Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Van het geloovr.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Van het geloovr.

13 minuten leestijd

I. VAN GOD DEN VADER.

NEGENDE ZONDAGSAFDEELING.

I.

Om deze oorzaak buig ik mijne knieën tot den Vader van onzen Heere Jezus Christus, uit welken al het geslacht in de hemelen en op de aarde genoemd wordt. Ef. 3:14, 15.

De negende Zondc^safdeeling wenschen we weder in drie artikelen af te handelen, waarin we achtereenvolgens spreken gaan over het Vaderschap, over den Raad Gods, en over de Schepping. Want wel wordt in deze Zondagsafdeeling ook met een enkel woord van de Voorzienigheid gerept, maar toch hoort de bespreking van de Voorzienigheid des Heeren niet hier thuis, maar in de tiende afdeeling.

In Ef. 3 : 14 en IS zegt de heilige apostel Paulus, dat hij zijne knieën buigt voorden God en Vader van onzen Heere Jezus Christus, uit wien alle vaderbetrekking in hemel en op aarde genoemd wordt. Want onze Statenoverzetting leest hier wel: Uit wien 2!^< tgeslacht in de hemelen en op de aarde genoemd wordt", doch dit is hetzelfde. Er staat patria, hetzelfde woord, dat ook voor „vaderland" gebezigd wordt, en dat in zijn ruimste opvatting aanduidt „al wat voortvloeit uit het feit dat er een vader is". Hieruit nu komt de vader zelf, zijn geslacht, de vaderlijke betrekking, het vaderland en wat niet al meer. Ons is het er slechts om te doen, om uit dit eigen woord van den heiligen apostel aan tetoonen, dat de vadernaam dien wij op aarde dragen en bezigen niet oorspronkelok is, maar afgeleid uit den Vadernaam Gods. Niet uit ons wordt de Vadernaam op den hemel overgedragen, maar alle vaderschap op aarde wordt genoemd naar het Vaderschap van den hoogen God. En dit is ons hier hoofdzaak.

Hiermee toch wordt de gewone opvatting van deze zaak omver geworpen. Gemeenlijk immers stelt men zich de zaak zoo voor, dat wij onder ons menschen een vader hebben; dat die vader voor ons de uitdrukking is van zorge en trouw; en dat we alsnu, aan God den Heere denkende, en er op bedacht, om de nog veel trouwere zorge van den Allerhoogste uit Ic drukken, dien naam van den aardschen vader in hoogeren zin ook op God hebben overgedreven.

De vadernaam zou dus naaf die voorstelling oorspronkelijk aardsch en menschelijk zijn, en eerst figuurlijk en overdrachtelijk, bij manier van vergelijking, op God den Heere zijn toegepast.

Maar hiertegen komt nu de Heilige Schrift op, en zegt u, dat het juist omgekeerd is. Neen, ook die Vadernaam is oorspronkelijk goddelijk en hemelsch en is eerst door verzwakking en figuurlijk overgebracht op ons menschen.

Niet God heet Vader naar den aardschen vader, maar de aardsche persoon, die een kind teelt, heet „vader" naar God.

Ziet men dit recht in, dan voelt men ook terstond, hoe de naam van vader onder menschen dit vaderschap slechts op hoogst gebrekkige en beperkte wijze uit­ drukt, en hoe de volheid, de rijkdom en de heerlijkheid van het Vaderschap eeuwiglijk alleen schittert in den Heere onzen God.

En dit nu heeft ook onze Catechismus gevoeld, als hij God noemt: „den eeuwigen Vader van onzen Heere Jezus Christus". Immers dit eeuwige voor „Vader" duidt juist aan, dat de oorspronkelijke rijkdom van het Vaderschap van huis uit in Hem en in Hem alleen ligt, en dat de schepselen in den tijd hun vaderschap eeniglijk uit dien eeuwigen Vader kunnen afleiden.

„Vader" nu in zijn rijkste, ruimste en volste opvatting duidt aan, „den Oorsprong, waaruit leven voorkomt." De namen van Springader, Fontein, Bron, Wortel, Oorzaak en wat dies meer zij, doelen dus alle op het zelfde. Of ge God noemt „de Fontein aller goeden", de „Bron van alle ontfermingen, " de „Springader des levens, " de „Oorzaak van alle heil, " enz., dit komt alles neer op dit ééne dat Hij de Vader is in volstrekten zin.

„Vader" drukt dan ook in zijn algemeensten zin hetzelfde uit als Schepper. Hij, die maakt dat het er komt. Door wiens werking iets ontstaat. Die aanzijn en leven en alle ding schenkt.

En zoo bezien is het noch gezocht noch gewrongen, dat de Catechismus hier én het eeuwige Zoonschap Christi, én de Schepping, én het Kindschap der geloovigen, alle drie uit dien éénen Vadernzasa. afleidt.

Al wat Oorsprong en Ontstaan aanduidt, al wat op Afkomst en Wording doelt, ligt in het begrip van den »Vader." Vader zijn is de Wortel der dingen te wezen. Uitgangspunt en begin; in alle ding de Alpha, de verborgen diepte waaaruit het opwelt; de schuilende Oorzaak waaruit het voortkomt en wordt.

Te belijden: „Ik geloof in God den Vader'" houdt alzoo in, dat men, van alle schepsel afziende, dit uitgangspunt, deze diepste oorzaak, dezen wortel en deze springader aller dingen, niet in menschen zoekt, maar in God. Belijdt ge in „God den Vader" te gelooven, dan spreekt ge daarmee uit, dat ge met alle schepsel in de diepste en volstrektste afhankelijkheid van dien Heere der heeren ligt; dat er geen andere reden van uw bestaan is, dan in Hem uit wien uw aanzijn voortkwam; dat Hem in dank alle ding en alle talent en alle kracht moet toegewijd; en dat uw bestaan, zoo nu als eeuwig, eeniglijk aan Hem hangt.

Komt ge nu op den diepsten wortel die in dezen Vadernaam ligt, dan wijst de Catechismus u, zeer schoon, voor alle ding op de eeuwige Generatie des Zoons. Versta wel, wat hierin ligt.

Is het eenmaal waar, dat God de Heere aller dingen Wortel en Oorsprong, Bron en Springader, Oorzaak en Fontein is, dan behoort het ook tot het eigen Wezen des Vaders, om alzoo Wortel en Fontein te wezen. Derhalve zou dan eigenlijk God de Heere ondenkbaar zijn, zonder zijn Schepping. Want immers als de Fontein fontein is, vloeit er water; als de Wortel tiert, ontkiemt de stengel; als de Oorzaak werkt, wordt er iets. Zoo genomen zou God dus geen Vader kunnen zijn, of er moest dus tegelijk een mensch wezen die zijn kind was. D. i. óf God zou geen eeuwig Vader zijn, óf zijn menschenkind zou mede-eeuwig met Hem moeten wezen.

En tegen die ketterij, om óf het Vaderschap in God eerst later te laten opkomen, Óf de Schepping eeuwig als Hij zelf is te stellen, daartegen belijdt nu de Christelijke kerk: de eeuwige Generatie van den Zoon.

Vader van zijn menschenkind wordt de Eeuwige eerst kter als daï schepsel er is; maar Vader van eeuwig is Hij daardoor, dat Hij van eeuwigheid tot eeuwigheid den Zoon genereert.

Op dit punt aangekomen, dienen we nu intusschen op te merken, dat de Vadernaam door het schepsel óf in engeren zin van den Eersten Persoon in de Drieëenheid kan gebruikt, óf evenzoo van het Goddelijk Wezen zonder Persoonsonderscheiding.

Tegenover het schepsel genomen is Vader, Zoon en Heilige Geest de Schepper en de Fontein aller goeden, en roepen we het Drieëenige Wezen als onzen Vader in de hemelen aan.

Indien we daarentegen nu nader vragen, in welken dezer drie Personen dit Vader-zijn in het Eeuwige Goddelijke Wezen meer bijzonder gevonden wordt, dan luidt het antwoord, dat in het Goddelijk Wezen (d. i. huishoudelijk of oeconomisch) het Vader-zijn in engeren zin toekomt aan den Eersten Persoon. En dit nu drukt de Heilige Schrift uit, door zoo telkens te spreken van den „Vader van onzen Heere Jezus Christus."

Deze „eeuwige generatie" van den Zoon door den Vader mag nu nooit opgevat als afgeloopen, en het is tegen deze verkeerde opvatting, dat niet ernstig genoeg kan ge. waarschuwd. De Vader die f«? « eeuwigheid genereert, genereert ook tot in alle eeuwigheid. Mochten we dus (wat niet kan) de indeeling van den tijd op de eeuwigheid overbrengen, dan zou men moeten zeggen, dat de Vader begonnen is den Zoon te genereeren van voor de grondlegging der wereld; dat Hij al die eeuwen door den Zoon steeds heeft gegenereerd; dat Hij den Zoon nog genereert op dezen eigen oogenblik; en dat de Zoon ook in de toekomst nooit, en tot in alle eeuwigheid nooit anders zijn zal, dan elk oogenblik door den Vader gegenereerd.

Niet, dit verstaat' men, als ware deze genereering dus steeds onvolkomen en niet af, zoodat er nog iets aan ontbrak. Neen, op elk gegeven oogenblik is die generatie volkomen; zoo volkomen dat de Zoon eeuwiglijk op het allervolmaaktst het Zoonschap in zich draagt; maar zoo verstaan, dat Hij, de Zoon, nooit of nimmer Zoon is, dan op dat eigen oogenblik uit den Vader gegenereerd wordende.

Onder menschen is én het vaderschap én het zoonschap hoogst gebrekkig en onvolkomen. Het vaderschap is door het optreden der moeder gebroken in zijn kracht; want een zeer aanmerkelijk deel van hetgeen tot het vaderschap behoort, gaat hiermee op de moeder over. Dan is een vader eigenlijk slechts ten volle vader op het oogenblik dat hij genereert; maar op dat oogenblik teelt hij wat hij niet kent; het komt buiten en tegenover hem staan; en tegen den tijd dat de zoon mensch wordt en uitkomt, raakt hij van vader af, wordt minder zoon, en wordt straks zelf vader.

Dit alles is dus hoogst gebrekkig en onvolkomen.

Het is een schijnsel, een flauwe schaduw van het Vaderschap; maar meer ook niet. Het komt en gaat. Het licht en het taant. Het is er en verdwijnt weder.

Maar bij de „eeuwige generatie des Zoons" is dit alles heel anders. Hier is geen moeder, maar de Vader het één en alles. Ook zijn er geen voorouders, maar alleen deze Vader. In dien Eéne is heel de Brpn. En wat uit die Bron gegenereerd wordt is niet een kind naast een kind, zoodat de Vader slechts één enkelen trek van zijn Wezen in elk dier kinderen overstort, maar er is één Zoon, en die ééne Zoon is het uitgedrukte beeld des Vaders, heel het Wezen van den Vader in dien éénen Zoon. En dat ééne heilig Kind niet opgroeiend, niet allengs ontluikend, maar zonder groei of wasdom, van eeuwigheid tot eeuwigheid onveranderlijk het volle afschijnsel zijner heerlijkheid zijnde. Niet, om zich allengs, na eenmaal geboren te zijn, van den Vader los te maken, maar om eeuwiglijk eenswezens met den Vader, nooit buiten diens Wezen zijnde, en altoos opnieuw, als we zoo zeggen mogen, door Hem gegenereerd.

Zoo wordt dan deze Zoon ook nimmer zelf Vader, maar blijft de Eeuwige Zoon, gelijk de Eerste Persoon de Eeuwige Vader is; en gelijk in den Eersten Persoon het Vaderschap zoo is in den Tweeden Persoon het Zoonschap volkomen.

Het kind-zijn van ónze liefste kinderen is nooit dan flauwe afschaduwing van het Zoonschap gelijk dit in den Eeuwige schittert. Bij Hem geen „broederen" die het Zoonzchap met Hem deelen, of volkomener maken; maar Hij alleen ^^ Zoon in den volstrektsten zin, die in dit woord kan liggen. Het Zoonschap in Hem uitgeput; in Hem volmaakt; in Hem al zijn rijkdom toonend. En al wie straks als „broeders" van dien eenigen Broeder worden ingeleid nooit anders zonen dan door zijn Zoonschap. Nooit iets aan Hem toevoegend, maar wandelend in zijn glans.

Deze eeuwige Vader nu van onzen Heere Jezus is om zijn Zoons Christi wille ook de God en Vader van zijn verkoren kinderen op aarde.

Hier is dus de tweede openbaring van het Vaderschap; niet in één heilig Kind Gods, maar in vele; niet in den Eéngeborene of Eenig-gegenereerde, maar in vele aangenomenen; niet in de eenheid des Wezens, maar in de gemeenschap des Geestes; niet in den éénen Zoon, maar in zijn vele Broederen.

Dat tweede Vaderschap nu ligt ten deele reeds in de schepping des menschen. Vandaar dat de evangelist Lukas in zijn geslachtsregistcr uitdrukkelijk Adam, ook voor zijn bekeering, een kind van God noemt. Zoo toch luidt het slot van Luk. 3 : 38: Enos de zoon van Seth, Seth de zoon van Adam, Adam de zoon van God."

Dit zoonschap van Adam doelde op tweeërlei. Vooreerst daarop dat Adam geen aardschen vader had gehad, maar rechtstreeks, zonder tusschenkomst van aardsche ouders, zijn ontstaan en aanzijn aan God dankte; en in zooverre ziet het eenvoudig op de rechtstrecksche scheppingdaad, toen de Heere hem boetseerde uit het stof der aarde en in zijn neusgaten inblies den adem des levens en alzoo het aanzijn schonk aan een > levende ziel." En ten tweede daarop dat er een soort van gelijkheid tusschen God en dit schepsel bestond.

Vader is iemand te meer, hoe meer in zijn kind zijn eigen wezen terugkeert en weer opleeft. Dan zet een vader zijn eigen leven in zijn kinderen als het ware voort. Het Vader en Schepper zijn loopen dan ook daarin het meest uiteen, dat de Schepper die een star schept, die star scheppen kan zonder dat deze star eenigen trek van ge­ lijkenis vertoont met Hem zelven; terwijl omgekeerd het Vader-zijn altoos insluit, dat er eenige verwantschap en overeenkomst tusschen Vader en zoon besta.

Zoo teelde Adam toen hij vader wierd zijn zoon > naar zijn beeld en zijn gelijkenis" (Gen. 5 : i). En dit nu wordt ook van Adam zelf ten opzichte van den Heere beleden. Ook Adam was beeld Gods op beperkte wijs. Waarlijk beeld des Vaders is alleen de Eenige Zoon. In Hem is het beeld ten volle uitgedrukt: Hij is het «uitgedrukte beeld zijner zelfstandigheid." „Het beeld des onzienlijken Gods."

Nu dat was Adam niet. Om dat te zijn zou hij zelf de eenige Zoon hebben moeten wezen. Maar wel was er in hem iets naar dat beeld. Een trek van gelijkheid en overeenkomst. Zekere trek van verwantschap. Niet als een star of rups of walvisch eenvoudig uit Gods scheppingsmacht voortgekomen, maar zoo, dat er iets aan hem was van God zelf.

Zwak, zeer flauwelijk en op hoogst beperkte wijze derhalve was het beeld Gods in hem afgekaatst. Niet als in den eeuwigen Zoon het beeld van zij'n zelfstandigheid; dat kon niet; maar het beeld van zijn gelijkenis; d. i. van de goddelijke eigenschappen, voor zoover mededeelbaar.

En zoo was Adam dan „zoon van God", en zijn tot op zekere hoogte nog alle menschen „kinderen Gods", naar aanleg en oorspronkelijke bedoeling, in zoo verre, vergeleken bij een steen of een wolk, in den mensch trekken zijn, die aan trekken in de gelijkenisse Gods, zij het ook in omgekeerden zin, herinneren Een gebroken nardusflesch is niets meer waard. En is er geen nardus meer in, en zij kan voor geen nardus meer dienst doen, maar toch is het nog altoos aan de brokstukken te zien, dat het een flesch, voor zulk doel bestemd, geweest is.

Toch is geen onzer meer van nature zoon van God gelijk Adam dit was. Immers bij Adam is ontstentenis van alle tusschenkomst van een geschapen vader en moeder ; maar bij ons niet. Bij ons trad een aardsche vader tusschenbeide.

Bij ons kan derhalve niet dan in zeer verwijderden zin nog van dit vaderschap aller menschen sprake zijn. Vooreerst, omdat er een aardsche vader was die ons teelde en een aardsche moeder die ons baarde. En ten tweede, omdat de oorspronkelijke trekken van het Beeld der gelijkenisse Gods, tot onkenbaar wordens toe, uit ons wegsleten.

Vandaar dat de Catechismus dan ook niet op dit natuurlijk kindschap van Adam teruggaat, maar terstond op hst geestelijk kindschap in Christus komt. „Om zijns Zoons Jesu Christi wille mijn Goden mijn Vader."

Dit nu beduidt, dat langs de lijn van het Adamietisch kindschap nooit weer iets van het kindschap Gods te zien komt. Integendeel, dat slijt steeds meer uit, wordt onkenbaar en gaat geheel teloor.

Maar nu komt er een ander kindschap. Het kindschap van den Zoon. Een kindschap dat geestelijk is. Niet uit de geboorte, maar uit de wedergeboorte. En in dit kindschap nu is het, dat de Vader die in de hemelen is, zichzelven verheerlijkt.

En dit kindschap nu sluit zich wel aan het natuurlijk kindschap aan, want geen leeuw en geen adelaar, maar alleen een mensch wordt wedergeboren.

Doch het blijft hier niet bij.

Het verdiept dit kindschap tot Qsn geestelijke gemeenschap, en neemt het geschapen kind in den Eeuwig Gegenereerden Zoon op, en zoo eerst ontstaat op menschcnlippen het Abba, lieve Vader!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 mei 1887

De Heraut | 4 Pagina's

Van het geloovr.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 mei 1887

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken