Bekijk het origineel

Gij zult niet doodslaan

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Gij zult niet doodslaan

8 minuten leestijd

(Het zesde gebod) - III

door P. Vermeer, Wilsum

In de twee voorgaande artikelen hebben we het zesde gebod beschouwd in z'n negatieve formuliering: Gij zult niet... En we zagen dat het als verbod heel ver reikt. Zelfs over onze gedachten en ons hart oordeelt het. Stormvrije zones zijn er buiten Christus niet. We kwamen tot de slotsom dat wij allen schuldig staan aan de overtreding van dit gebod. Ook hier is waar dat van nature niemand goed doet, ook niet tot één toe. Daarom moet dit gebod ieder mens veroordelen. Romeinen 3 : 9 w is requisitoir dat op allen van toepassing is.

Evenals een medaille heeft ook het zesde gebod echter twee kanten. Er is ook een positieve kant: Gij zult... Over de laatste gaan we het nu hebben. We mogen namelijk niet vergeten dat het zesde gebod op de tweede tafel van de Wet staat en dus alles van doen heeft met Gods eis om onze naaste lief te hebben als onszelf. Dat geeft ook aan dit gebod z'n glans en glorie en een onuitsprekelijke waarde. De liefde zet het in het licht van de eeuwigheid.

Wie is mijn naaste?

Verschillende keren gebruikten we het begrip naaste. Maar wie is eigenlijk mijn naaste? Aan wie dacht de Heere in Mattheüs 22 : 39 toen Hij Zijn algemene gebod der liefde gaf 'Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf? ' Is er een grens waar voorbij iemand niet meer mijn naaste is? Luther geeft in zijn kleine Catechismus op de vraag wie onze naaste is het volgende antwoord: Ieder mens, hij zij vriend of vijand. Want alle mensen tezamen zijn begrepen in het algemene gebod der liefde, die bij de naaste aan lichaam en ziel alle goeds en niets boos doet, en in de bijzondere geboden van de tweede tafel, die in de liefde vervuld worden.' Hij wijst op de mooie tekst Maleachi 2 : 10: 'Hebben wij allen niet één Vader? Heeft niet één God ons geschapen? ' Wij allen zijn immers van hetzelfde geslacht en dragen allen het beeld van God. Dat geeft een bijzondere verbondenheid met elkaar en houdt tevens in een bijzondere roeping voor elkaar. Ook iemand als Calvijn heeft scherp de eenheid van het menselijk geslacht gezien en daaruit de bijbelse consequentie getrokken dat wij voor elkaar verantwoordelijkheid dragen. Zelfs zij die ons vijandelijk gezind zijn en ons kwaad doen vallen onder het bijbelse begrip naaste. Christus wees daarop in de Bergrede en doorbrak daarmee de Joodse zienswijze dat men wel de broeder moest liefhebben maar de vijand mocht haten. Ieder mens op aarde is mijn naaste. Wel is er verschil in intensiteit. Degene die God op mijn weg plaatst is mij op dat moment nader dan de vele mij onbekende mensen in deze wijde wereld. Dat neemt niet weg dat ook de naaste ver weg mijn naaste is en zeker in onze tijd met haar moderne communicatiemiddelen en reismogelijkheden ineens heel dichtbij kan komen.

We vroegen: wie is mijn naaste? Goed beschouwd is niet het belangrijkste de vraag wie mijn naaste is. Belangrijker is de vraag voor wie ik een naaste ben.Treffend heeft de Heere dat onder woorden gebracht in de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan (Lucas 10 : 25-37). Een wetgeleerde vroeg Hem: wie is mijn naaste? De Heere keert de zaak om en vraagt: 'Wie dan van deze drie dunkt u de naaste geweest te zijn van degene die onder de moordenaars gevallen was? ' Dat geeft aan het woord naaste een bijzondere lading. Het is een actief begrip dat ons in deze wereld handenvol werk geeft. Het wil namelijk doen uitgaan om te zoeken voor wie we een naaste kunnen zijn. Als we dat goed beseffen hoeven we niet bang te zijn dat we onze tijd in ledigheid moeten doorbrengen. Maar hoe geven we aan het zijn van naaste voor anderen inhoud? Daar wil het zesde gebod ons bij helpen.

De positieve eis

Uit het antwoord van Luther begrepen we dat hij het zesde gebod volop plaatst in het licht van de liefde. Terecht ziet hij de geboden van de tweede tafel als verbijzonderingen van het algemene gebod der liefde. Ook onze Heidelberger Catechismus volgt deze lijn. Hij zegt in Zondag 40 dat het zesde gebod van ons vraagt dat we onze naaste liefhebben als onszelf en jegens hem geduld, vrede, zachtmoedigheid, barmhartigheid en alle vriendelijkheid bewijzen, zijn schade, zoveel als ons mogelijk is, afkeren en ook onze vijanden goed doen. De liefde doet en denkt geen kwaad. Wat ze wel doet? De naaste aan lichaam en ziel goed doen. Liefde richt zich op de ander om te helpen, liefde kent ontfermen, liefde dient. Daarmee zijn we bij de eigenlijke bedoeling van het zesde gebod. Het moet in deze goddeloze wereld noodzakelijk eerst heel veel afwijzen om plaats te krijgen voor het eigenlijke: de naaste dienen door de liefde. Deze Hefde ziet niet de persoon aan maar erbarmt en ontfermt zich over wat zichzelf niet kan helpen. De Hefde van de tweede tafel uit zich in heilige activiteit, ze verloochent zichzelf en verraadt vanzelf de Bron waaruit ze komt: God! God is liefde (1 Johannes 4 : 8, 16). Hij is uitgegaan om vijanden met Zichzelf te verzoenen en gaf daarvoor Zijn eniggeboren Zoon. Gadeloze zondaarsliefde. Wij zijn met God verzoend door de dood van Zijn Zoon toen wij nog vijanden waren, zo schreef eens de apostel der heidenen aan de gemeente te Rome (Romeinen 5 : 10). Wie door genade met deze Bron van goddelijke liefde gemeenschap kreeg is een geliefd kind van God en wordt Zijn navolger (vgl. Efeze 5:1). Hij gaat iets van Gods liefde uitstralen naar anderen. Deze liefde zet zelfs voor de vijand het hart open. Machtig is de boodschap van Christus wanneer Hij de Joden met hun eenzijdige broederliefde tegenkomt en zegt: 'Maar Ik zeg u: hebt uw vijanden lief; zegent ze, die u vervloeken; doet wel degenen, die u haten; en bidt voor degenen, die u geweld aandoen, en die u vervolgen; opdat gij kinderen moogt zijn uws Vaders, Die in de hemelen is; want Hij doet Zijn zon opgaan over bozen en goeden, en regent over rechtvaardigen en onrechtvaardigen.' (Mattheüs 5 : 44, 45) Christus legt in Zijn opdracht om onze naaste lief te hebben als onszelf de naaste, hij zij vriend of vijand, heel dicht aan ons hart. Luther in zijn kleine Catechismus en ook onze Heidelberger beschouwen het zesde gebod met name in de persoonlijke sfeer. Daar wil het ook allereerst z'n heilzame werk doen. We mogen echter het zesde gebod ook wijder trekken en verbreden naar de omgang van de volkeren met elkaar. Het zet dan een krachtige rem op allerlei oorlogszuchtigheid en politiek onrecht en wil een sterke impuls zijn voor de zorg van de volkeren voor elkaar. Het rijke westen heeft ongetwijfeld de dure roeping om z'n rijkdom en welvaart te delen met hen die verkeren aan de onderkant van de bestaans-mogelijkheden of daar zelfs doorheen zijn gezakt. Of dat wel voldoende wordt beseft is vers twee.

Besluit

We ronden ons drieluik af met de overweging dat het zesde gebod op allerlei wijze onze wegen kruist. Het ontdekt ons eens en telkens opnieuw aan ons overtreden ervan. Het ziet ons aan en zegt: Gij zijt die man... Daarmee legt het ons onder z'n doem. Het leert ons ook dat we onmogelijk in eigen kracht dit gebod kunnen onderhouden. Als Gods Geest ons stelt voor de heilige eis van dit gebod worden we verslagen en verbrij- zeld. Want Gods gebod is geestelijk, wij zijn vleselijk. In een van ons uit bezien werkelijk hopeloze situatie dringt het gebod ons naar Christus heen en is zo onze tuchtmeester tot Hem Die ook dit gebod plaatsvervangend volbracht en in de uiterste nood aan het kruis zelfs voor Zijn vijanden bad. In Christus en Zijn werk vindt de door schuld verslagen zondaar rust, want z'n zonde is door het bloed van Christus genadig verzoend en z'n schuld weggedaan.

Opnieuw ziet het gebod ons dan in de ogen, niet langer om te eisen maar als liefelijke regel der dankbaarheid. Ja, hoe liefheb ik Uw Wet! En al is ook hier de gang van Gods kind vallen en opstaan en heeft zelfs de allerheiligste nog maar een klein begin van de nieuwe gehoorzaamheid, toch houdt God om Christus' wil de Zijnen voor rechtvaardig. Ook in de eeuwigheid kruist dit gebod de weg van Gods kind. Daar is zijn handel en wandel, ja heel z'n innerlijk en uiterlijk volkomen naar dit gebod. Zo is het een belofte. Kohlbrugge wees daar zo graag op. De dag der eeuwigheid is voor de goddeloze een dag om voor te vrezen, maar voor Gods kind een dag om naar uit te zien omdat dan z'n verlossing volkomen zal zijn. Een dag van zeven zonnen!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 augustus 2004

Gereformeerd Weekblad | 16 Pagina's

Gij zult niet doodslaan

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 augustus 2004

Gereformeerd Weekblad | 16 Pagina's

PDF Bekijken