Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

„Liefde door den Heiligen Geest.”

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

„Liefde door den Heiligen Geest.”

15 minuten leestijd

[PINKSTEREN.]

En de hoop beschaamt niet, omdat de liefde Gods in onze harten uitgestort is door den Heiligen Geest, die ons is gegeven. Rom. 5:5.

Pinksteren is een heerlijke vierdag; maar de stoffe onzer indenking en de heilige prikkel onzer blijdschap ligt op ons Pinksterfeest zeer diep in het geestelijke verscholen.

Deze Heilige Geest, die op den Pinksterdag nederdaalde, is eeuwig en wraarachtig God, medewezend en mede-eeuwig met den Vader en den Zoon, van dien Vader en dien Zoon uitgaande.

„Ziehier, o, Sion, hier is uw God!" luidt ook de jubeltoon als de Heilige Geest nederdaalt.

Alleen maar het is dnders dan bij de vleeschwording des Zoons. Hier is geen kribbe, hier zijn geen windselen, hier zingen geen engelenscharen. Hier bij het komen van den Heiligen Geest is niets dat uw oog ziet, uw oor hoort of uw hand tasten zou van den Geest des levens.

Ja, er klonken ook geluiden, er blonken ook vuurvlammen, maar niet om duurzaam zich te herhalen. Voor eens. Meer als zinnebeeld dan als werkelijkheid. Een teeken der zaak; niet de zaak zelve, die gansch geestelijk, wegschool in het zielsmystcric.

En toch is ook hier een komen van uw God, o, Sion. Niet in zwakker of uitwendiger, maar zelfs in inniger en dieper zin nog dan in het Paradijs of op Sinaï of bij Bethlehems kribbe, want hier komt uw God niet maar tot u, maar in u. Niet om onder u, maar in u woning te maken. En niet om als uit het Paradijs weer weg, of met een Hemelvaart weer van u te gaan, maar om eeuwiglijk met u te zijn en duurzaam met u te blijven.

Een mysterie van onuitsprekelijke majesteit, maar dat daarom juist ons meer verbaast dan toespreekt, meer verwondert dan de ziel verwint.

Sion durft het niet aan, dat haar God in deze uitstorting des Heiligen Geestes tot haar is gekomen. Ze mist den heiligen geloofsmoed, om dit ontzaglijke en volheerlijke, dat God haar zich zelven ten tempel koos, recht eigenlijk in te denken. En daarom verandert ze het heuglijk feit, en verlaagt en verkleint ze de daden des Heeren, en maakt ze, in haar kleingeloof en ongeloof er van, dat wel een deel van Gods heilige kracht, maar niet God zelf op den Pinksterdag tot Sion is gekomen.

Opmerkelijk, niet waar?

Als bij de kribbe van Bethlehem iemand beweren durft: „Die tot u bij die kribbe kwam, is niet God zelf, maar slechts een kracht Gods 1" dien weerstaat al 's Heeren volk, want zulk een spreekt in haar oor godslastering.

Maar als op Pinksteren nu niet God de Zoon, maar God de Heilige Geest tot zijn Tempel komt, dan mag een ieder vrij dit tweede wonder van goddelijk mededoogen door eigen verzinsel en verdichtsel te niet doen, en de Gemeente des levenden Gods merkt het nauwlijks op.

En daarom worde deze Pinksterzonde der Gemeente met vuur en ijver bestreden ! Schuld, schuld over Sion is het, zoo Sion te ongeestelijk is, om zoo groot een heilgeheim in te drinken! Driewerf schuld over het erfdeel des Heeren, zoo Hij komt en Sion merkt het niet, en cijfert het komen van zijn God weg door te bazelen van een komen van zijn kracht!

Neen, om heiliger zin, om heiliger kracht, om heiliger geest ware geen Pinksteren van noode geweest. Daarvan zong ook de Psalmist, daarvoor dankte reeds de Profeet van Jehovah.

Niet heiliger geest en niet heiligende geest, maar de Heilige Geest is op den Pinksterdï^ tot zijn Tempel gekomen!

Eener ziele zaligheid is, van God gekend te zijn en als uitwerksel daarvan haar God te mogen kennen; nu ten deele; eens zooals we gekend zijn.

Alle aandrift, alle spanning, alle streven der ziel moest er in Gods kind dus op gericht zijn, om op het allernauwst en allerinnigst met dat Eeuv/ige Wezen in blijvende gemeenschap te geraken.

Dat moet niet maar een vroom zeggen, een vroom verlangen, een vrome wensch zijn; neen, maar een dringen en persen der ziel; een niet kunnen rusten eer het bereikt is; zooals de honger prikkelt en geen verademing gunt * zoo ook moet dat heimwee der ziel u prikkelen; of waarom het niet met den Psalmdichter gezegd, zooals een hert, dat moegejaagd is door de honden en dat niet meer kan, dorst en hijgt naar frissche waterstroomen, zóó moet heel Sion, en in Sion elke Sionsziel, hijgen en dorsten naar de frissche levensstroomen, die vloeien uit den levenden God.

Maar zoo diep zonk alle ziel der menschen, e dat zij in hun zelven dien God niet zoeken maar. vlieden, niet najagen maar mijden, s niet lieven, maar haten. En dat, als God z de Heere dan in goddelijk mededoogen, k toch zelf komt, ja, meer nog, in die afgeaarde en verbasterde ziel nog dorst naar het Leven uitstort, dat dan die ziel toch aan dien dorst naar het Leven niet aan wil, en den Dood verkiest; en als het er dan aan toekomt, dat ze haar God zou ontmoeten, niet opleeft in heilige verrukking, maar er het verzinsel voorschuift: „Niet Hij zelf is het, maar zijn kraeht!"

Zooals het van Simon Magus te Samaria heette, zoo heet het dan ook van den Heiligen Geest die op Pinksteren tot ons kwam: „De groote kracht Gods!" (Hand. 8: I0.)

En dit wreekt zich dan!

Want Sion, aldus ongevoelig voor haar God voorbijgaande, bedroeft den Heiligen Geest, doet den Heiligen Geest smaadheid aan, en berooft zich dus noodwendigerwijs van zijn invloeden en zijn vertroosting.

En toch, de oorzaak dezer zonde is openbaar; ze ligt in onze hoovaardij.

Want hebt ge het wel ooit recht diep voor uzelven ingedacht, wat het verscheelt of Sion zegt: „In den Heiligen Geest is op Pinksteren God zelf tot mij gekomen!" of dat zij roept: „Op Pinksteren gewierd mij uit den hooge goddelijke kracht."

Of voelt ge ook zelf niet, dat, als God de Heere in zijn Sion intrekt, Sion zelf stille heeft te zijn, en zich neder te buigen, en zich zelve als uit te wisschen, opdat haar God. het doe, haar God het werke, haar God het uitvoere en volvoere, en alzoo haar God alleen groot zij.

Maar als Sion zegt: Ik ontving op Pinksteren goddelijke kracht, dan is God de kracht^^y^r, maar Sion alsnu de bezitster van kracht, en dan is het Sion zelf die nu met deze heilige kracht werken gaat en het doorzet en het tot stand brengt, en als het dan voleind is, dan heeft Sion, dan heeft Gods kind het zelf gedaan. Met kracht uit God, het is zoo. Maar zelj dan toch!

Menig werktuig wordt met kracht uit damp van kokend water gedreven. Het hard 3 ijzer pletten, drijven, doorboren, afschaven, ombuigen, wat raenschelijke kracht is er toe bekwaam? Maar nu wordt den mensch stoomkracht gegeven, en die kracht gebruikt hij, en nu buigt het harde ijzer zich als vloeipapier onder het machtige werktuig. Doch hoor maar, als nu het ijzeren zeekasteel van de helling in de wateren glijdt, wat bouwmeester looft dan God, die de stoomkracht schonk, en roemt dan niet: Dat prachtig schip heb ik gebouwd!

En dit nu is ook hier de zonde.

Als er kracht daalt in onze zwakheid, kracht die honderdvoudig ons vermogen verhoogt en versterkt, en met die kracht brengen wc een zonde ten onder of ons lichaam tot bedwang, dan is Gods kind de doener en werker en de doorzetter, en voor hein komt de roem.

En al zegt hij dan ook met de lippen: Gode zij dank! en voor God alleen de eere ! dit is eer zonde op zonde gestapeld. Want dat meent hij slechts in de oppervlakte, en de diepe zin des harten blijft: -^Niet God werkte dit, maar ik!"

o. Het scheelt zoo alles.

Ge hebt een machtig kantoor, maar dat verliep door uw fout en schuld, en nu beroofd en verward ligt en failleeren moet; en nu ontvangt gij op dat kantoor eefi kracht, D. w. z. ge neemt een door en door kundige hulpe aan, die de fout opzoekt, die weer kapitaal schept, die u in staat stelt er weer bovenop te komen, en straks is alle angst en alle vreeze des doods voor uw kantoor voorbij. En natuurlijk dan zijt en blijft gif de groote man, en die kundige kracht betaalt ge, en gekweten is alle verplichting.

Maar als ge in zulk een nood geen hulpe vinden kunt en geen kracht ter redding ontvangt, en een ander komt tot u en zegt: „Zé zal u redden, maar dan moet het op mijn naam gaan, en gij stille zitten en ik het alles voor u doen, en een ieder moet dit weten!", — dan komt ge er ook wel, maar dan treedt gij op den achtergrond, en heeft die redder en helper alle eere.

En zoo nu ook is het hier.

Wie zegt: „Ik ontving kracht van den Heiligen Geest!" die redt met die ontvanen kracht zichzelf, en doet aenige offernde en acht 'zijn dank gekweten, en hij lijft de man. t".o u

Terwijl omgekeerd —als de Heilige Geest ns in ons eigen hart op zij dringt en de aak voor ons en in onze plaats opneemt n regelt en terecht brengt, en een ieder at ziet en verneemt, — wij terug treden, n de Heilige Geest ons heeft gered. i s h b

De Heilige Geest een kracht u ter bechikking gesteld, om meê te tooveren, zooals de kunstenaar met stoomkracht en kracht van electriciteit toovert; — of wel de Heilige Geest uw Redder, die u als verlo ren in uzelven tercht brengt, en die al de eere wegdraagt, — dus ligt de onmetelijke afstand tusschen zonde op den Pinksterdag en op dien Pinksterdag het Söli Deo gloria voor uw God.

En dit nu hangt aan de Liefde. Hebt ge uzelven op Pinksteren lief, of hebt ge uw God lief.'

En zeg nu niet: Natuurlijk, mijn God!; want het is wel zoo, ook zelfs door uw booze natuur werkt een besef heen, dat u zegt: Zoo moest het wezen!, en u half schaamte aanjaagt dat het niet zoo is. Misschien zelfs beeldt ge u in, dat ge ook metterdaad in die heilige stemming des gemoeds verkeert. Maar als ge tot den wortel en den grond der zaak doordringt, en uw ziele beproeft tot in de binnenste trekking uwer nieren, o, dan zoudt ge geen kind van God moeten zijn, of ge zult het met innerlijke pijn aan uw hart oprechtelijk belijden: Neen, neen, de liefde voor mij zelven is mij nog te machtig.

Niet alsof ge geen offers zoudt willen brengen, of ook niets verloochenen woudt, en zelfs niet voor uw God uit den weg woudt treden, maar dit alles rnjkt nog de dieper liggende drijfveer van ons hart niet,

Zalig te willen worden, is op zichzelf ook zelfliefde. Een kind van God te willen zijn, is ook nog uzelven minnen. Onder de vromen en de heiligen gerekend te worden, is ook nog iets dat uzelven kan streelen. En hetgeen waaraan de liefde moet gekend worden, is maar of ge jaloersch op de eere en den roem en de glorie van uw God zijt.

Als het tusschen u en uw God staat, zoodat Hij gelijk en gij ongelijk moet hebben, Hij rechtvaardig zijn en gij onrechtvaardig en dus schuldig, of ge dan uw eigen ongelijk zoet vindt, en uw eigen ongerechtigheid en schuld erkent zonder et iets op af te dingen, niet omdat ge het niet houden kondt en overtuigd wierdt, maar omdat ge het niet dragen kondt, dat er ook maar eenig ongelijk op uw God zou liggen, en eenige schuld bij den Allerhoogste zijn.

Liefde voor uw God, dat is Hem meer minnen dan het zwart uwer oogen. Eer van eigen eere kunnen afgaan dan van de eere uws Heeren. Het is zulk een innerlijk verteerd worden door aanbidding en bewondering van de deugden des Eeuwige, dat ge er het oog niet van af kunt houden, en als dweept in uzelven met die schoonheid van uw God, die blinkende verschijnt in Sion.

Geen berekening dus: ^Dit deed God voor mij, derhalve moet ik ook voor Rem iets overhebben!" Geen overlegging: »Hij is mijn God, en diensvolgens moet ik in aanbidding mij voor Hem nederwerpen!"

Maar zooals een kind het uitroept, als het een prachtig vuurwerk ziet, en het niet in kan houden, zoo gij in verbazing en verwondering het uitroepen over het licht van zijn Majesteit en de glorie zijner Deugden.

Te verkondigen de deugden Desgenen die u geroepen heeft tot zijn wonderbaar licht!

Niet omdat ge, na keur en proef, nu tot de slotsom komt, dat het schoon is. Maar omdat het u verrukt, u meesleept, u aangrijpt en in innerlijke bewondering verteert.

Liefde is: niet anders kunnen dan liefhebben. Het is minne der gansche ziel voor den Eeuwige. Het is een roepen: Kom, Heere, en spreek tot mijn ziele! Dorst om bij Hem te zijn. Buiten Hem niet kunnen leven. En daarom als Hij komt, niets dan Hem zien, aan niets dan aan Zijn glorie denken, en zalig zijn in dat verliezen van uzelven in den Heere uwen God.

En welke is nu de geaardheid dezer liefde.' Dat eerst deze liefde er is, en dan de Heere komt, en nu deze wachtende liefde op Hem gericht wordt.'

o, Integendeel. Zooals de zon niet te zien is, of ze moet eerst zelve het licht uitstralen, waarbij ge haar zien zult, zoo ook roept Sion tot haar God uit: „Heere, in uw licht alleen zien we licht!”

Neen, deze liefde is niet uit u, om zich p Hem te richten. Maar Hij zelf boezemt ze in. Hij zelf wekt fee in u op. Hij zelf stort ze n u uit. Dat eenig Voorwerp uwer heiligte liefde ontsteekt zelf de vonk in u, waarmee et liefdevuur voor Hem in uwe ziel zal randen. W v emott

Ja zelfs als Hij wegschuilt om uwe liefde d nu te beproeven, en te zien of ge. Hem niet ziende, toch zoudt liefhebben, dan is het nog zijn matte glans die door de wol­ b ken spelend, deze liefde in u staande houdt.

Het is niet uw kostlijk hart, dat zoo lief is om Hem lief te hebben, maar het is uw zoo kostlijke God, die zoo roerend diep in de ziel van zijn kind weet in te dringen, en die door zijn koestering het zalige van het liethebben in u uitwerkt.

Niet uw oog vindt het licht, maar het licht trekt uw oog en heeft zelf uw oog in het zien onderwezen. Want let er maar op. Een pasgeboren wicht is schuw voor de kaars en ge moet uw hand voor de half ontloken oogjes van het lieve kind houden. En als ge zelf uit den schemer plotseling in het licht treedt, sluit ge nog uw oog voor het licht toe.

En zoo nu is het ook met dezen goddelijken glans dat uw zielsoog van zichzelf dien eer mijden en er zich voor toe zou sluiten, en het is eerst door dit licht zelf dat uw zielsoog^ het inzien in dit Licht leert.

Daarom roemt de heilige apostel dan ook van een liefde die in onze harten uitgestort is door den Heiligen Geest,

Niet alsof de liefde een soort stof of vocht ware, die als een eigen ingredient in onze ziel huisde, maar gelijk het licht, komende, zijn stralen uitstort in het dal en in de diepste kloven der steenrotsen, zoo ook stort die Heilige Geest zijn licht in de spleten en kieren van uw hart in. En waar dat licht doordringt, daar wordt de beschimmelde plek groen en tierig, daar buigt de kiem haar kopje op, daar komt bezieling, daar tiert leven.

En dan ja, dan trekt de bloem naar den zonneglans, dan buigt de kelk zich naar het licht, en het is in deze liefde dat dan ook de ziel van Gods heiligen naar Hem trekt, omdat ze naar Hem wordt getrokken.

Zie, als de zon haar stralen in de vlakke wateren in doet dalen, dan verijlt ze de droppen der wateren in damp, en deze verwarmde wasem trekt van de wateren naar boven, de zonne tegemoet, en verzamelt zich daar boven in de wolken. En zoo ook werkt de glans der Eeuwige Liefde op een verlaten ziel. Eerst vloeit ze als een drop in de wateren, koud en kil. Maar dan komt over die wateren van het hart de glans, en van dat licht vangt ook zij een straal op, en die straal stort warmte in haar uit, en onder die warmte verdunt ze zich en verliest ze haar logheid, en zoo trekt ze ten leste naar boven naar de Bron van haar gloed.

En dat nu is de heerlijkheid van Pinksteren.

God zelf niet maar over u komend met een wind des daags in het Paradijs; niet maar tot u komend met den Opgang uit de hoogte bij Bethlehem; neen, maar in uw eigen ziel en wezen indringend, om te wonen in de binnenste kameren van uw persoon.

En daarom is het op Pinksteren maar de vraag aan u, of ge nu door dien goddelijken ingang in uw wezen, zelf wilt worden opgelost? Of ge, naar het gebezigd beeld, van vlietend water in optrekkenden damp wilt overgaan, niets meer zoekend, al uw eigen wicht inboetend, en nu opklimmende in teedere liefde naar Hem die u trekt.

Doch natuurlijk, dat gaat om buiten de menigte. Dat is voor de schare een vol zijn van zoeten wijn. Dat noemt de wereld dweperij en de half-gerechtigheid »overdreven."

En dat moet zoo.

Want deze zaligheden zijn uit het Heilgeheim, en het Heilgeheim wordt alleen aan »Gods vrienden", en enkel „naar zijnvreêverbond" getoond.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van Sunday 29 May 1887

De Heraut | 4 Pagina's

„Liefde door den Heiligen Geest.”

Bekijk de hele uitgave van Sunday 29 May 1887

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken