Bekijk het origineel

Door eenige ingezetenen

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Door eenige ingezetenen

13 minuten leestijd

Door eenige ingezetenen van Amsterdam en andere plaatsen is het initiatief genomen, om, door een request aan Z, M. den Koning, de handtastelijkheden en gewelddadigheden te stuiten, en de politie tot het volgen'van een rechtvaardiger en waardiger gedragslijn te nopen.

Dit adres was van dezen inhoud:

Aan Z. M. den Koning!

Geven met den hoogsten eerbied te kennen de ondergeteekenden, allen ingezetenen des Rijks, wonende in de gemeente ....,

dat in de jongste maanden in onderscheidene plaatsen des lands gebeurtenissen, meest van kerkelijken aard, hebben plaats gegrepen, waarin op allerlei wijze de politie gemengd wierd of zich mengde uit eigen hoofde;

dat deze inmenging der politie, op grond van Art. 3 der Grondwet nooit eenige andere strekking had mogen hebben, dan aan een iegelijk die aan zijn persoon of eigtndom, door andcrer machtsoverschrijdingof gewelddadigheid, schade dreigde te lijden of leed, van Overheidswege de vereischte bescherming te verkenen, en voorts de openbare orde tegenover eiken rustverstoorder te handhaven;

dat echter, naar zij, requestranten, uit andere plaatsen vernamen, en zelven in de plaats hunner woning bemerkten, het optreden der politie herhaaldelijk een karakter droeg, dat met deze hooge roeping in strijd was;

dat de feiten, waarop deze overtuiging, voorzooveel hun woonplaats aangaat, berust, in een bij dit request gevoegd relaas zijn medegedeeld;

en dat requestranten, ten ernstigste betreurende de onzekerheid, die door deze houding der politie in de gemoederen is geworpen, en duchtende, dat, wierd dit kwaad niet in zijne opkomst gestuit de ergelijkste en voor ons vaderland, als land van Christelijke beschaving meest onteerende tooneelen te wachten staan; — te rade zijn geworden, zich tot Uwe Majesteit te wenden met het eerbiedig verzoek, dat het Haar behagen moge naar deze gewraakte houding der politie een onderzoek te doen instellen, en vaorts al zulke maatregelen te nemen als kunnen strekken, om de politie van alle oorden des lands wederom gelijk behoort te doen optreden, als boven alle partijen staande en onder burgers van alle schakeering handhavende eenerzijds de publieke orde en anderzijds elke veiliglieid van persoon en ongestoordheid van bezit en beheer; dit laatste bij geschil in afwachting van de uitspraak van den bevoegden rechter.

Hetwelk doende enz.

Hierbij was, voor wat Amsterdam aangaat, dit relaas gevoegd.

RELAAS.

In meer dan één opzicht meenen de ondergeteekenden recht tot beklag te h.ebben over de handelingen van de politie bij de geschillen, die zich sedert het begin des vorigen jaars binnen de grenzen van het talrijkst Kerkgenootschap te dezer plaatse hebben voorgedaan.

Telkens overschreed de politie de grenzen harer bevoegdheid, en immer met dit gevolg, dat het profijt van dat optreden kwam aan wie in deze geschillen tegenover ondergeteekenden staan.

Zij wenschen de gevallen, door hen bedoeld, nader mee te deelen.

De stoffelijke goederen der gemeente, daaronder de Kerkgebouwen met bijbehoorende lokaliteiten begrepen, staan onder het beheer van eene Commissie, gewoonlijk aangeduid met den naam van College van Kerkvoogden, doch wier volledige titel aldus luidt: Commissie tot het bestuur over de kerkgebouwen., goederen., fond sen en inkomsten der Nederduitsche Hervormde Gemeente.

Deze Commissie is verplicht bij onderscheidene gelegenheden de lokaliteiten, waarover zij het beheer heeft, tijdelijk ten gebruike te stellen van [andere Kerkelijke Colleges, maar zonder dat toch ooit het ^beheer aan de Commissie van Kerkvoogden kon onttrokken worden.

Vandaar moest het de Kerkvoogden wel zeer verwonderen, toen zij op den avond van 4 Januari 1886, politieagenten aantroffen in een der gebouwen behoorende bij de Nieuwe kerk, welk gebouw, behalve de kamer aan den koster ter woon gegeven, ook eenige vergaderzalen bevat. Deze agenten verklaarden voorts uit­ rukkelijk aldaar alleen te zullen voldoen aan de bevelen van den heer A. J. Westhofl', preikant bij deze gemeente, en destijds Voorzitter van den Kerkeraad, welke heer zich mede in bedoelde lokaliteit bevond en door deze agenten den toegang deed bewaken tot eene zaal, die beurtelings dient:

1°. voor vergaderingen van den Kerkeraad;

2°. voor vergaderingen van de Kerkvoogdij;

3°. voor vergaderingen van de Classis;

4°. voor vergaderingen van het Presbyteiie;

5°. voor vergaderingen van heeren Collectanten;

6°. als stembureel van Kerkeraad of Kerkvoogdij;

7°. voor losse bijeenkomsten;

8°. voor te houden Bijbellezingen;

9°. voor te houden Cursussen.

Zooals gezegd werd, had nu de Voorzitter van den Kerkeraad aan politieagenten bevolen de deur van de vergaderzaal voor een ieder gesloten te houden, zoodat aan heeren Kerkvoogden de toegang belet werd tot eene lokaliteit, die niet alleen hun vergaderzaal is, evenzeer als zij dit voor den Kerkeraad is, maar ook voortdurend alleen onder hun beheer staat.

Enkele Kerkvoogden waren dien dag in hunne qualiteit als lid van den Kerkeraad provisioneel geschorst. Toch kon dit moeilijk het beheer van bedoelde lokaliteit aan het College van Kerkvoogden ontnemen.

Zelfs hadden de als lid van den Kerkeraad geschorste personen daarmee niets van hunne bevoegdheid als Kerkvoogd verloren.

Immers hield het Reglement voor het College van Kerkvoogden reeds sedert 1875 deze bepaling in: »Wanneer een lid der Commissie, een der stemgerechtigden, of wel een der beambten, onverhoopt onder kerkelijke censuur, van wat aard ook, mocht gesteld zijn, beslist de Commissie, of, en in hoeverre deze censuur gevolgen heeft voor de rechten des betrokkenen, hem krachtens eenige bepaling van dit Reglement toekomende of toegekend. In elk geval blijft tot op deze beslissing de zaak in haar geheel en de betrokkene in functie.”

Ondergeteekenden merken op, dat eene/; -< ; visioneele schorsing niet onder het begrip van censuur of kerkelijke straf valt, evenmin als preventieve hechtenis het karakter draagt van straf.

Doch nu zelfs censuur niet per se de bevoegdheid van den Kerkvoogd doet vervallen, hoeveel te minder zal dit dan gelden ten opzichte van een maatregel, die niet eens het karakter van censuur draagt.

En al ware provisioneele schorsing als censuur te beschouwen, dan bleef de getroffene volgens het Reglement, gelijk dit in het jaar 1875 gewijzigd was, nochtans in functie, totdat het College van Kerkvoogdenzelf over de gevolgen der censuur zou hebben beslist.

Eene vergadering van heeren kerkvoogden was echter tusschen den voormiddag van 4 Januari 1886, toen de provisioneele schorsing bekend werd, en den avond van denzelfden dag, waarop deze inmenging der politie plaats greep, niet gehouden.

Doch al moest men, op welken grond dan ook, aannemen, dat de als Kerkeraadslid geschorste personen tevens hunne bevoegdheid, om als kerkvoogd op te treden verloren hadden, dan zou dasirdoor toch het beheer van de gebouwen niet uit handen van het College van Kerkvoogden zijn gekomen.

En de heer Westhoff, die politieagenten in meergenoemde lokaliteit had gebracht, behoorde hier tot, noch handelde op last van dat College.

Deze persoon was dus tot wat hij had gedaan zeer stellig onbevoegd, en aan de politie ontbrak alle grond, om hem daarbij tegenover de wettige beheerders te steunen.

Ondergeteekenden willen niet verzwijgen, dat na eenigen tijd de politie zich uit deze lokaliteit heeft teruggetrokken, maar daarmede wordt niet ongedaan gemaakt, dat zij eenigen tijd aan een gansch onbevoegd persoon haren steun heeft verleend in het onttrekken van eene lokaliteit aan hen, die het beheer daarover oefenden.

Van nog meer gewicht, ook in gevolgen, is hetgeen waarop ondergeteekenden in de tweede plaats de aandacht wenschen te vestigen.

22 Juni des vorigen jaars werden door heeren kerkvoogden in verschillende der onder hun beheer staande gebouwen bijzondere bewakers gesteld, welke bewakers door Kerkvoogden in persoon op hun post werden gebracht, en van eene schriftelijke lastgeving van Kerkvoog • den werden voorzien.

Weinig tijds echter nadat heeren Kerkvoogden zich verwijderd hadden., deze bewakers achterlatende, heeft de politie er i? i weten te slagen, binnen vier dezer gehouwen te komen, en de door Kerkvoogden iti de onder hun beheer zich bevindende gebouwen geplaatste bewakers daaruit te verwijderen.

De politie heeft ten deele getracht haar gedrag in dezen te verdedigen met de bewering, dat zij verplicht was op verzoek der kosters ieder uit de woning dezer kosters te verwijderen, dien zij daarin niet wilden toelaten; dat de gestelde bewakers zich in de woning des kosters bevonden, en dat de koster hare hulp had ingeroepen.

Ondergeteekenden merken daartegenover op, dat nergens de bewakers gesteld waren in dat gedeelte der verschillende gebouwen, dat tot uitsluitend particulier gebruik van den koster aangewezen is. Immers dient de gang, welke leidt tot de vertrekken voor den koster van de Oude-Zijds-Kapel, — en die welke leidt tot de vertrekken voor den koster van de Nieuwe-Zijds-Kapel, — en uit deze gangen zijn de bewakers verwijderd, — tevens om tot andere lokaliteiten te komen, bepaaldelijk ook om te komen tot de kamer van Kerkvoogden,

Ook al moet men dus de kosterij als een woning beschouwen, waaruit de koster als privaatbewoner ieder kan doen verwijderen, die daarin tegen zijnen wil vertoeft, dan geldt dit toch niet van deze gangen, waaruit de politie de bewakers heeft verdreven.

En wat de andere plaatsen betreft, waarde politie op gelijksoortige wijze is te werk gegaan, zoo merken de ondergeteekenden op, dat daaromtrent het beweren, als zou het hier bloot - gelden de bescherming van iemands huisrecht, nog minder volgehouden worden kan.

Immers waren bij de Oosterkerk bewakers gesteld achter eene poort, die uitkomt in de Groote Wittenburgerstraat, aan de andere zijde van welke poort zich eene opene plaats bevindt, over welke men wel komt tot de vertrekken, die ter bewoning voor den koster van de Oosterkerk aangewezen zijn, maar zonder dat die opene plaats zelve uitsluitend voor particulier gebruik van den koster is bestemd.

Toch heeft de politie ook de bewakers verdreven uit deze opene plaats.

En wel het allerminst zal bovenvermeld beweren kunnen rechtvaardigen, ^ at de politie in de Eilandskerk heeft gedaaji.

Kerkvoogden hadden in het voorportaalvan dat Kerkgebouw wakers gesteld, die slinks verrast werden door politieagenten, welke uit een der voor den koster bestemde vertrekken te voorschijn kwamen, op die wijze] zich den toegang tot het Kerhgebmmi hebben weten te verschaffen; daar de bewakers hebben aangegrepen; aan een hunner met geweld den hem door Kerkvoogden toevertrouwden sleutel van het Kerkgebouw hebben uit den zak ''gehaald; daarna de deur hebben ontsloten; toen de bewakers naar buiten hebben geduwd, om voorts de deur achter hen te sluiten.

Ten opzichte dus van geen der gebouwen, waarin de politie op den 22 Juni tegen de door de Kerkvoogden daargestelde bewakers opgetreden is, kon dus hare houding verdedigd worden met de bewering, dat het hier slechts gold de bescherming, die aan lederen burger verleend wordt, om uit zijn huis te doen verwijderen, wien hij daarin niet wil hebben.

Trouwens al kon, wat de lokaliteit betrof, dit beweren wel worden volgehouden, dan zou het in casu toch niet kunnen leiden tot rechtvaardiging van wat men toen heeft gedaan.

Immers stond hier de koster tegenover personen, die, evenals hij, hun recht aan eene aanstelling vanheeren Kerkvoogden ontleenden. Men had hier te doen met verschillende ondergeschikten van denzelfden superieur. Zou de politie evenzeer bereid zijn geweest, om op verzoek dezer bewakers den koster te verwijderen?

Van te ernstiger beteekenis is wat de politie heeft gedaan, omdat zij zelfs op het oogenblik van haar optreden zonder veel moeite begrepen heeft, of had kunnen begrijpen, met welke bedoeling de kosters hare hulp verzochten. Twee Commissies pretendeerden recht van beheer over genoemde gebouwen te hebben.

Feitelijk heeft het optreden der politie alleen hiertoe gestrekt, om het beheer te brengen uit handen van de Commissie, die destijds het beheer had., in handen van de Commissie., die beweerde het beheer te moeten hebben.

Het is zelfs niet hierbij gebleven, dat de politie hare hulp verleend heeft, om op verzoek van den door heeren Kerkvoogden aangestelden koster te doen verwijderen andere, mede door diezelfde Kerkvoogden aangestelde bewakers.

Nog één stap verder is de politie ook gegaan.

30 Juni vervoegden zich twee der Kerkvoogden, wier bevoegdheid door geen der partijen betwist wordt, aan de deur van het dusgenaamde kostershuis van de Westerkerk, welke deur, behalve tot de vertrekken voor den koster aangewezen, ook de toegang is om te komen tot de kamer voor de vergadering van Kerkmeesters bestemd.

De koster heeft toen aan zijn superieur, den Kerkvoogd, den toegang belet tot de voor uitsluitend gebruik van heeren Kerkvoogden bestemde kamer, door niet te gedoogen, dat de Kerkvoogd door de gang ging, die behalve tot de kamers, welke de koster bewoont, ook de gewone doorgang naar de Kerkmeesterskamer is.

Ten leste is ook hier de politie tusschenbeide getreden. Eenerzijds wilde de Kerkvoogd, dat de politie hem den toegang tot de Kerkmeesterskamer banen zoude. Aan den anderen kant vraagde de koster, dat de politie, den Kerkvoogd, zijn superieur, verwijderen zou uit het gebouw, waarover de Kerkvoogd mede toezicht had te houden, uit de gang, die onder meer voerde tot de kamer, waar heeren Kerkvoogden vergaderen.

Eindelijk heeft de politie zich niet ontzien een der Kerkvoogden, op verzoek van zijn ondergeschikte, den koster, met geweld te verdrijven uit het gebouw, waarover de Kerkvoogd met anderen het beheer had.

Ook hier heeft feitelijk bovendien het optreden der politie gestrekt tot dezelfde uitkomst, waartoe haar optreden op de vier hiervoren genoemde plaatsen heeft geleid; te weten: om het beheer over de Westerkerk en bijbehoorende lokalen over te brengen uit handen van de Commissie, die het beheer had, in handen van de Commissie, die op dat beheer aanspraak maakte.

Tevens ging afschrift naar de Tweede Kamer onder bijvoeging van deze missive:

Aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

Geven met verschuldigden eerbied te kennen de ondergeteekenden, allen ingezetenen des Rijks, wonende in de Gemeente ,

dat naar aanleiding van de h. i. onverklaarbare en onverdedigbare houding der politie bij voorkomende moeilijkheden van Kerkelijken aard, door hen een verzoekschrift aan Z. M. den Koning is ingediend, waarin op redres wordt aangedrongen,

en dat zij afschrift van dit lequest en zijne Bijlage hiernevens aan de Kamer doen tóe­

komen. Hetwelk doende, ene.

In dezen stap ligt iets goeds.

Tot welke richting men ook behoort, elk ernstig man zal het betreuren, dat de Classicale kerkelijken zoo weinig eerbesef en gevoel van waardigheid toonden, en bij elk conflict dat uitbrak, ijlings geneigd bleken, om geweld te plegen en de politie te laten optreden.

Dit is te betreuren om den Naam des Heeren, en te betreuren eveneens uit een oogpunt van burgerlijke orde.

De kerk moet, ook al geraakt ze in conflict, de burgerlijke saamleving zegenen en stillen, maar niet verontrusten.

Had men dan ook te doen gehad met Roomsche of Joodsche autoriteiten, dan is er geen quaestie van, of er zou door de Regeering een stipt eerlijke en neutrale houding zijn aangenomen.

Maar wat is het geval?

Bij zulk een conflict over Avond maalsattesten, doet zich soms het geval voor, dat de Burgemeester zelf een dochter, of de Procureur-Generaal zelf een zoon bij de „aannemelingen" heeft, en natuurlijk, dan is men, willens of onwillens, zelf in zijn genegenheid of afkeer bevooroordeeld.

En juist de droeve omstandigheid, dat bijna alle autoriteiten zelven als leden der kerk in het conflict gemengd waren, heeft hun soberheid en integriteit op zoo ernstige, blijkbaar vaak te zware, proef ge-; steld.

En nu jammeren we daar niet over.

Ook deze heeren zouden geen macht over ons gehad hebben, zoo het him niet van boven gegeven ware.

Och, goede Calvinisten zijn tot morren zoo zelden geneigd.

Maar ter stuiting van dit onrecht en om een tegenwicht in de schaal te leggen, is het dan toch goed, dat er weer eens een stem voor gerechtigheid en billijkheden opging.

We zullen nu afwachten, of althans de Koning een eind zal maken, aan wat in in zoo hooge mate den eerbied voor de Overheid krenkt.

KUYPER.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 8 mei 1887

De Heraut | 4 Pagina's

Door eenige ingezetenen

Bekijk de hele uitgave van zondag 8 mei 1887

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken