Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Het lijden des Doods.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Het lijden des Doods.

15 minuten leestijd

II.

En zijn Heerlijke zal uit hem zijn, en zijn Heerscher uit het midden van hem voortkomen; en Ik zal hem doen naderen, en hij zal tot Mij genaken: ant wie is hij, die met zijn hart borg worde, om tot Mij te genaken? spreekt de HEEBE, (Jer. 30 : 21.)

ZESTIENDE ZONDAGSAFDEELING.

II.

En zijn Heerlijke zal uit hem zijn, en zijn Heerscher uit het midden van hem voortkomen; en Ik zal hem doen naderen, en hij zal tot Mij genaken: ant wie is hij, die met zijn hart borg worde, om tot Mij te genaken? spreekt de HEEBE, (Jer. 30 : 21.)

Zoo is dan de aanroeping van den Heerc Jezus met den naam van: „Mijn Borg, mijn Goël!" niet slechts poStisch in een dichter als Da Costa te dragen, maar ook uitlegkundig volkomen juist; door de Heilige Schrift zelve ons geleerd ; meer dan i eenige andere geschikt om den vollen rijkdom van zijn plaatsbekleeding uit te drukken ^ en deswege niet van de lippen van 'sHeeren volk te verwijderen, maar veel meer nog dan dusver in de predikatie des Woords en in de voorstelling der Waarheid in te brengen. Slechts zie men daarbij toe, dat men op den klank van Da Costa's lied Goêl en Borg niet als woorden van gelijken zin opvatte. De Go'él is Hij, die u verlost uit het dienstkuis, uw Borg de intredende Erbarmer, die u vrijwaart tegen den doem van het reckt.

Toch is ook hiermee nog niet genoeg gezegd. Immers het sluwe Arminianisme is in élke voorstelling der waarheid ingeslopen, en heeft vooral onder het Coccejaansche kleed, getornd aan de zuivere voorstelling van het borgCochtelijk lijden en sterven des Heeren.

Borg en Borg is namelijk twee. Als gij diep in schulden steekt en verloren zijt, kan ik voor u intreden en tot den rechter zeggen: „//ê kom in zijn plaats. Schrijf de schuld terstond geheel op mij over. Reken het van nu af aan mij toe en laat hem vrij!" Zulk soort borg noemen de rechtsgeleerden in hun Latijnsche rechtstermen een Expromissor. En zulk een Borg nu is naar goed-Gereformeerde belijdenis de Christus voor zijn volk. Hij treedt voor hen in. Hij neemt allen doem, die op dat volk ruste, terstond, onverwijld en geheel over. Niet pas op Golgotha, maar reeds in den eeuwigenraad. En daardoor zijn diegenen, voor wie hij aldus intreedt, reeds in dien eeuwigen raad weer vrijgesproken, en ontstond hun rechtvaardigmaking niet eerst doordien hij betaalde, maar reeds van eeuwig, doordien hij beloofde te betalen. Dit toch is juist het eigenaardig karakter van een borg, dat hij vertrouwd wordt; geacht wordt goed te zijn voor wat hij op zich neemt; en het op zich genomene te zullen volbrengen. En vandaar dat Immanuël als onze volle Borg en wel als onze Expromissor of plaatsbekleedende Borg, voor ons optredende, ons op eenmaal geheel en al van alle verband voor onze eigen schuld ontslaat. De plicht lag op ons, maar ging op hem over. Er is geen verdoemenis meer voor degenen die in Christus Jezus zijn!

Zoo is het Schriftuurlijk, zoo is men Gereformeerd, en onze predikers mogen wel toezien, om toch vooral dézen vollen raad Gods te verkondigen, want alleen daarin ligt de kracht en de zegen van het heilgeheim. Te zeggen: „Christus heeft\oox ons betaald !" is niet genoeg gezegd, want waar bleven dan de geloovigen in de Arke en in Egypte en in KanaSn.' Die betaald heeft, is zelfs geen borg meer, maar hield op borg te zijn. Hij was het, maar is het niet meer. Zoo leert het de Methodist! Zoo leert het de Ethische richting! Zoo leert het alle doolgeraakte prediking. Een prediking waar de leidende gedachte uit weg is, en waarvan de lijn niet doorloopt. De Schrift daarentegen brengt altoos alle ding in het werk der zaligheid terug tot ., ., voor de grondlegging der wereld". Reeds eer gij, eer Adam gezondigd had, ja, geschapen was, of uit de aarde geformeerd wierd, was uw Borg opgetreden, was uw rechtvaardigmaking gereed liggende, en was uw vrijspraak gewis. En dit nu ligt juist aan Christus als uw Borg. Immers alleen een plaatsbekleedende Borg maakt vrij, zelfs eer de termijn van de schuld verstreken is.

Maar nu is er ook een ander soort van borgstelling, die heel anders toegaat, en die de rechtsgeleerden Fidejussio noemen, d. i. een inspringende borg. D. w. z. zulk een borg, die niet de zaak terstond geheel voor u overneemt en in uw plaats treedt, maar die zich alleen verbindt, om, als gij te kort mocht schieten en voorzoover gij nalatig blijft voor u in te springen. En het is met dien inspringenden in stee vzxxplaatsbekleedenden Borg, dat de onrechtzinnige predikers reeds meer dan twee eeuwen lang bezig zijn, om den troost van denBorg onzer ziel aan Gods volk te ontrooven. En dit was hun zoo goed gelukt, dat zelfs de strengst Gereformeerde predikers op dit punt bijna allen mank liepen, en ook een held des geloofs als Da Costa nog onder de inwerking van hun ontzenuwenden invloed leed. Alleen Comrie en later Kohlbrügge hebben dit volstrekte van Christus' plaatsbekleeding in de borgstelling weer in al zijn diepte opgevat; en deels door hun invloed, deels door anderer studie is van lieverlee de ware belijdenis van den Borg weer uit de schatkameren onzer oude vaderen in het volle licht uitgedragen.

Heden ten dage vindt men dan ook weer vele predikers, die ten deze zuiver loopen, terwijl omgekeerd Kohlbtügges volgelingen, helaas, weer hoogst gevaarlijke zijpaden insloegen. Gelukkig begint het oog der gemeente hiervoor open te gaan. Dr. Böhls volgehouden schriklijk zeggen, dat „Christus gelijk een onzer onder de toerekening van de erfschuld" geboren was, heeft in dit opzicht menigen sluier doen wegvallen. En daarentegen die predikers, die thans weer in de oude, zuivere lijnen der vaderen en met kennis van zaken èenplaatsbekleedenden borgtocht van Immanuël prediken, spreken kennelijk naar het hart van Jeruzalem, troosten het volk des Heeren, en brengen vreugde en vree!

Men houde ons ten goede, dat we op dit gewichtig stuk eenigen nadruk gelegd hebben. Heel de schare van predikers, die de inspiratie van de Rijksuniversiteiten volgt, bestrijdt den borgtocht van Immanuël. De meer oppervlakkige Methodistische predikers bederven dien borgtocht, door hem inspringend, in plaats v& n plaatsbekleedend voor te stellen. En het is voornamelijk bij het vrome volk, dat nog als nawerking en late vrucht van de oude degelijke Gereformeerde prediking, de zuivere kloeke belijdenis van de plaatsbekleedende borgstelling kracht bleef oefenen. Nu hebben enkele vromen onder de predikers van de lippen van dit vrome volk de prediking van deze volstrekte borgstelling weer overgenomen, maar vaak zonder haar ook theologisch en uitlegkundig weer op te beuren uit haar smadelijke vernedering. En het is daarom, dat we ons verplicht hiel­ den, dit hoofdstuk onzer belijdenis eenigszins breeder toe te lichten. In Hebr. 7:22 moest weer de vaste gronr! voor deze belijdenis worden aangewezec, en door de inspringende borgstelling uit te drijven, moest weer de troost in leven en in sterven in echt Gereformeerden zin uitkomen.

Nog één punt voegen we hier aan toe. Het betalen van Christus voor ons is figuurlijk uitgedrukt. In eigenlijken zin geschiedt betalen alleen met geld of goed. Wie betaalt met zijn bloed of met den arbeid zijner ziel, doet het overdrachtelijk. Betalen is hier dus genomen in den zin van „de schuld kwijten." En het kwijten van schuld nu kan evenzeer bestaan in het uitbetalen van geld, het leveren van eenig goed enz., als in het ondergaan van straf door lijden en dood.

Dit voegen we er bij, omdat op dit punt de voorstelling op verre na niet altoos zuiver loopt. Vooreerst toch was het schepsel aan God niet een private verplichting schuldig, maar stond tegenover zijn God als tegenover zijn Souverein. En gelijkiiu eensouverein recht heeft om cijns en tol van ons te vergen, zoo waren ook wij aan onzen God als zijn onderdanen schuldig onzen cijns en onzen tol.

In de tweede plaats, omdat Hij niet enkel onze Souverein, maar ook onze Schepper is, was Hij ook onze Bezitter, wien we toehooren, gelijk een slaaf aan zijn heer. En gelijk nu een slaaf aan zijn heer schuldig is al zijn arbeid, al de vrucht van zijn moeite, zoo ook zijn wij Gode schuldig heel de toewijding van onze levenskracht en van onzen persoon.

In de derde plaats, staan we met Hem in een Verbond. In het Werkverbond. En krachtens dat Verbond zija we Hem schuldig al wat we bij dit Verbond in Adam op ons hebben genomen.

In de vierde plaats is Hij onze Vader, en zijn wij als zijn kinderen aan dien Vader schuldig alle gehoorzaamheid. En in de vijfde plaats zegt Hij tot zijn volk: ., ^Israèl, Ik ben uw Man" en zijn wij Hem deswege schuldig de volkomen overgave onzer liefde.

Waar dan eindelijk in de zesde plaats nog bijkomt, dat Hij als onze Rechter zit, en dat we op elk der vijf genoemde punten bezweken zijnde, en niet hebbende geleverd wat v/e hadden moeten leveren, op elk der vijf punten voor Hem schuldig staan en onder het oordeel vallen van zijn wet en vonnis. Wanneer derhalve de Schriften en de Formulieren van eenigheid van het betalen van Christus als Borg spreken, dan sluit deze betaling de volheid in van deze vijf onderscheidene schulden ; en volstrekt niet, wat zoo menig ongereformeerde zich inbeeldt, alsof Christus, ja wel onze strafschuld zou hebben gedragen, maar voorts als Borg zou zijn tekort geschoten. Neen, hij heeft in onze plaats als onderdaan aan den Souverein, als lijfeigene aan den Bezitter of Schepper, als verplichte door het Verbond aan den Bondsinsteller, als kind aan den Vader, en als de getrouwe aan Hem, die Israël getrouwd had, alles gekweten wat wij hadden moeten kwijten. En nooit mag gezegd, dat Christus wel het pijnlijke en voor ons onmogelijke in onze plaats deed en leed, maar zoo, dat wij nu het overige zelven aanvullen. Wij vxHHien niets ^a.n. We gaan in tot een volbracht werk. En het is uit dat volbrachte werk, dat Gods kind nu leeft en ademt, bidt en dankt, geniet en liefheeft. Het is in Christus inzijn. mystieke unie met Immanuël. Het zijn van ééne plante met hem!

En zoo eerst valt dan ook het volle licht op wat de Catechismus zegt, dat Christus daarom in den dood moest gaan, omdat „voor onze zonden niet anders kon betaald worden dan door den dood des Zoons Gods."

Deze betaling, zegt de Catechismus, moest geschieden „om de waarheid en de gerechtigheid Gods", een opmerking die van hooge beteekenis is. In het Paradijs had de Heere gesproken: „Gij zult (zoo gij van Mij afvalt) den dood sterven l" Satan had hiertegenin gezegd: „Gij zult den dood niet sterven, maar God weet, dat ten dage als gij daarvan eet, zoo zullen uwe oögen geopend worden en gij zult zijn kennende het goed en het kwaad!" d. w. z. gij zult uw ei^en rechter en van Gods rechtspraak onafhankelijk zijn. De afval en de zonde was dus juist aangekomen op het punt van „Gods waarheid", en hing tevens middellijk saam met de vraag, of God Rehter over ons zou zijn, of wel dat wij zelf tusschen kwaad en goed zouden beslissen.

Toen het daarop aankwam, had nu de mensch de waarheid Gods verdacht en prijsgegeven. God tot een leugenaar gemaakt, en het ervoor gehouden dat Satan waarheid sprak; terwijl hij hierbij gedreven wierd door de zucht om aan het recht Gods te ontkomen, en zijn eigen stelsel van recht, door een eigen onderscheiding van goed en kwaad, op te richten.

Op tweeërlei kwam het dus aan. Vooreerst op de vraag: Hoe zou Gods waarheid hersteld worden.' En ten andere: Hoe zou uitkomen, dat Gods recht heerscht over den mensch, en aan hem geen beslissing tusschen goed en kwaad kan geschonken worden .•' Immers het stellen van het onderscheid tusschen kwaad en goed, is het instellen van de Wet; en de vraag stond, dus: Zou de mensch aan God de wet stellen of God aan den mensch.' En overmits nu de mensch in onbegrijpelijke vermetelheid het aan had gedurfd en bestaan, om te zeggen: „Mij komt het toe, uit te maken wat goed en kwaad is, en niet aan God; niet God, maar Satan sprak waarheid, " zoo eischte de waarheid en de gerechtigheid Gods beide, dat er geboet wierd met den eeuwigen dood.

„Gerechtigheid Gods" beteekent hier derhalve, dat God en niet het schepsel het recht bezit, om de Wet in te stellen en uit te maken wat goed of kwaad is. En „waarheid Gods" duidt hier aan, dat voor God bij zijn schepsel geloof moet bestaan. De mensch moet gelooven wat God zegt, en wie dat niet gelooft beleedigt Hem, hoont zijn eere en krenkt zijn majesteit. Reeds op aarde onder menschen geldt het als de ergerlijkste beleediging, als men tot iemand zegt: Ik geloof u niet, en houd uw woord voor leugen." En hoe kon dan de eeuwige Majesteit dieper gegriefd, gekrenkt en vertreden worden, dan doordien zijn schepsel Hem leugenaar schold.' Johannes spreekt het (i Joh. 5 : 10) daarom met dezelfde woorden uit: ie ook nu weer den Christus, nadat hij kwam, verwerpt, herhaalt de zonde van het Paradijs, want > wie God niet gelooft, heeft Hem tot een leugenaar gemaakt, dewijl hij niet %e\ooié heeft de getuigenis, die God getuigd heeft van zijnen Zoon."

Hoe hangt dit nu saam met de straffe des doods ?

Hoogst natuurlijk en eenvoudig. Leven is verbonden zijn aan God, Wie in gemeenschap met het Eeuwige Wezen mag verkeeren, leeft; wie van de gemeenschap met dat Wezen is afgeraakt, afrakende of geheel afgesneden, is in allerlei graad dood. De eeuwige dood in de hel, is de volstrekte afsnijding van de gemeenschap met den Heere onzen God. De dood in de ziel, die we hier op aarde omdragen, is afgesneden zijn van God in het diepste van ons wezen. De dood als we sterven, is wanneer God de Heere lossnijdt den band die ziel en lichaam saimbond, die door Hem in onze schepping was gelegd.

Het natuurlijk en noodzakelijk gevolg, en daarmee de geheel evenredige en onafwendbare straf voor alle zonde is: vervreemding van God, verwijdering van God, afgesneden worden van God. En in dit alles is de strafife en het wezen van den dood.

Leeft ge nu in de gemeenschap met God, dan gelooft gij Hem. Hem niet gelooven is u van Hemafkeeren. (Zie Hebr. 10:39.) Hem wel gelooven is u aan Hem aansluiten. Alle ongeloof aan de waarheid Gods sleept dus noodzakelijk als straf vervreemding van Hem en alzoo den dood na zich.

En ook leeft ge in gemeenschap met God, dan is Hij uw Wetgever; dan is Hij voor u de Bepaler van wat goed en kwaad is, dan is Hij uw Rechter. Gij wilt en kent geen ander. Maar zegt ge: Ik wil zelf bepalen en uitmaken wat goed of kwaad is; ik zal mij zelven een wet zijn; en mij zelf als rechter beoordeelen; — dan natuurlijk vervreemdt ge u geheel van Hem, raakt van Hem af, en moet als noodzakelijke straf de volstrekteafsnijding van het Eeuwige Wezen, dat is den dood., den eeuwigen dood dragen.

Er kan dus, het ligt klaar voor oogen, aan Gods Waarheid, zoo gij Hem tot leugenaar hebt gemaakt, en aan Gods Gerechtigheid, zoo gij Hem het recht om u de wet te stellen betwist en ontnomen hebt, niet anders voldaan worden, dan door tiw ingaan in den eeuwigen dood.

Blijft dit nu op u liggen, en moet %ij deze straf zelf dragen, welnu, dan doet ge daar ook eeuwig over, komt ge er nooit onder uit, en zijt dus voor eeuwig rampzalig. Er is geen uitweg. Als het tusschen de majesteit van Gods eer en recht, en tusschen u als nietig zondig schepsel staat, dan is er voor u geen ontkomen. Gij bezwijkt en bezwijkt eeuwig lijk!

Een ontkomen, een komen tot verlossingen vrijmaking is er voor u alleen dan, als twee voorwaarden vervuld worden: i'. dat ge een plaatsbekleedenden Borg vindt; en 2". zoo deze Borg een eeuwigen doem dragen en voleinden kan in een spanne des tijds.

En zie deze beide voorwaarden zijn vervuld. Dat juist is het diepe mysterie des heils, de verborgenheid der godzaligheid.

Vooreerst toch er is een Borg voor u opgetreden. Niet pas na niw val in zonde, maar reeds van te voren. Vóór de grondlegging der wereld. En wel een Borg, die niet slechts verklaarde te willen inspringen, zoo gij te kort schoot, maar die geheet in uw plaats ging staan. En dat wel zoo, dat hij uw positie overnam, en gij in zijn positie kwaamt.

En ten andere, deze Borg is de Zoon Gods, en krachtens dit Zoon-%iin is het hem mogelijk geweest, vleesch te worden, en zich in te werpen in den eeuwigen dood, en toch niet door dien eeuwigen dood gehouden te worden, maar er uit op te staan.

En zoo ligt in dien Dood, nu er de Opstanding op volgt, ons heil, en is aan de •waarheid en és gerechtigheid Gods betaald door den dood des Zoons Gods.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 25 maart 1888

De Heraut | 4 Pagina's

Het lijden des Doods.

Bekijk de hele uitgave van zondag 25 maart 1888

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken