Bekijk het origineel

Collegiaal stelsel.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Collegiaal stelsel.

5 minuten leestijd

Mogen we nog met een enkel woord terugkomen op het Collegiaal systeem in verband met wat J. H. D. hieromtrent opmerkte.

Men mag het Collegiaal-systeem, gelijk dit door de Fransche revolutie tot uitdrukking kwam, volstrekt niet afmeten naar hetgeen Puffendorf in 1687 en PfafF in 1719 in hun keurige kerkrechtelijke systemata hierover schreven.

Pufifendorfs en Pfafifs bedoeling was alleen om voor de Christelijke kerk, als zijnde een zelfstandig college of societas autonomie tegenover den Staat te bedingen; en als zoodanig staat het dus triomfantelijk tegenover het Territoriaal-syst^Qm. Negatief school er in beide deze uiteenzettingen dan ook veel uitnemends en nóg zou de lezing dezer beide hoofdwerken nut kunnen stichten, ook voor de zuivere critiek op het Reglement van I869.

Doch hiermee is men nog volstrekt nfet toe aan de latere ontwikkeling van het Collegiaal-systeem, die thans ingang vond, en uit een vermenging van tweeërlei reeksen van denkbeelden is ontstaan.

In Duitschland namelijk, en ook elders, heeft zich geheel onafhankelijk van Puffendorfs en Pfafifs kerk-ideeën, op staatsrechtelijk gebied een strijd ontwikkeld tusschen de Bureaucratie en het Collegiaal-systeem; nu natuurlijk in geheel anderen zin dan bij Pfafif en Pufifendorf genomen.

Bij dezen staatsrechtetijken strijd toch gold het de vraag, of in eiken kring door de meerderheid der belanghebbenden, dan wel naar een vaststaande orde zou beslist worden, en was het Collegiaal-systeem de uitdrukking voor de theorie, dat i/g + i der leden almachtig was, en met absolute souvereiniteit kon beslissen.

Dit nu overgebracht op de kerken leidde tot het valsche stelsel, alsof de kerken niet van goddelijken oorsprong, en niet openbaringen van een onveranderlijk onzichtbaar Wezen waren, maar wilkeurige scheppingen van een aantal individuen.

En zoo nu kwam het, dat in den stroom dezer revolutionaire denkbeelden, al meer het essentieel karakter der kerk als een goddelijke stichting wegdook, en het valsche denkbeeld er voor in de plaats trad, dat alle personen of burgers in heel het land, die op godsdienstig terrein saam wilden werken, saam ééne univ er sit as personarum of één Collegium d. i. één genootschap, uitmaakten.

Van plaatselijke kerken wist men daarbij niet. Elke gezindheid vormde één landskerk, één college voor de geheele natie, en voor den rechter gold in niets uw aanhoorigheid tot uw plaatselijke kerk, maar uitsluitend uw aanhoorigheid tot het algemeen Collegium of Landsgenootschap.

Of nu al de leden van zulk een genootschap de Drie formulieren als belijdenis bij het Gouvernement aangeven, verandert dus aan het Collegiaal-systeem niets.

Geven ze morgen een geheel andere belijdenis op, ook goed. Daar zal hun geen haar om gekrenkt worden.

En zoo morgen den dag door de Christelijke Gereformeerde kerk aan het Gouvernement bericht wordt, dat ze den Racowschen Catechismus hebben aangenomen, zal het Gouvernement dit stil voor kennisgeving aannemen.

Het eenige waar het voor het Gouvernement op aankomt is maar om alle „Christelijke Gereformeerden" saam als één collectie, als één groep, als één college, als één genootschap saam te vatten; een collectie die. ge dan later splitsen kunt in afdeelingen en onderafdeelingen zooveel ge wilt; zoo ge maar dit ééne vasthoudt, dat het alles saam één collectie is, en dat juist gaf het Reglement in art. 2 toe. Niet een genootschap van ruim 300 kerken, neen, maar een genootschap van 160, 000 gescheidenen, over heel het land verspreid, en op allerlei manier gedeeld.

Of ge nu voorts in dit college, in deze collectie, in deze groep, in dit genootschap trapsgewijze of met alle man wilt stemmen, dat doet er voor den Staat wederom niets toe. Mits voor den Staat maar vaststa, dat de leden, stemmende op de door hen zelven aangenomen wijze, met '/j - j-i de zaak kunnen uitmaken.

En nu spreekt het vanzelf, dat è, & plaatselijke kerken, zoo ze erkend willen zijn, er niets aan doen kunnen dat de Regeering haar verplicht in dit revolutionaire, on-Christelijke en on-Schriftuurlijke kader in te gaan.

En voor een plaatselijke kerk hindert dit dan ook niet, omdat de plaatselijke kerk toch ook naar goddelijk recht één geheel en één samenhangende groep van persoonlijke leden uitmaakt.

Maar om, gelijk het Reglement van 1869 deed, dit Collegiaal systeem nu ook op alle kerken saam toe te passen, en alzoo alle leden van alle kerken eerst als eenlingen te nemen, en allen in één genootschap sa& m te binden, en ze dan pas in plaatselijke afdeelingen te gaan indeelen, dat is best voor het Nut en uitnemend voor een Afschaffingsvereeniging, maar dat gaat niet aan voor kerken van onzen Heere Jezus Christus; dit kan voor de Schrift niet bestaan; en is het kerkrecht onzer vaderen onderstboven keeren.

En om dan als men eenmaal deze revoloutionaire theorie koos, er dan nog de kerkenordening van Dordrecht op te willen enten, zie, dit rust metterdaad op zoo zonderlinge verwarring van begrippen, dat het slechts op genezing van het kerkelijk Daltonisme wacht, om alle heldere denkers onder de „gescheidenen" aanstonds zelven te doen inzien, dat dit toch heusch niet aangaat en op den duur niet kan.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 15 mei 1887

De Heraut | 4 Pagina's

Collegiaal stelsel.

Bekijk de hele uitgave van zondag 15 mei 1887

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken