Bekijk het origineel

OPVOEDING EN ONDERWIJS

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

OPVOEDING EN ONDERWIJS

Het Manna (I)

6 minuten leestijd

't ls weer de tijd der vacanties. De een korter, de ander langer, maar een ieder heeft een rust van de dagelijkse arbeid. Voedsel en drank zijn dagelijks, terugkerende levensbehoeften. Israël werd op hun woestijnreis gevoed door het „Manna", hetwelk de Heere uit de hemel deed regenen. Voor 's Heeren kinderen geldt: door het geloof der werking Gods met Christus, als „het brood, dat uit de hemel nederdaalt" gevoed te worden.

Er was een hemelse smaak vereist, om door het hemelse brood gevoed te worden.

Nu spreekt het vanzelf, dat om zulk een deel te kunnen genieten, onze harten geopend moeten worden en gespeend moeten worden aan deze tegenwoordige boze wereld, moeten losgemaakt worden van alles, wat zich aan ons als natuurlijke mensen, als mensen in het vlees levende, voordoet. Een werelds hart, een vleselijk gemoed vindt Christus niet in het Woord; en indien hij Hem al vindt, zo geniet hij er toch niet van. Het manna was zo zuiver en teder, dat het geen aanraking met de aarde kon verdragen. Het viel op de dauw des nachts (Num. 11 :9) en moest vóór het opgaan der zon verzameld worden. Iedereen moest dus bijtijds op zijn, om zijn dagelijks voedsel te zoeken. Alzo behoort het met Gods Volk nog te zijn. Het hemelse manna moet elke morgen vers opgezameld worden. Het manna van gisteren is niet voor heden voldoende, noch dat van heden voor morgen. Wij behoren Hem vroeg te zoeken, voordat enige andere zaken tijd gehad hebben onze arme bewegelijke harten in bezit te nemen. Velen blijven helaas in gebreke hiervan. De altijd wakende vijand maakt gebruik van de geestelijke traagheid om ons van de zegen en kracht te beroven. Het nieuwe leven in de gelovige kan alleen door Christus onderhouden en gesterkt worden.

„Gelijkerwijs Mij de levende Vader gezonden heeft en ik leve door de Vader, alzo die Mij eet, dezelve zal leven door Mij" (Joh. 6 :57).

Welk een treffend beeld vertoont ons Israël in de woestijn. Egypte lag achter hen, Kanaan voor hen en rondom hen was het zand der woestijn, terwijl zij geroepen waren om, ter vervulling hunner dagelijkse nooddruft, tot de hemel op te zien. De woestijn leverde noch voedsel, noch lafenis op voor het Israël Gods. Jehova alleen was hun deel. Treffend beeld van Gods volk in de woestijn dezer wereld. Hun deel is hier niet. Hun leven, hemels zijnde, zo kan het alleen door hemelse dingen onderhouden worden. Hoewel zij in de wereld zijn, zo zijn ze nochtans niet van de wereld. Als een hemels volk zijn zij op weg naar hun Vaderland en worden ondersteund door het voedsel, dat ze vandaar ontvangen. Hun weg is vooruit en naar boven, het enige pad, dat naar de heerlijkheid leidt. Tevergeefs wenden zij het oog achterwaarts in de richting van Egypte; geen straal der heerlijkheid kunnen zij daar ontwaren.

Dit Manna was, weliswaar, een vreemde spijs; een Egyptenaar had het niet kunnen waarderen, noch verstaan, noch er bij leven; doch zij die „gedoopt waren in de wolk en in de zee", konden, indien zij in gelijkvormigheid aan die betekenisvolle doop wandelden, het genieten en er door gevoed worden. Zo is het thans nog met ieder waar gelovige. De wereld begrijpt niet hoe hij leeft, daar het leven, zowel als hetgeen, waardoor het onderhouden wordt, buiten het bereik van het natuurlijk oog ligt. Christus is het leven van de waar gelovige en hij leeft door Christus. Hij voedt zich door het geloof met de kracht der genadegaven van Hem, die, hoewel: „God zijnde boven allen te prijzen in der eeuwigheid" (Rom. 9:5), „de gestaltenis eens dienstknechts aangenomen heeft en de mens gelijk geworden is" (Fil. 2:7). Hij volgt Hem van de schoot des Vaders tot aan het kruis en van het kruis tot op de troon en vindt in Hem voor elk tijdperk zijner loopbaan en voor elke toestand zijns levens, een onmisbaar voedsel voor de nieuwe mens. Alles wat de ware Christen omringt, zij het ook de heerlijkheid van Egypte, is, zedelijk beschouwd, slechts een dorre woestijn, die niets heeft voor het wedergeboren hart; en naarmate de Christen er zijn leven in zoekt, moet ook de geestelijke mens in zijn wasdom gestuit worden. God heeft zijn ware Volk het hemelse manna toebedeeld, en daardoor moet de ware gelovige steeds gevoed worden.

Hoe treurig is het, Christenen de dingen dezer wereld te zien najagen. Het bewijst duidelijk, dat zij walgen van het hemelse manna en het „als een zeer licht brood aanmerken". Zij versterken hetgeen gedood moest worden; terwijl de werkzaamheid van het nieuwe leven altijd ten nauwste verbonden is met het uittrekken „van de oude mens met zijn werken". Hoe meer hij dit tracht te doen, des te meer zal hij ook begeren zich te voeden „met het brood, dat het hart des mensen sterkt" (Ps. 104 :15). Gelijk in het natuurlijk leven, hoe meer wij ons bewegen, des te meer wordt de honger opgewekt. Zo is het ook in het geestelijke leven, hoe meer de vernieuwde eigenschappen onzer ziel in werking zijn, des te meer zullen wij ook de noodzakelijkheid gevoelen van elke dag met Christus gevoed te worden.

In dit licht bezien kunnen we vele mensen, die zich voor kinderen des Heeren uitgeven, niet vatten, zij geven voor vergeving van zonden in Jezus gevonden te hebben, terwijl zij een menigte zaken, die niets met Christus gemeen hebben, zoeken. Zij vullen hun hoofd met nieuwsbladen en met verschillende verstrooide letterkundige geschriften van de dag. Menen zij Christus daarin te vinden? Is het door zulke middelen, dat de Heilige Geest Christus aan de ziele openbaart?

Is dit de dauw, waarop het hemelse manna, tot onderhoud des levens van Gods volk, in de woestijn neerkomt? Helaas neen. Neen, niet die gesprekken over leraar, ouderlingen en andere mensen zijn zulke middelen, zijn het voedsel, waarin kracht geput kan worden, ze zijn alleen die, waarin het vleselijk gemoed behagen vindt.

Indien een Israëliet verzuimd had in de vroege morgen zijn dagelijks deel op te zamelen, dan zou het hem spoedig aan alle kracht op de reis ontbroken hebben.

Zo de Heere wil, zullen wij de volgende maal op dit onderwerp terugkomen. Zoek voor U zelf en voor uw kinderen, Hem, als de enige Rust, deelachtig te worden. Mochten wij ons tevens met Jezus voeden, als „Het Manna dat verborgen is" (Openb. 22 :17), hetwelk bewaard wordt, als de herinnering aan hetgeen God in de kracht der opstanding in het Heilige der Heiligen voor dat Volk volbracht heeft.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 8 september 1951

Goudse Kerkbode | 6 Pagina's

OPVOEDING EN ONDERWIJS

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 8 september 1951

Goudse Kerkbode | 6 Pagina's

PDF Bekijken