Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Ezra, de priester (5)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Ezra, de priester (5)

8 minuten leestijd

JllJJMIlJ

*'< 36öri.^JV.Ch. Rmjgrók, Monster

E vorige maal zagen ^^^e: voordat Ezra Dmet een groep van ongeveer 10.000 volksgenoten uit Babel terugkeert naar Jeruzalem belegt hij eerst een gebedssamenkomst aan de rivier Ahava. Zelf getuigt hij: 'Toen riep ik aldaar een vasten uit aan de rivier Ahava, opdat wij ons verootmoedigden voor het aangezicht van onze God om van Hem te verzoeken een rechte weg voor ons en voor onze kinderkens en voor al onze have' (Ezra 8 : 21).

Ootmoed

Wat ons hier opvalt is dat Ezra zich in zijn gang naar Jeruzalem dus volstrekt afhankehjk weet van zijn God. Hij weet zich helemaal aangewezen op Diens genade, leiding en bescherming. En daarom gaat hij het volk voor ingebed. Een gebed waarbij Ezra en zijn reisgenoten zich allereerst verootmoedigen voor God. 'Toen riep ik aldaar een vasten uit', zegt Ezra. En u weet: 'vasten' heeft in de Schrift altijd te maken met verootmoediging. En dat zegt Ezra ook. Hij voegt eraan toe: 'opdat wij ons verootmoedigden voor het aangezicht van onze God'!

Dit 'vasten'en deze 'verootmoediging'spreken van schuldbesef. Maken duidelijk dat ook al is Ezra priester en al is het zijn verlangen om zijn volksgenoten voor te gaan in de weg van God en in Israël Gods rechten en inzettingen te leren - stuk voor stuk heüige voornemens! - hij toch diep zijn onwaardigheid gevoelt. Anders gezegd: ook al is zijn verlangen goed. ook al gaat het hem in deze terugkeer om de eer en de dienst van zijn God, toch beseft en doorleeft hij: hij en degenen die met hem terugkeren hebben geen rechten. Ze zijn en bhjven zondaren die ook over hun meest heüige verrichtingen het verzoenende bloed nodig hebben. En daarom: 'Toen riep ik aldaar een vasten uit, opdat wij ons verootmoedigden voor het aangezicht van onze God'. Kortom, voor Ezra is Gods genade, bescherming en leiding geen vanzelfsprekende zaak, maar pure genade.

Wordt daarmee alles onzeker, zoals het ongeloof beweert? Komt daarmee alles op losse schroeven te staan, zoals Pelagianen, Remonstranten en Evangehschen tot op de dag van vandaag beweren? Als alle werk en verdienste van ons mensen wordt buitengesloten en w^ij tot in onze heUigste verrichtingen toe - wegtrekken uit 'Babel' en als pelgrim om weg gaan naar 'Jeruzalem' - op genade, op 'vrije' gunst zijn aangevi^ezen, drijft dat de mensen dan tot wanhoop en tot een altoosdurende onzekerheid? Geenszins. Het is juist andersom. Als alles afhankelijk is van óns werk, dan is alles even onvast en onzeker. Want wie zijn wij en wat is ons werk? Maar juist nu alles genade is en vasthgt in Gód, nu komt er ook vastheid, zekerheid en uitzicht.

Vertrouwen

Prachtig komt dat in die gebedssamenkomst aan de Ahava naar voren. Want Ezra roept niet alleen een 'vasten' uit met het oog op de zo noodzakelijke verootmoediging, maar ook als belijdenis van het feit dat zijn hoop en verwachting niet is van mensen of van omstandigheden, maar alleen van zijn God: 'Om van Hem te verzoeken een rechte weg voor ons en voor onze kinderen en voor al onze have.' En zet u dan een dikke streep onder die twee woordjes 'van Hem...'!Dat is: van Israels God. Met het oog op alles wat hem te wachten staat, vertrouwt hij alleen op zijn God

Denk het u in: er wacht Ezra en de zijnen nog een lange en gevaarlijke reis. Ruim 1500 km. van Mesopotamië via Syrië naarJuda.En dat met duizenden mensen. Met vrouwen en kinderen, alsook met allerlei kostbaarheden voor de tempel. Schatten die uiteraard een uiterst aanlokkelijke buit vormen voor de vele roversbenden die langs de karavaanwegen actief zijn. En, zegt Ezra: met het oog daarop had ik natuurlijk best aan koning Arthasasta om een militair escorte kunnen vragen. Alleen, dat wil hij niet. Waarom niet? Dat had hij toch best kunnen doen? Arthasasta was hem toch uiterst welgezind en had er toch zelf ook alle belang bij dat de schatten die hij beschikbaar had gesteld voor de dienst van God veilig in Jeruzalem zouden aankomen?

Laten we eerlijk zijn, als wij Ezra hadden moeten adviseren, hadden we gezegd: man, gebruik je verstand! Neem geen risiko! Vraag erom! Maar Ezra doet dat niet. Nog sterker: Ezra wil dat niet. Waarom niet? Hoor het machtige geloofsantwoord dat hij in vs. 22 geeft. Hij zegt: 'Want ik schaamde mij om van de koning een heer (dat is: een leger) en ruiters te begeren om ons te helpen tegen de vijand op de weg...' En waarom schaamt Ezra zich daarvoor? Hij zegt: 'Omdat wij tot de koning gesproken hadden, zeggende de hand van onze God is ten goede over allen die Hem zoeken, maar Zijn sterkte en toorn tegen allen die Hem verlaten...' (8:22).

Welk een machtig en heerlijk geloofsantwoord] Hoog had Ezra kennelijk tegenover Arthasasta opgegeven van zijn God. Gesproken van Diens macht. Geroemd in Diens glorie en trouw. Dat Hij de eeuwig Levende is. De Koning der koningen en de Heere der heerscharen. En dat Zijn gunst rust op allen die Hem vrezen en dat moeten sidderen allen die Hem verlaten. Welnu, zegt Ezra: als ik dat beleden heb, dan kan ik het volgende ogenblik toch niet om een militair escorte vragen? Wat voor indruk zou dat niet wekken bij de koning? Dan zou het net Hjken alsof ik het met deze God toch niet helemaal durf te wagen. Alsof Zijn macht en genade toch niet echt genoeg zijn. En dat ik daarom - als extra veiligheid toch ook de hulp van de koning achter de hand wil hebben.

Ezra 'schaamt' zich. Nee, niet zoals zovelen van ons om voor zijn God uit te komen. Hij schaamt zich om niet voor zijn God uit te komen. Hij zegt: ik zou m'n God tekort doen, als ik nu nog om extra veiligheidsgaranties van de koning zou vragen. Welnu, dat is nu gelóóf. Dat is nu vertrouwen! Afzien van jezelf. Afzien van aUe andere schepselen en nu voor de volle honderd procentje verlaten op God. Steunen op Zijn macht. Hopen op Zijn Woord. Zinken op Zijn genade: 'Rust, mijn ziel, uw God is Koning/ heel de wereld Zijn gebied'.

Het beeld van Christus

En als we dan vragen: wat is dat nu bij Ezra geweest? Dan zeg ik opnieuw: dat is nu de geest van Christus in Ezra. Christus Die ook restloos steunde op Zijn Vader. En Die, toen Petrus bij Zijn gevangenneming naar het zwaard wilde grijpen - anders gezegd: het van vleselijke middelen wilde verwachten - tot Petrus sprak: 'Keer uw zwaard weder in zijn plaats; Avant allen die het zwaard nemen, zullen door het zwaard vergaan. Of meent gij dat Ik Mijn Vader nu niet kan bidden en Hij zal Mij meer dan twaalf legioenen engelen bijzetten? Maar hoe zouden dan de Schriften vervuld worden' (Mt. 26 : 52-53)? Christus Die telkens alle vleselijke hulp afwees en beleed: Mijn Vader Die waakt en Die zorgt'!

Hoe nodig dat ook wij in dit geloof staan en daarin geoefend worden. NatuurÜjk betekent dat niet dat waarachtig geloof het gebruik van alle middelen uitsluit. Dat als je ziek bent, je geen arts zou mogen raadplegen of als er oorlog dreigt, je geen leger op de been zou mogen brengen. Als later bijv. Nehemia verlof krijgt om naar Jeruzalem te trekken, dan aanvaardt hij wel een mihtair escorte (Neh. 2:9). Maar u voelt: het gaat hier om het principe.VanWie is nu onze verwachting? Wie is nu ons laatste Houvast en onze enige Hoop? En dan mag Ezra door genade zeggen: 'Dat is voor mij de HEERE, de trouwe God van het verbond, Wiens hand ten goede is over allen die Hem zoeken, maar Wiens sterkte en toorn zijn tegen allen die Hem verlaten'!

En weer: hoe nodig dat ook wij in dit geloof geoefend worden. Want hoe gemakke- Hjk stellen we zowel in het persoonlijke, als in het gemeenteUjke, als in het kerkehjke leven geen vlees tot onze arm. Hoe menigmaal moet de levende God niet aan onze levensboom schudden, willen we ons werkelijk restloos verlaten op Hem. Wat moet Hij snoeien, kastijden, tuchtigen, ons laten omvallen met mensen, ons laten doodlopen op onze eigen kromme paden en wegen, wil het werkelijk bij ons zijn: alleen de HEERE! Alleen Zijn Christus! Alleen Zijn macht! Alleen Zijn genade! Alleen Zijn Woord en belofte! Alleen Zijn weg en raad! Uiterst pijnhjk en verootmoedigend soms, maar toch: o zo zalig.

Want juist zó - in die afbraak van al het onze en van alle mogelijkheden die we nog bij onszelf en bij anderen zien - worden we net als Ezra geworpen op God en op Zijn Christus. En wordt ervaren dat Hij toch de Levende is. De God Die het nooit uit de hand loopt. Die precies weet wat Hij doet. Die van grote goedertierenheid is voor allen die Hem aanroepen. Die instaat voor Zijn eigen werk en Die nooit beschaamd degenen die op Hem hopen. En dat het waar is: 'Zijn hand is ten goede over allen die Hem zoeken, maar Zijn sterkte en toorn over allen die Hem verlaten'! Jesaja sprak - en met dat woord willen we dit keer afsluiten, want dat is Hij eeuwig waard: 'Vertrouwt op de HEERE met uw ganse hart, want in de HEERJE Heere is een eeuwige Rotssteen...' Qes. 26 : 4).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 maart 2003

Gereformeerd Weekblad | 16 Pagina's

Ezra, de priester (5)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 maart 2003

Gereformeerd Weekblad | 16 Pagina's

PDF Bekijken