Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Dat de macht door Jezus onzen Koning

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Dat de macht door Jezus onzen Koning

9 minuten leestijd

Ambt der geloovigen (10).

principieel in de kerk zelve werd gelegd, leert ook Brakel en a Marck in de roeping der Dienaren.

Brakel zegt er van in zijn Red. Godsd. ed. I7S7 I 648: „Al geschiedt de Bevestiging door gezondene Dienaren, zoo komt de roepinge nochtans de gemeynte toe, die de Dienaars, of gelyckelyk yeder zyn stemme daartoe gevende, gelyck in sommighe keickcn in Nederland nog in gebruyck is, of door de Opsienders, roepen."

Een stelling waarvoor Brakel o. a. dezen vierderlei grond aangeeft: '. De kerk is niet om de opzieners, maar de opzieners zijn om de kerk. TA^ zijn geen heeren van de kerk, maar haar dienaars. 2". Het koiut aa7i de gemeente toe op hun leer en leven te letten en de geesten te proeven, of zij uit God zijn, en de valsche profeten niet te hooren, maar te mijden. 3**. De gemeente verkoor de twee, uit wie Matthias met het lot gekomen is, en verkoor evenzoo de zeven Diakenen. En 4". als Paulus de sleutelen des hemelrijks gebruiken wilde (i Cor. 5:4) wilde hij dit doen te zamen met de gemeente.

En a Maick, die ander.s reeds tamelijk hiërarchische beginselen was toegedaan, en de Synode „de Hoogste Kerkvergadering" noemt, was op het punt van het „ambt der geloovigen" toch nog zoo kras, dat hij in hoofdst. 33 § 10 van zijn Merch der Chr. Godgel. schreef: „Het recht in dezen is oorspronckelijk bij de gemeente en vervalt ook voeder aan haar, wanneer anderen die het hebben geoefend, het niet meer naar behooren waarnemen, maar schandelijk misbruiken; uit welke gronden men genoegzaam kan rechtvaardigen de roepinge enz.", en dan komt hij op de gebeurtenissen der Reformatie.

Hieruit blijkt derhalve: i". dat niet alleen in de i6e eeuw het „ambt der geloovigen" feitelijk geoefend is, doordien de geloovigen eener particuliere kerk er destijds toe zijn overgegaan, om zich van de fungeerende voorgangers af te scheiden en nieuwe ouderlingen en diakenen in hunne plaats te benoemen; 2». dat niet alleen in de dagen der Remonstrantie htt „ambt der geloovigen" evenzoo geoefend is, doordien de Contraremonstranten in tal van particuliere kerken zich van de fungeerende voorgangers en oprieners af cheidden, en nieuwe ouderlingen en diakenen in hunne plaats kozen; en 3". dat niet alleen in de 17e eeuw, door een der meest principieele leden van de Dardsche Synode, Dr. Gijsbertus Voetius, onze grootste Nederlandschc godgeleerde, in beginsel het „ambt der geloovigen" erkend is, als met macht bekleed, om het gezag van kerkeraden te verlaten, die het gezag van den Koning verlieten, en andere kerkeraden in hun plaats te stellen; maar dat ten 4". zelfs nog ver in de i8e eeuw door een man als Prof. 'k Marck, wiens hiërarchische neiging op dit punt openbaar is, in theorie nog wel terdege de geloovigen erkend wierden als dragende een ambt en bekleed met macht om de voorgangers der gemeente te roepen, en, zoo de geroepenen hun ambt niet naar behooren waarnamen, anderen in Mm plaats aan te stellen. En sulks onder verwijzing naar hetgeen blijkens het onwraakbaar getuigenis der historie, in de dagen der Reformatie geschied was.

Alle nemen. dispuut kan hier dus een einde

Wel v^are over het „ambt der geloovigen" nog veel meer te zeggen, maar in het thans aanhangig geding kwam het alleen ter sprake, voor zoover het de vraag raakte, of de geloovigen c. q. ambtelijk bevoegd waren, om aan opzieners en diakenen, die bleken het gezag van den Koning der kerk niet te eeren, de kerkelijke autoriteit op te zeggen, en andere opzieners en diakenen in hunne plaats te roepen.

Dit is nu bewezen.

Bewezen uit de geheels verhouding van de geloovigen tot hun voorgangers, gelijk die onder het Nieuwe Verbond in onderscheiding van de Oude symbolische Bedeeling, door het priesterschap der geloovigen, in de kerk des Nieuwen Testaments onwrikbaar staat.

Bewezen uit de feiten der historie, waaraan heel onze Gereformeerde kerk haar aanzijn dankt.

Bewezen uit de historische feiten van de bange worsteling die onze vaderen tegen de Remonstranten doorstreden.

Bewezen uit de stellige principieele verklaring en uiteenzetting van den eenigen godgeleerde, die een doorwrochte studie over het Gereformeerd kerkrecht heeft geleverd.

Bewezen als naklank uit hetgeen a Marck en Brakel nog in later dagen getuigden.

En bewezen niet het minst uit het beroep op het Woord van God, dat Voetius, van stap tot stap, bij elk zijner verklaringen bijvoegt.

De „gelooviger»" die ook in onze dagen dit hun „ambi" vervuld hebben, kunnen dus gerust zijn.

Ze hebben slechts datgene gedaan, wat onze vaderen in de beste en meest geestelijke periode der kerk deden; daarbij het voorbeeld volgende van de Waldenzen en wat groepen van kerken er meer zich aan het juk der valsche Hiërarchie, keer op keer, ontwrongen.

Ze deden slechts datgene, wat onze vaderen nogmaals in hun kloeken strijd tegen het Remonstrantisme bestonden.

Ze luisterden slechts naar het ernstig vermaan van hun uitstekcndste en bezieldste godgeleerden uit vorige eeuwen.

En al de vraag, die voor hun daad beslissen moet, is niet of er een „ambt der geloovigen" zij. Dit is buiten kijf. Noch ook, of de geloovigen, krachtens hun ambt, c. q. geroepen en bevoegd zijn, aangestelde Opzieners en Dienaren te verlaten en andeien in hun plaats te stellen. Ook dit is boven alle verdenking verheven. Maar alleen of in het voorliggend geval deze oefening van hun ambt toepasselijk was.

M. a, w. of metterdaad de Opzieners en Armverzorgers, die in het ambt stonden, in dit hun ambt het gezag en de majesteit des Konings hebben gehoond.

Ook hierover nu is, met Gods Woord voor ons, geen tweeërlei gevoelen mogelijk.

Naar luid van Gods Woord is de Middelaar door God tot Hoofd der gansche Kerk, en dus ook van de kerken in ons vaderland, aangesteld; is hem daartoe gegeven alle macht; en moet hij alle deze kerken regeeren en deze kerken zich laten regeeren door hem.

Voor dat regiment nu gaf hij op aarde de wet in zijn Woord, en een iegelijk die in zijn naara optreedt als dienaar, opziener of diaken, heeft dus de majesteit van onzen Koning daarin te eeren, dat hij dit gezag van Christus in alle kerkelijke handelingen gelden laat, en bestrijdt alle gezag dat zich tegen Christus' gezag in zijn kerken indiingt of over haar poogt te hcerschen.

Hieruit vloeit voort, dat geen Dienaar, Opziener of Diaken n.ede mag werken in eenige kerkelijke handeling of in eenige kerkelijke vergadering, waarbij en waardoor dit gezag van Christus en zijn Woord niet openlijk erkend wordt, en alle daartegen ingaand gezag niet openlijk wordt verworpen en bestreden.

Nu is het openbaar en het staat vast, i^. dat de Haagsche Synode het gezag van Christus als het Hoofd onzer kerken niet erkent; en evenmin het gezag aanvaardt van de wet door Christus in zijn Woord ook voor onze kerken gegeven; en 2". dat zij zich zelve aanmatigt en toeeigent een „hoogste, wetgevende, rechtsprekende en besturende macht, " die niet gebonden is aan het Woord, maar alleen aan haar eigen goeddunken.

Is het evenzeer openbaar:1". dat de Provinciale en Classikale Besturen, hetzij de leden die er inzitten, zich Orthodox, Modern, Groningsch ot Ethisch noemen, hunne besluiten niet gronden op Gods Woord, noch ook hun ge7, af aan Christus ontkenen; maar 2'^. hunne besluiten eeniglijk regelen naar den last en het bevel van de Synode, die zich in Christus' plaats zette, en elke poging van particuliere kerken om houw en trouw aan haar Koning te blijven, als

schennis van de majesteit der Synode strattc.

En is het evenzoo kennelijk en openbaar : i". dat de kerkeraden die nog onder de Synodale organisatie bleven, ook al schikken ze zich in ondergeschikte dingen naar het Woord, zoodra de gezagsquaestie aan de orde komt, dit Woord en het Gezag van Christus opzij schuiven en voor niets rekenen ; en 2". dat deze zelide kerkeraden, alzoo in ongehoorzaamheid en staat van ontrouw en opstand tegen hun wettigen Koning verkeerende, letterlijk kruipen in onderdanigheid voor het valsche Gezag, dat zich in den vorm van Ciassikale, Provinciale en Synodale Besturen tegen het Koninklijk gezag Christi heeft opgeworpen.

En overmits er alzoo niet één kerkeraad of Classikaal Bestuur is, dat zeggen durft: „Daar ligt Gods Woord, ddt zal ik gehoorzamen, ook al verbiedt de Synode het mij honderdmaal"; maar ze alleen, Gods Woord niet achtende, beven en sidderen voor het zvoord der Synode, kan er geen quaestie over bestaan, of de geloovigen moeten krachtens hun ambt voor hun Koning opkonaen, en deze aan Jezus ontrouw gewordene voorgangers óf tot bekeering vermanen, óf, he'pt dit niet en volharden ze in hun ontrouw, krachtens den last en de bevoegdheid door het Hoofd der kerk hun verleend, andere opzieners en diakenen aanstellen^ dis bereid zijn, niet zich zelven en niet de Pseudo-Synode, maar den Zone Gods in hun ambt te dienen.

Al wat dusver door de Synodalen hiertegen is ingebracht, is dan ook niets dan naschtijverij van wat de Roomsche kardinalen in de i6e eeuw tegen onze Hervormers inbrachten; maar dan met heel wat rijker talent, bezonnenheid en ernst, dan het thans geschiedt.

01 ook, waar de Roomsche goudmijn is uitgeput, winkelen onze Synodalen, en dit is van erger natuur, bij de Kerkvaders die in oude tijden het Montanisme^ Donatisrne en Novatianisme bestreden; bij de Hervormers die de Wederdoopers weerstonden; bij de Presbyterianen die de Independenten terechtzett'en; en bij de trouwe Gereformeerden die het Labadisme te keer gingen.

Iets wat daarom erger is, overmits het in al deze worstelingen een bestrijding gold van de stelling, dat men de kerkgemeenschap niet breken mocht, om de onvolmaaktheden van leden en voorgangers; en het thans een geheel anderen strijd geldt, de quaestie van Majesteitschennis. Het al of niet verloochenen van het kerkregiment van Christus onzen Heere.

Deze speculatie op de onkunde der leden nu, boezemt ons, waar ze te goeder trouw geschiedt, geen hoog en dunk in van de intellectueele rijpheid der Synodale woordvoerders, en waar ze, door schrandere Synodale pleitbezorgers, met opzet en tegen heter weten, plaats grijpt, vervult ze ons slechts met een gevoel van ergernis en weerzin.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van Sunday 3 March 1889

De Heraut | 4 Pagina's

Dat de macht door Jezus onzen Koning

Bekijk de hele uitgave van Sunday 3 March 1889

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken