Bekijk het origineel

Melchizedek (2, slot)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Melchizedek (2, slot)

8 minuten leestijd

BIJBELSE FIGUREN

door H. Hartman, Ridderkerk

(Gen. 14 : 18-20; Psalm 110:14; Hebr.5, 6, 7)

Psalm 110

Psalm 110 behoort tot de zogenaamde Koningspsalmen. Ze is waarschijnlijk gezongen bij de troonsbestijging van een koning. In het Nieuwe Testament wordt Psalm 110 op meerdere plaatsen aangehaald. Daar wordt deze steeds op Christus betrokken. Het is dus ook een Messiaanse Psalm. Luther verklaarde: „het is de echte hoofdpsalm; iedere letter ervan is groter en heerlijker dan de toren van Babel". David profeteert in Psalm 110 over iemand, die hij: „mijn Heere" noemt. Deze wordt door God uitgenodigd, zich te zetten aan zijn rechterhand (vers 1). Vervolgens wordt van deze Heere gezegd, dat hij te Sion zijn machtige scepter uitstrekt te midden van zijn vijanden(vers 2). Terwijl zijn vijanden met geweld onder zijn heerschappij worden gebracht, schaart zijn volk zich vrijwillig om de koning heen en volgt zijn leiding (vers 3). „Op de dag dat de heerban opgeroepen wordt, treden zijn jonge gardetroepen aan in hun welverzorgde uitrusting, als een priesterschaar in feestgewaad in frisse kracht en dichte menigte; een verkwikkend schouwspel als de dauw in de vroege morgen". In vers 4 doet de Heere een plechtige eedzwering: „Gij zijt Priester in eeuwigheid, naar de ordening van Melchizedek". Het gaat dus om een vorst, die zowel koning als priester zou zijn. Dat is het bijzondere van deze vorst. Hij zal priester zijn en wel op de wijze van Melchizedek. Er wordt heengewezen naar de zo in nevelen gehulde figuur, die wij in Genesis 14 leerden kennen als koning van Salem en als priester.

Dat priesterschap had hij niet te danken aan een familierelatie. Hij stamde niet af van Aaron. Onder Israël was het priesterschap voorbehouden aan de zonen van Aaron, de Levieten.

Zij waren door God aangewezen om in het heiligdom bezig te zijn in de dienst van de verzoening. Een combinatie van koning en priester was in Israël niet mogelijk. Dat de Heere niet toestond dat een onbevoegde zich bemoeide met de tempeldienst, blijkt uit de geschiedenis met koning Uzzia. Hij had de euvele moed het wierookofFer te willen brengen wat alleen aan de priester was toegestaan. God strafte hem met melaatsheid voor de rest van zijn leven (2 Kronieken 26 : 16-21). Bij Melchizedek was dit geheel anders. Hij had zijn ambt als priester niet door erfopvolging, maar op bijzondere wijze rechtstreeks van God uit de hemel. Dat nietvan-Aaron-zijn deed blijkbaar aan zijn priester zijn niet af of toe. Zijn priester zijn stond op zichzelf. Welnu, zo was de vorst tot wiens eer de psalmist in Pslam 110 zingt, een priester naar de ordening van Melchizedek. Wie was de hier bedoelde vorst? Sommige Schriftuitleggers hebben gedacht aan David zelf. Dan zou het geen psalm uan David, maar voor David zijn geweest. Weer anderen meenden, dat het over de zoon van David, koning Salomo ging. Andere exegeten wezen deze verklaringen op goede gronden af.

Als in Mattheüs 22 : 41-46 de Heere Jezus, Die Zijn diepe lijdensweg moet gaan, aan de Farizeeën vraagt wat ze van de Christus vinden: „Wiens Zoon is Hij? ", geven deze het juiste antwoord: , , Davids Zoon". Maar als Hij vervolgens naar Psalm 110 verwijst en hen vraagt: „Hoe kan David Hem zowel zijn Zoon als zijn Heere noemen? " dan weten zij geen antwoord. Waarom niet? Omdat het hen aan het geloofsinzicht ontbrak omtrent de Messias Die zowel Koning als Priester zou zijn. Ze verstonden de betekenis van Psalm 110 niet, omdat zij een aardse Messias ver­ wachtten. Ze verstonden niets van het eeuwig bestaan en de Godheid van de Messias. Duidelijk is, dat met de koning in deze Psalm niemand anders wordt bedoeld, dan de Heere Jezus Christus. Hij is Koning en tegelijk Priester. Christus is de grote Hogepriester, die profetisch genoemd wordt. „Jehovah onze gerechtigheid en de Vredevorst, Die tevens is Hogepriester in eeuwigheid". Ook Christus was niet Priester krachtens geboorte uit de stam van Aiiron. Hij was uit de stam van Juda en stamde af van David. Hij had dus recht op de troon, maar omdat Hij niet behoorde tot de stam van Levi, kon Hij geen recht laten gelden op het priesterschap naar de orde van Aaron. God heeft Hem echter het priesterschap verleend naar de orde van Melchizedek. „De Messias zou tevens Priester zijn, een Priester voor eeuwig, niet krachtens Aaronitische afstamming. Hij zou Priester zijn op de wijze van Melchizedek: Koning-Priester" (A.H. Edelkoort: „De Christusverwachting in het Oude Testament).

De brief aan de Hebreeën

In de brief aan de Hebreeën wordt uitvoerig ingegaan op wat in Psalm 110 omtrent het hogepriesterschap van Christus werd vermeld.

Nadat de schrijver in hoofdstuk 7 : 1 en 2 de gebeurtenissen verhaald in Genesis 14 : 18—20 heeft gememoriseerd, gaat hij in het verdere van zijn schrijven dieper in op het priesterschap van Aaron en het prieserschap van Melchizedek. Er wordt aangetoond, dat dat van Melchizedek van hogere waarde was dan dat van Aaron. Als bewijs daarvan wordt in Hebr. 7 : 4—10 gewezen op wat reeds eerder werd aangewezen, nl. dat Abraham de tienden aan Melchizedek gaf." Naar aanleiding van Pslam 110:4 wordt in Hebreeën 7 het koning-priesterschap van de mysterieuze figuur van Melchizedek als het aan de Christus eigene, ware, blijvende priesterschap gesteld tegenover het onvoldoende en voorbijgaande van dat van de stam van Levi en het geslacht van Aaron". In het kader van deze bijdrage over Melchizedek kan daar niet dieper op worden ingegaan.

Wel wiUen we nog letten op de mededeling in Hebr. 7 : 3 waar van Melchizedek wordt getuigd, dat hij was: „zonder vader, zonder moeder, zonder geslachtsrekening, noch begin der dagen noch einde des levens hebbende; maar de Zoon van God gelijk geworden zijnde, blijft een priester in eeuwigheid".

Deze wonderlijke uitspraak heeft vele Schriftuitleggers bezig gehouden. Wat betekenen toch deze raadselachtige woorden? Zeker niet, dat Melchizedek een bovenaardse figuur is geweest. De man die volgens Genesis 14 : 18-20 voor Abraham stond en hem zegende, was een mens van vlees en bloed. Dat Melchizedek wel degelijk een vader en moeder heeft gehad en ook een geslachtsregister, daarover zijn de meeste exegeten het eens. Hoe is dan wat in Hebreeën 7 vers 3 staat te verstaan?

Wij hebben te bedenken, dat het daarin niet gaat over Melchizedek als persoon, maar om het door hem beklede priesterambt. „Want de woorden van Hebreeën 7 zijn geen uittreksel uit een biografische statistiek. Ze ge­ ven een openbarings-historische kwalificatie van Melchizedeks ambtelijke positie in het koninkrijk des hemels" (K. Schilder). „Het gaat zowel in Genesis 14 als in Hebreeën 7 niet om Melchizedeks persoon, maar om de gestalte waarin hij optrad; om het heilige ambt dat hij vertegenwoordigde" (A. Kuyper). Zoals we bij Psalm 110 zagen, ging het priesterschap van Aaron over van vader op zoon. Wie in Israël priester was, was dit als behorend tot de stam van Aaron. Zo was het niet met het priester zijn van Melchizedek. De dood van een eventuele voorganger was voor de uitoefening van zijn ambt niet van betekenis. Ook kon Melchizedek het ambt niet doorgeven aan een eventuele nakomeling. In dat opzicht bleef Melchizedek voor altijd priester. Niemand ging hem als priester voor en niemand volgde hem op.Wat zijn priesterschap betreft, was Melchizedek inderdaad: „zonder vader, zonder moeder, zonder geslachtsrekening, noch begin der dagen noch einde des levens hebbende; maar de Zoon van God gelijk geworden zijnde, blijft een priester in eeuwigheid".

Vader of moeder komen er zo gezegd niet op aan. In dit alles was Melchizedek een type of voorbeeld van onze Heere Jezus Christus. In de brief aan de Hebreeën, we zagen dat reeds, wordt aangegeven, dat het hogepriesterschap van Christus, naar de orde van Melchizedek, meer is dan dat van Aaron. Zijn offerande, van enige en eeuwige waardij, maakte aan de dienst van de schaduwen een einde" (Hebr. 9 : 11-28).Wat het priesterschap van Aaron bedoelde en afbeeldde, is verwezenlijkt in deze Hogepriester, Die zijn type en schaduw heeft in Melchizedek, de priester-koning". Zo is Christus de enige en volkomen Hogepriester, Die met Zijn volmaakte offerande aan het kruis, zondaren met God verzoent. Hij is de Hogepriester, Die in alles den broederen gelijk moest worden, opdat Hij een barmhartig en getrouw Hogepriester zou zijn, in de dingen die bij God te doen waren om de zonden van het volk te verzoenen (Hebr. 2 : 17). In Israël moest de hogepriester iedere dag een offer brengen voor zijn eigen zonden en pas daarna voor de zonden van het volk. Maar Jezus heeft eens en vooral het grote offer van Zijn leven volbracht. Hij was Offeraar en Offer tegelijk. „Hij ging in het hemelse heiligdom; Hij verscheen voor God met Zijn eigen bloed. Bloed met schulddelgende kracht, waardoor zondaren met God verzoend worden. Hij zet Zijn werk voort vanuit de hemel, zittend aan de rechterhand van de Vader". Hij is de grote Voorbidder voor de gelovigen, „die volkomen kan zalig maken, die door Hem tot God gaan; alzo Hij altijd leeft om voor hen te bidden" (Hebr. 7 : 25). Zo mag de Gemeente van Christus het loflied aanheffen ter ere van de ware Hogepriester, de Heere Jezus Christus: „dewelke is God boven allen te prijzen in eeuwigheid" (Romeinen 9:5).

Zingen wij in het geloof dit loflied reeds mee?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 maart 2004

Gereformeerd Weekblad | 24 Pagina's

Melchizedek (2, slot)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 maart 2004

Gereformeerd Weekblad | 24 Pagina's

PDF Bekijken