Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Het ambt der geloovigen (6),

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Het ambt der geloovigen (6),

8 minuten leestijd

Zoo bleek dan overtuigend, dat In de Kerk van Christus de Christus alleen zeggenschap heeft, het regiment bezit en macht kan uitoefenen; met dien verstande dat niemand, wie hij ook zij, ook al ware hij een engel uit den hemel, eenige macht hoegenaamd in Jezus' kerk kan of mag uitoefenen, tenzij Jezus hem die opdroeg.

Dit geldt van eiken ambtsdrager. Dus ook van den geloovige, Christus kon het derhalve ook alles zelf en rechtstreeks in zijn kerk ordenen, besturen en regeeren. Maar nu hij, zelf in den hemel zijnde, menschendienst hiertoe bezigt, nu zijn de personen die hij hiertoe bezigt, niets dan functioneerende instrumenten, die hij gebruikt om zijn regiment te voeren.

Het kost dus niet de minste moeite, om tusschen een ambt en een gewonen plicht der geloovigen scherp te onderscheiden.

Plicht is wat ik, afgezien van alle opdracht van macht, schuldig ben als onderdaan van mijn Koning en Heere, Ambt daarentegen is al datgene, wat ik niet als onderdaan, maar als mijn Koning vertegenwoordigende, in zijn Naam bij anderen, ten behoeve van heel de kerk verricht.

Met woorden mag hier dus niet gespeeld.

Dat ik mijn Koning en de broederen moet liefhebben, dat ik zijn Woord heb te hooren en zijn Sacramenten heb te gebruiken, dat ik voor Jezus en tegen Satan heb te strijden, en geroepen ben om de eere hoog te houden van Hem, in wiens dienst ik sta, is geen ambt, maar plicht.

Word ik daarentegen door mijn Koning met zekere macht bekleed, om in zijn Naam, en krachtens zijn gezag te handelen, en daardoor macht over anderen uit te oefenen, dan draag ik een ambt.

En raakt nu deze macht, waarmee ik bekleed ben, niet maar mijn gezin, maar de dienaren of leden der kerk als zoodanig, dan ben ik bekleed met een kerkelijk ambt.

En in dien zin nu zeggen we, dat elk geloovige in Christus' kerk bekleed is met een macht, die hij niet uit zichzelf heeft, maar van zijn Koning ontving, met last, om die, naar het voorkomt, bij of tegenover de dienaren en leden der kerk aan te wenden.

Alle mannen, die met eenige kennisvan zaken over kerkrecht geschreven hebben, verhalen dan ook eenparig dat deze macht het kenmerk van het ambt is, en omschrijven deze kerkelijke macht ongeveer aldus: „Kerkelijke macht is een goddelijk recht, van bedienend karakter, door Christus als Koning aan zijn kerk verleend en op menschelijke wijze ons toekomende, om in uitwendigen zin de kerk en het hare te besturen, zóó dat het strekke tot onderlinge opbouv/ing en zaligheid, " (Zie V0ETIÜ8 Pol. Eccl I. p. 17).

Van deze macht nu zegt Voetius, de grootste en schier eenige geleerde, die in de beste dagen onzer Gereformeerde kerk haar kerkelijk recht in al zijn omvang tot op den wortel onderzocht en in al zijn omvang ontleed heeft, dat deze macht, wat de dragers ervan betreft, tweeledig moet onderscheiden, al naar gelang ze óf in bijzonderen zin aan enkelen, óf in algemeenen zin aan alle geloovigen als zoodanig is geschonken, óf ook aan beiden, voorgangers en geloovigen gemeen is.

En alsdan komende tot deze gemeene macht of bevoegdheid, die aan alle geloovigen als zoodanig door den Koning der kerk verleend is, zegt hij, dat deze macht zich uitstrekt tot de leer, het kerkbestuur en de rechtspraak.

Wat nu aangaat het kerkbestuur, zoo zegt hij, dat aan de geloovigen als zoodanig door Christus onzen Koning de macht en de last is gegeven: i^, om deel te nemen aan de benoeming der voorgangers; 2", om mede te beslissen over de toelating van leden en hun uitlating door attestatie; 3". om kennis te nemen van hetgeen in andere kerken geschied of te doen is; 4", om medezeggenschap te hebben in de be-

slissing der kerkelijke vergaderingen over leercontroversen; 5". om mede te handelen in de uitzending van afgezanten of zendelingen; 6". om, soms zelfs buiten de voorgangers om, daden' van gemeenschap met andere kerken te verrichten.

En veel sterker nog wat aangaat het derde deel van deze macht in zake de rechtspraak, dat de geloovigen als zoodanig met macht bekleed zijn, om i". niet enkel bij eigen private beleediging, maar ook bij publieke ergernis officieel op te treden als openbaar ministerie; 2". om zich te onttrekken aan de gemeenschap van hen, die ongeregeld wandelen en als zoodanig hen te oordeelen; 3". om desnoods gelijk oordeel te vellen over de voorgangers ; 4". om de gevallenen en boetvaardigen weder aan te nemen in de gemeenschap ; 5". om, als de voorgangers hun plicht verzuimen, in hun plaats een diri-^eerende macht uit te oefenen (vicariam potestatem), in den eersten trap door van zulke voorgangers, hun kerk en de geloovigen die met hen blijven wandelen, zich terug te trekken, en in den tweeden trap, door hun den vrede op te zeggen en de gemeenschap en den broederband met hen te breken. En eindelijk j^. om in gevallen van nood, als de kerkeraad ganschelijk niet góéd wil, en de Glasses of Synoden bieden e^een uitkomst of zijn daartoe buiten machte, alsdan ANDERE VOORGANGERS, IN DE PLAATS VAN DE ONTROUWE TE BENOE­ MEN, en aan dezen het noodige gezag op te dragen, waardoor zij in staat zijn, om de lijdende kerk, en zoo niet al het volk, dan toch het betere deel er van, te hulp ie kunnen komen.

In deze laatste woorden, die bij Voetius op blz. 120 te vinden zijn, wordt dus letterlijk die uiting van het ambt der geloovigen voorgeschreven, die thans in onderscheidene kerken der Doleantie tot stand kwam. En dat naar het oordeel van Voetius op zulk een wijze eene doleerende kerk kan ontstaan, blijkt duidelijk uit wat hij er op volgen laat: Tale quid aute amos aliqiiot factum in nonnuUis ecclesiis Belgiae per Remonslrantes turbatis. D. w. z, In dier voege is voor korte jaren nog gehandeld in onderscheidene Nederlandsche kerken, die door de Remonstranten beroerd waren.

Iets wat er bij dient gevoegd, opdat helder uitkome, wat Voetius onder gevallen van nood {casus necessitatis) en een geheel ontredderden kerkeraad (Presbyterium plane corriiptuin) verstaat. Door dit voorbeeld toch heldert hij dit op. Immers ook deze Remonstrantsche kerkeraden beleden den Christus, lieten de belijdenis van den Catechismus gelden, en waren in den zin, waarin velen dit thans nemen, beslist orthodox.

Toch was 5n het oog van Voetius het ééne feit, dat zij van de zuivere leer van Gods vrijmachtige genade afgingen, genoeg, om het ambt der geloovigen te verplichten tot het benoemen van een tegenkerkeraad, en aan dezen de macht tot handelen te verieenen, terwijl de bijvoeging: „zoo niet al het volk, dan het beste deel er van (saltem melior eius pars)] bewijst, dat hij het recht, om volgens dit ambt der geloovigen alzoo te handelen, toekent ook aan een deel.

Ten overvloede voegt Voetius er als grond voor deze stelling nog deze verklaring aan toe: „De geloovigen, die de Ouderlingen en Diakenen kozen, hebben hun toch de mackt der kerk niet in zulk een zin toevertrouwd, alsof ze deze macht in geval van nood, niet aan anderen zouden kunnen opdragen, die er een beter gebruik van maken. Het behoud der kerk is altoos de hoogste wet. En dit, " voegt hij er ten slotte bij, „betreft nu de kerkelijke macht, ^ niet die aan de voorgangers, maar die asn de geloovigen als zoodanig toekomt."

Verder gaan wé nu voor ditmaal niet.

Immers het dusver geworKen resultaat is te gewichtig, om er overheen te glijden.

Van onderscheiden kanten is op hoogen toon door onze" hiërarchen beweerd, dat er gansch van geen ambt der geloovigen s'^x^t kon zijn, en dat, wat hier ook van aan ware, het in elk geval de ongerijmdheid zelve ware, dat een deel der geloovigen macht en bevoegdheid van Christusv/ege zou bezitten, om, bijaldien hun kerkeraad ganschelijk niet wilde meewerken om de kerk te redden, andere ouderlingen en diakenen in de plaats der zittende te benoemen, en aan deze de macht der kerkregeering op te dragen.

Zij die hiertoe rieden en maanden wierden zelfe als misleiders der schare voorgesteld.

Tegenover deze hiërarchen nu is het ons goud waard, ons te kunnen beroepen op een man als Voetius, voor wiens reuzenfiguur zij als dwergen wegzinken.

Immers van Voetius blijkt dan nu, dat hij deze gedragslijn ons letterlijk voorteekent, en met zoovele woorden deze macht als in het ambt der geloovigen besloten, omschrijft.

En zulks, let wel, niet eens nog in een kerk, in welks bestuur Modernen en Groningers zaten, maar reeds bij zulk een kerk, wier bestuur eeniglijk mank ging aan het niet belijden van Gods vrijmachtige souvereiniteit.

Wat zou Voetius van onze Synode in Den Haag dan wel gezegd hebben!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 3 februari 1889

De Heraut | 4 Pagina's

Het ambt der geloovigen (6),

Bekijk de hele uitgave van zondag 3 februari 1889

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken