Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Ezra (2)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Ezra (2)

8 minuten leestijd

BIJBELSE FIGUREN

door H. Hartman, Ridderkerk

(Ezra 7, 8, 9 en 10; Nehemia 8 en 9)

Geboden zuivering

Ezra begint dan aan de uitvoering van zijn opdracht om het volk te onderwijzen in en te doen leven naar de geboden van zijn God. Maar dan verneemt hij van de oversten iets, dat hem totaal verbijstert en geheel verslagen maakt. Het blijkt, dat men zich van hoog tot laag, verzwagerd heeft met de omringende heidense volken. Zelfs de leiders van het volk, ook uit de kring van priesters en levieten, zijn daarin meegegaan. Het „heilige zaad" heeft zich vermengd met de: „volkeren des lands".

Ezra is er totaal van ondersteboven. Hoor hem zeggen: „Als ik nu deze zaak hoorde, scheurde ik mijn kleed en mijn mantel, en ik trok van het haar van mijn hoofd en van mijn baard, en zat verbaasd neder" (Ezra 9 : 3). Ezra weet: deze „gemengde" huwelijken voeren het volk naar de rand van de ondergang. Het leidt tot afgoderij.

Er komen van het volk tot Ezra. Ze beven voor „de God van Israël" wegens deze Verbondsbreuk van de ballingen. In een treffend gebed belijdt Ezra de grote schuld van zijn volk. Hij sluit zichzelf erbij in. Verklaart zich solidair met het volk. Steeds gebruikt hij de woorden: „wij" en „ons". Heel dit gebed is één aangrijpende belijdenis: „onze ongerechtigheden zijn ons boven het hoofd gegroeid en onze schuld reikt tot aan de he­ mel" (Ezra 9 : 5-15). Van alle kanten stromen ze nu toe: mannen, vrouwen en kinderen. Hun klagelijk wenen klinkt luid op (Ezra 10 : 1). Hoor, iemand zegt iets tot Ezra. Het is Sechanja. Hij maakt zich spreekbuis van het verslagen volk, en belijdt hun aller schuld (Ezra 10:2). Sechanja stelt voor om een verbond te sluiten met de HEERE en alle heidense vrouwen terug te zenden naar het land van herkomst. Ezra stemt ermee in. Hij neemt de oversten en „geheel Israël" de eed af. Binnen drie dagen zal een algemene vergadering in Jeruzalem de zaak bekrachtigen. Wie weigert te komen, zal uit de gemeenschap van het volk verstoten worden. Hij zal beschouwd worden als een vijand en al zijn goederen zullen verbeurd verklaard worden (Ezra 10 : 8). „Toen verzamelden zich alle mannen van Juda en Benjamin te Jeruzalem in drie dagen; het was de negende maand, op de twintigste in de maand; en al het volk zat op de straat van Gods huis, sidderend om deze zaak en vanwege de piasregen" (Ezra 10 : 9). De negende maand was ongeveer onze november-, decembertijd. Dan kon het in Palestina hard regenen. Ook de temperatuur kon bijzonder laag zijn, zelfs zakken tot beneden het vriespunt. Geen wonder dat de mensen rillen van de koude regenvlagen.

Beslist geen weer voor een samenkomst in de open lucht. Het volk belooft de vreemde vrouwen weg te zenden, maar vragen wel enige tijd: „Het is geen werk van één dag noch van twee, want velen van ons hebben overtreden in deze zaak" (Ezra 10 : 13). Er wordt besloten om geval voor geval te behandelen. In elke plaats zal de overste samen met de oudsten en bijgestaan door de plaatselijke rechter, de schuldigen dagvaarden. Aan het eind van het boek Ezra staat een lange lijst van Israëlieten - onder wie priesters en levieten - die besloten te scheiden van hun niet-joodse vrouwen en met zoenoffers hun spijt betuigden (Ezra 10 : 18^4). Zijn inderdaad alle heidense vrouwen en haar kinderen weggezonden? Uit het boek Nehemia krijgt men de indruk, dat de poging van Ezra maar ten dele is gelukt. Eerst het krachtdadig optreden van Nehemia, zal de uitvoering van het besluit mogelijk maken.

Het optreden van Ezra in deze zaak is bekritiseerd als te diep ingrijpend. Hij zou te weinig rekening hebben gehouden met menselijke gevoelens. Het betrof hier wel een uitzonderlijk geval, niet in het algemeen toe te passen. De Bijbel keurt niet altijd „gemengde" huwelijken af. Denk aan het huwelijk van Boaz en Ruth, en Ruth was nog wel een Moabitische. Maar kennelijk waren de vrouwen van wie hier sprake is, anders dan Ruth: zij wilden geen afstand doen van hun goden.

Men bedenkt voorts, dat het hier ging om de handhaving van de religie: de geboden apartheid van de kerk. Om de antithese, de strijd van vrouwenzaad tegen slangenzaad; de heiligheid die niet in Israël zelf, maar in de Verbondsdaden van de HEERE rustte. Het nemen van heidense vrouwen ging regelrecht in tegen de uitdrukkelijke voorschriften van de Heilige Israels. Daarom eiste Ezra, dat het volk zijn schuld erkende, maar deze belijdenis ook met de daad bekrachtigde. Echte bekering toch komt openbaar in de vrucht: breken met de zonde. Ondertussen stond in Jeruzalem nog altijd het verrezen tempelgebouw te midden van onafzienbare puinhopen. Het was net, alsof één huis wonderbaar was gespaard na een brand of bombardement.

Het boek Ezra is nogal fragmentarisch samengesteld. Iemand noemde het: „losse dagboekbladen". Ook historisch is het een weinig samenhangend geheel. Toch is met enige moeite uit Zefanja 4 : 7-24 op te maken, dat Ezra en zijn mannen begonnen zijn, om de muren van Jeruzalem te herstellen. Maar ook, dat ze daarbij tegenstand kregen van een groep uit het noorden. Dat waren lieden, die eeuwen geleden door de Assyrische koning Assoerbanipal naar Samaria waren gedeporteerd. Ze weten van de Perzische koning een bouwverbod uit te lokken. De muren worden weer omvergehaald en de poorten verbrand. Daardoor duurde in Jeruzalem de toestand van ontreddering voort. Wat aan Ezra niet gelukte, zou door Nehemia tot stand mogen worden gebracht. In enkele maanden heeft hij de muren van Jeruzalem opgebouwd, zodat de stad weer enigzins een verdedigbare vesting was geworden.

Bij de Waterpoort

Na deze gebeurtenissen valt er een stilte om Ezra. Maar dan, in het jaar 444 v. Chr., duikt hij ineens weer op in Jeruzalem. Daarover gaat het in Nehemia 8 en 9.

Op de eerste dag van het joodse Nieuwjaar, verzamelt zich op het plein voor de herbouwde Waterpoort in Jeruzalem een grote menigte. Het volk verlangt, dat Ezra uit de door hem uit Babel meegebrachte Wetsrol zal voorlezen. Ezra voldoet aan dit verzoek. Opdat allen Ezra goed konden zien, had men een „hoge, houten stoel" gemaakt: „En Ezra, de schriftgeleerde, stond op een hoge houten stoel, die zij tot deze zaak gemaakt hadden" (Nehemia 8 : 5). Men zou dit bouwsel de „eerste preekstoel" kunnen noemen. Of, enigszins oneerbiedig, de „houten broek". Vanaf deze „kansel" las Ezra hardop de wet van Mozes. En al duurde de voorlezing van de vroege ochtend tot laat in de middag, het volk luisterde aandachtig naar het boek van de Wet. Of met de woorden van de Statenvertaling: „en de oren van het ganse volk waren naar het Wetboek" (Neh. 8 : 4b). „En Ezra loofde de HEERE, de grote God, en al het volk antwoordde: „Amen, amen!" (Neh. 8 : 7). Zij hieven daarbij hun handen omhoog, bogen zich, en aanbaden de HEERE, met de aangezichten ter aarde. De Hebreeuwse teksten die Ezra voorlas, moesten voor de meeste mensen worden vertaald (8 : 9). Het Hebreeuws was voor hen een vreemde taal geworden. In het dagelijks leven spraken zij Aramees. Vandaar dat er Levieten tussen de mensen door liepen om hen te helpen het te begrijpen. Onder de indruk van wat werd voorgelezen, weende het volk: „Want al het volk weende, als zij de woorden der Wet hoorden." Maar Ezra en zijn assistenten vroegen de mensen niet langer te huilen: „Deze dag is de HEERE uw God heilig: bedrijf dan geen rouw en weent niet" (Neh. 8:10). Dat hielp blijkbaar, want daarna luisterde men onder het genot van „lekkernijen en zoete dranken" (Neh. 8:11, 13). De volgende dag gingen de gezinshoofden, de priesters en de Levieten naar Ezra toe om de Wet nader te bestuderen. Het werd hen daarbij duidelijk, dat het ooit was bevolen om kort na Nieuwjaar het Loofhuttenfeest te vieren (Neh. 8 : 15, 16). De gewoonte om tijdelijk te verblijven in hutten, gemaakt van de takken van olijfbomen, mirtepalmen en andere bladerrijke bomen, was waarschijnlijk in onbruik geraakt. Nu kwam het tot een herleving.

Twee weken later kwamen de Joden opnieuw in een volksvergadering bijeen. Van blijdschap was nu geen sprake. Ze waren in rouwgewaad gekleed en aarde was op hun hoofd. „Zij stonden en deden belijdenis van hun zonden en hunner vaderen ongerechtigheden" (Neh. 9 : 1, 2).

Wie er meer van wil weten, leze het gehele hoofdstuk 9 van het boek Nehemia. We moeten volstaan met door te geven wat iemand erover schreef:

„Het ritueel dat Ezra toen heeft ingevoerd, kwam in feite neer op de vaststelling van de Joodse eredienst, zoals die zou blijven bestaan tot op de verwoesting van de tempel in het jaar 70 na Christus. Dankzij Ezra was Israël voortaan niet langer een groep mensen met dezelfde woonplaats, een gemeenschappelijke afstamming of zelfs een ge- meenschappelijke toewijding tot Jahweh, de God van Israël. Nu betekende Israël de joden: een volk met als voornaamste kenmerk de trouw aan de Thora, de eerste vijf boeken van de Bijbel. Zo kwam de hechte band tot stand tussen de Joodse eredienst en de gehoorzaamheid aan de Wet."

Einde citaat en einde van wat geschreven staat over Ezra de Schriftgeleerde.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 januari 2003

Gereformeerd Weekblad | 16 Pagina's

Ezra (2)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 januari 2003

Gereformeerd Weekblad | 16 Pagina's

PDF Bekijken