee, val deze vrouwen niet hard op deze heerlijke Paasmorgen. Hier is het liefde, die dringt. Natuurlijk, hadden zij beter geluisterd naar de woorden van Christus, ze hadden zich het kopen van specerijen kunnen besparen en over die steen hadden ze zich ook al geen zorgen hoeven te maken. Bij het aanbreken van de dag hadden ze beter direct kunnen gaan naar de hof van Jozef om daar het lege graf te bezien. De Heere had Zijn opstanding immers tot driemaal toe voorzegd? Ja, dat alles is waar, maar het is vaak zo gemakkelijk te oordelen in een situatie waarin men alles al weet. Waren ook in onze tijd degenen die zich christenen noemen nog maar zo vol liefde tot de Heere. Als deze vrouwen al zo'n liefde hadden voor hun gestorven Meester, hoeveel temeer zouden wij moeten liefhebben Hem, van Wie wij weten dat Hij leeft! De vrouwen uit Marcus 16 gaan op weg naar het graf van Gods Zoon, veel huidige „christenen" komen voor de levende Christus hun huis niet uit. Er zijn nogal wat kerkbanken die leeg blijven... Van deze vrouwen valt dus best nog wat te leren. ^: : !; ^:

Vrouwen op weg naar het graf. Maar dan dat wonderlijke, dat ongedachte en onverwachte: En opziende zagen zij, dat de steen afgewenteld was. Deze Paaskinderen worden op hun wenken bediend. In de vroege morgen, bij de eerste zonnestralen, zien zij een heerlijk teken van Pasen: de afgewentelde steen! Ja, er komt heilige Paasvreugde voor diep bedroefde Paaskinderen. Deze dag zal gaan stralen als zeven zonnen, maar dan moet eerst de ban van het ongeloof geheel zijn verbroken. Dat laatste gaat niet zomaar. Er moet eerst meer licht gaan vallen. Per slot van rekening hoeft een afgewentelde steen nog geen enkele garantie te zijn voor de opstanding uit de doden. Er kunnen heel goed andere redenen zijn om een steen van een graf af te wentelen. En waarom zou een mens vol verdriet bij het zien van een afgewentelde steen direct aan een ingrijpen van de hemel denken? Deze vrouwen doen dat in ieder geval niet. Ze zullen wel hebben gedacht: Ook dat nog... Nog meer treurnis!

En opziende: blijkbaar klimt hun weg omhoog en kijken zij nu in een open graf. God heeft niets voor hen te verbergen. Maar boven het graf uitkijken, nee dat is er nog niet bij. Toch komt dat wel, want de Heere laat Zijn volk niet eeuwig in het verdriet. Zijn tekenen wijzen heen naar Hemzelf en naar Zijn heerlijk werk. Dit wonderlijke Paasteken zal brengen bij de Paasvorst Zelf. Want dat het Pasen is geworden zullen deze vrouwen gaan beleven. En, als het goed is, beleven wij dat met hen.

Hij is opgestaan

Let nog weer eens op die drie vrouwen over wie Marcus ons bericht. Voor hun besef zijn ze de Heere voorgoed kwijt. De vreugde is uit hun leven weggeëbd. Op de Paasmorgen hangen de wolken van het verdriet laag over hun leven. Het lijkt donkerder dan ooit tevoren, want al meer is het besef doorgedrongen: de Meester is niet meer. Sinds het sterven van de Heere zullen ze wel geen oog meer hebben dichtgedaan. De blijde lach van het geloof is in ieder geval verstomd, de vreugde en vrede uit het hart gevlucht. Voor deze vrouwen is de Heere missen alles missen. Op de Paasmorgen, de morgen der verrijzenis, is hun leven toegedekt onder de donkere sluiers van de dood. O, dat ongeloof! Het leven met de Heere gaat dus niet altijd over liefelijke wegen, het pad is menigmaal vol doornen en vaak zo steil, het ongeloof verduistert en verzuurt zo vaak de levensgang. De vrouwen zullen wel vol heimwee hebben teruggedacht aan de tijd dat ze met Jezus hadden mogen wandelen. Wat was het toen rijk!

Dat zij nu nog veel rijker zijn dan ooit tevoren omdat hun Meester uit de doden is opgestaan, gaan ze nog ervaren. Want het is Pasen geworden. De afgewentelde steen is geen teken van nieuw onheil maar van Goddelijk heil. In de hof van Jozef is geen sprake van grafroof of zo, maar van overwinning op dood en graf. In dit graf heeft de dood niet mogen ontbinden, maar zijn z'n banden ontbonden. De grafsteen is wel zeer groot, maar Gods macht is zeer veel groter. Daarom kan de dood niet ongestoord achter de grote grafsteen z'n gang gaan. In het graf van Gods heilig Kind slaat het leven toe en worden de banden van de dood losgemaakt. De Heere leeft! Het graf moet Hem laten gaan! Voorgoed!

Dat nu mogen en moeten Paaskinderen gaan zien en geloven. Daarom is in de vroege morgen een sterke engel gekomen en heeft de steen afgewenteld. Kom, bedroefde Paaskinderen, kijk maar eens in het lege graf en laat daar uw droefheid voorgoed achter, want Jezus leeft. Zijt niet verbaasd, zegt de engel tot verbaasde vrouwen, gij zoekt Jezus den Nazarener, Die gekruist was. Hij is opgestaan. Hij is hier niet; ziet de plaats, waar zij Hem gelegd hadden.

Niet met Pasen gerekend, toch Pasen mogen beleven.

Ja, de Heere leeft. Wat zou Hij nog langer in het graf moeten doen? Hij is waarlijk opgestaan. Nu zal Hij Zich gaan openbaren aan Zijn volk en hen doen delen in Zijn blijdschap: Ik stond op voor u om als de Levende u te leiden in het volle leven voor Gods aangezicht, want Mijn gerechtigheid geef Ik u; Ik zal uw verdorven leven vernieuwen en eens u brengen op de plaats waar geen zonde en verderf meer zijn zal. Droog uw tranen maar, want de Vader heeft Mij lief en ook allen die Mij liefhebben.

* * * Nee, breek over deze vrouwen niet de staf omdat de Heere zoveel werk aan hen had om hen tot het volle Paasgeloof te brengen. De Heiland Zelf valt hen in ieder geval niet hard, maar leidt hen naar de volle vreugde van Pasen zo mag Mattheüs vertellen. Als ze het graf uitgaan, groet Hij hen met het rijzend morgenlicht! Het zijn immers Zijn kinderen. O, Hij heeft met Zijn volk zoveel geduld. Hij is zo lankmoedig, Hij kent Zijn kinderen zo goed. Zijn zij niet allen een heerlijk werk van de herschepping, kinderen der wedergeboorte? Hij weet van hun liefde tot Hem, maar ook van hun kleingeloof en van hun ongeloof. Het is op aarde alles nog maar zo ten dele. Maar eens is dat ten dele voorbij en gaat geloof over in aanschouwen. Weet, dat de Heere, Die ook uw hart kent, u geen verwijten maakt als het u om Hem is te doen. Wie tot Hem komt, al is het met nog zoveel ongeloof en kleingeloof, die hoort uit Zijn mond: Weest gegroet! Want Hij leeft. Roep maar met Luther in al uw aanvechtingen uit: Vivit! Vivit! Hij leeft! Hij leeft!

Het is werkelijk Pasen geworden. Het graf in de hof van Jozef is leeg. Straks komt de dag waarop de Heere alle graven openen zal. Zijn kinderen roept Hij dan tot het eeuwig licht. Geen grafstenen houden dat tegen. Maar de Bijbel zegt ook, dat er een opstanding tot het eeuwig verderf is. Geen grafstenen houden dat tegen. Wie de Vorst van Pasen in ongeloof verwerpt, heeft geen dageraad. Zijn deel is de eeuwige duisternis, de plaats waar wening zal zijn en knersing der tanden. Zeg eens, werd het al echt Pasen voor u?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 maart 2002

Gereformeerd Weekblad | 24 Pagina's

In de hof van de opstanding!

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 maart 2002

Gereformeerd Weekblad | 24 Pagina's

PDF Bekijken