Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Theorieën van Kerkzuivering.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Theorieën van Kerkzuivering.

9 minuten leestijd

xm.

De moeielijkheid ontstaat voor de Doleantie eerst door het Collegiale kerkverband. ' Is het kerkverband niet Collegiaal, maar Gereformeerd, dan loopt de Doleantie, gelijk dit in de jaren der Dordsche Synode gezien is, vanzelf.

Buiten het Collegiaal verband toch, wordt elke plaatselijke kerk in haar zelfstandigheid geëerd, en heeft elke plaatselijke kerk het onbetwistbaarst recht, om tijdelijk, zoo dit voor het blijven bij Gods Woord noodig is, haar eigen weg te gaan.

Stel dus, we hadden ook in 1886 niet geleefd onder het Collegiaal kerkverband, dan zou in kerken waar de kerkeraad goed wilde, zooals te Voorthuizen, Kootwijk, Reitsum, enz. niet deze tweede, maar eenvoudig de eerste theorie van kerkzuivering zijn toegepast. Het zou er geworden zijn eene reformatie der kerk door de kerkres^eerders. Eene reformatie van de kerk door de kerk. Een wezenlijke kerkherstelling aan hoofd en leden, zijnde hier dan de kerkeraad het hoofd, en de geloovigen te dier plaatse de leden.

In andere kerken daarentegen, waar de kerkeraad zich tegen het Kerkherstel verzette, zouden»de geloovigen" gehandeld hebben, hetzij geheel op eigen risico, hetzij onder leiding van een minderheid der ambtsdragers. En al naar gelang dan de onderlinge verhouding in zulk eene kerk was, zouden zij, die niet meegingen, stil hebben gezeten, of een tegenkerkeraad hebben opgericht, of het oude kerkleven hebben voortgezet. Zóó ging het in de dagen der Reformatie, en zoo zou het ook nu zijn gegaan, en met geen Synode zou gerekend zijn.

Maar, helaas, de wrange vrucht van het Collegiale kerkrecht was, dat dit alles thans anders liep. Eerlang hopen we den aard en het wezen van dit ongoddelijke, echt revolutionaire Collegiale kerkrecht nader en meer opzettelijk uiteen te zetten.

Thans volsta de herinnering, dat een „genootschap" in het Latijn „collegium" heet, en dat dus Collegiaal kerkrecht niets met het woord college of collegie, gelijk dit bij ons geldt, uitstaande heefc. Men had het ook Sociëteits-kerkrecht kunnen noemen, omdat societas ongeveer hetzelfde beteekent als collegium in den hier bedoelden zin.

Toch klonk het woord collegiaal beter, en onder dien schoonschijnenden naam heeft men toen de kerk van Christus omgezet in een Genootschap, een Sociëteit iof een Vereeniging, die haar oorsprong vond, niet in een daad Gods, noch in den wil van onzen Koning die in de hemelen is, maar eeniglijk in den wil en de daad des menschen.

Het waren menschen die, zonder aan belijdenis van het Woord Gods gebonden te zijn, van de kerk maakten wat ze wilden.

En zoo geldt dan nu ook ten onzent de theorie, dat de leden dezer plaatselijke kerken, uit eigen machtsbevoegdheid, rebus ipsis et factis, onze oude plaatselijke kerken van Christus op hebben gelost in een kolossaal „Genootschap", dat de *Ned. Herv. kerk" heet. Een lid b. v. der plaatselijke Synodale kerk te Hilversum is nu niet meer lid van die plaatselijke kerk, maar lid van het groote millioenen zielen tellende Genootschap. Dit „Genootschap" heeft ook een sectie of afdeeling te Hilversum. En zoo en zóó alleen bestaat er te Hilversum eene Synodale kerk.

Gelijk uit dit valsche systeem van kerkrecht wel moest voortvloeien, stond nu dit heele Genootschap, in zijn kolossale afmetingen, onder één bestuur. Naar Gods Woord is er op aarde slechts één bestuur in de kerk, t. w. de kerkeraad, en dat wel om de eenvoudige reden, dat het bestuur uit de ambten bestaat, en er geen andere dan plaatselijke ambten (na het wegvallen der Apostelen althans) door Christus zijn ingesteld: leeraren, ouderlingen en diakenen.

Maar dit kon nu in de groote Collegiale „Nederlandsche Herv. kerk" niet meer. Vormden deze millioenen één Genootschap, dan moest dit ééne Genootschap ook één bestuur hebben, en waren de plaatselijke kerken slechts afdeelingen van dit groote Genootschap, dan konden de kerkeraden ook niet anders meer zijn, dan subalterne commissies, uitvoersters van den Genootschappelijken wil, gelijk die door het hooge Genootschapsbestuur wierd uitgesproken.

De geloovigen hadden dus bij de Reformatie der kerk nu niet meer in de eerste plaats met hun kerkeraad te rekenen, maar stuitten terstond op dit Genootschapsbestmir, genaamd de Synode. Deze toch was als de polijp met de vele slingerarmen, die haar armen door heel het land slingerde.

Dit nu maakte, dat elke poging van de geloovigen om hun plaatselijke kerk te reformeeren, aanstonds opstand moest schijnen en als revolutie moest te boek staan. En onbewimpeld moet toegegeven, dat elke kerk die in Doleantie ging, dan ook met­ terdaad tegen het .Synodaal Genootschapsbestuur in ö/5to«< /kwam, en zoo principieel mogelijk revolutie in dezen Genootschappelijken toestel aanrichtte.

Kon dan ook bewezen worden, dat deze Genootschapskerk werfeelijk voor God gold en dus ook dit Synodale Genootschapsbestuur namens den Koning der kerk regeerde, dan ware het ook buiten kijf, dat alle Doleerenden aan opstand tegen GP^/J ordening en aan revolutie tegenover den Koning der kerk schuldig stonden.

Blijkt daarentegen dat deze »Genootschapskerk" te^en Gods Woord, en der halve tegen Gods ordinantie ingaat; in strijd er mee ontstond en voortbestaat; en het gezag van den Koning der kerk niet uitoefende maar tergde; — dan volgde hier ook uit, dat elk lid der kerk dat voortging, om met dit Genootschap te heulen en voor dit Genootschapsbestuur de knie te buigen, medeplichtig wierd aan den opstand waarin deze Genootschapskerk tegen God leefde, en aan de revolutie waarin ze stond tegenover den Koning der kerk.

Blijkt daarentegen dat deze »

Het stond dus zóó.

Gerekend naar het Collegiale recht, was de Genootschapskerk de wezenlijke kerk en het Genootschapsbestuur wettig, terwijl naar luid ditzelfde kerkrecht de Doleerenden in opstand ytzvcn tegen dit bestuur en revolutie in dit Genootschap brachten.

Gerekend daarentegen naar Gods Woord, verkeerde de Genootschapskerk zelve in staat van revolutie en was haar bestuur in openbaren opstand tegen den Souverein der kerk.

Hij dus die zegt, dat de Doleerenden aan revolutie en opstand schuldig staan, is van oordeel dat Gods Woord ongelijk en het Collegiale kerkrecht gelijk heeft. Hij daarentegen, die aan Gods Woord eere geeft boven het Collegiale kerkrecht, moet wel oordeelen dat de Doleerende aan den opstand en de revolutie juist een einde maakt, en dat ongekeerd de Synodalen nog steeds in staat van opstand tegen God en in revolutie tegen zijn Woord blijven voortvaren.

Dit nu v/as oorzaak, dat een kerk die geregeerd wierd door een goeden kerkeraad, die tot reformatie bereid was, toch niet naar de eerste methode kon reformeeren maar vanzelf den weg van Doleantie moest inslaan. Immers als kerkeraad was hij het hoofd niet, het hoofd bleef de Synode. En reformatie aan hoofd en leden kon dus niet worden toegepast.

Voorts volgde hieruit, dat de daad van reformatie thans zijn moest wat ze noch in de i6de noch in de 17de eeuw zijn kon, te weten een protest van reactie tegen het Collegiale kerkrecht. Daartegen kon de reformatie zich noch in de i6de noch in de 17de eeuw keeren, om de eenvoudige reden, dat er destijds geen Collegiaal kerkrecht bestond. En Dr. Van Toorenenbergen, die dit alles beheerschehd verschil voorbijziende, zich contenteerde met het zeggen, dat de Doleantie van 1600 onder de kerkorde bleef en de Doleantie van 1886 tegen de kerkorde ingipg, bleef met deze opmerking beneden den historischen zin, die hem anders zoo uitnemend eigen is.

En eindelijk vloeide hieruit voort, dat de kerken die thans in reformatie gingen, als noodzakelijk gevolg van haar principieel verzet tegen het Collegiale kerkrecht, onverwijld verklaren moesten onder welke kerkorde ze dan nu voortaan zouden leven.

Twijfelachtig kon die keuze niet zijn. De kerkenordening van 1619 was nimmer wettig afgeschaft, ook al was ze een tijdlang buiten werking gesteld. En zoo sprak het dan vanzelf, niet dat deze kerken, elk voor zich, een nieuwe kerkenordening invoerden (wat geen plaatselijke kerk uiteraard doen kan) maar dat ze omgekeerd juist ontkenden dat dit kon, en eenvoudig zich weer voegden onder de kerkenordening van 1619, als de eenige die geldigheid had gehad, en wier gezag vanzelf herleefde.

Doch ook bij dit noodzakelijk verschil met de Doleantie van de 17de eeuw, hielden de kerken, die thans in Doleantie gingen, wel terdege aan de principieele gedachte van deze tweede theorie van kerkzuivering vast.

Dit bleek hieruit: i". dat ze oordeelden niet langer te mogen vasthouden aan het pogen, om de kerk door de kerkregeerders te zuiveren, nu bij het Amsterdamsch Conflict gebleken was, dat de kerkregeerders zich met al hun macht tegen reformatie verzett'en; 2°. dat zij in hun qualiteit van geloovigen kerkelijk namens hun plaatselijke kerk handelden; 3". dat zij zich principieel keerden tegen datgene waarin thans principieel het kwaad school, t. w. tegen het Collegiale kerkrecht e.n het daaruit geboren Genootschap; 4'. dat zij, krachtens de kerkenordening van 1619 hunne reformatie niet buiten verband met de classis tot stand brachten; en 5°. dat zij aanstonds verband zochten met alle andere kerkformatiën, die eveneens met het »Genootschap" gebroken hadden.

Ook kwam dit zuiver karakter der tweede theorie hierin uit, dat zij alle leden der plaatselijke kerk, die zich aanmeldden, als zoodanig overnamen, iriits bleek, dat zij op grond der Belijdenis de zuiverder orde van zaken erkenden, en eerst daarna door kerkelijke discipline waakten tegen ontheiliging van het Sacrament.

Afgezien dus van de vraag of er niet hier en daar onregelmatigheden voorkwamen, staat vast, dat door deze kerken in het algemeen met volle bewustheid de tweede theorie, die va, n Doleantie gevolgd is, doordien niet enkele belijders op eigen risico handelen, maar de geloovigen quhtales en als corporatie optraden.

Slechts moet erkend, en dit deden we reeds meermalen, dat enkelen onzer allengs in den waan kwamen, als ware deze thearie van Doleantie niet één der drie, maar de eenig goede en ware.

En dit nu moest, wierd het niet gestuit, uitloopen op een verzanden van deze theorie. Gelijk toch de eerste theorie in Erasmianisme verliep, door van geen andere theorie te willen weten, zoo ook verliep deze theorie van Doleantie soms in Doleantisme, door zich te gaan aandienen als een absolute theorie, waar geen tweede naast stond.

Dit kwam daarvandaan, óf dat men het bestaansrecht betwistte aan een derde theorie, die door vele Christ. Geformeerden gevolgd is, óf ook doordien men over de grens tusschen deze beide theorieën in het onzekere verkeerde.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 16 juni 1889

De Heraut | 4 Pagina's

Theorieën van Kerkzuivering.

Bekijk de hele uitgave van zondag 16 juni 1889

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken