Bekijk het origineel

,,Mijne verkwikking is in droefenis.''

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

,,Mijne verkwikking is in droefenis.''

8 minuten leestijd

Mijne verkwikking is in droefenis; mijn hart is flauw in mij. Jeremia 8 : 18.

Vreugde en stnart, hoe vaak ook in éénen adem; genoemd, liggen nochtans van Godswege door een peilloos diepe kloof vaneen gescheiden.

Op vreugde had onze God, toen Hij ons schiep, ons aangelegd, en de smart als het tegen-natimrlijke gesteld, dat ons alleen dan kon overkomen, als we uit onze bestemming uitvielen.

Een traan op het menschelijk gelaat is in het Paradijs even ondenkbaar als ze dit eeuwiglijk in de hemelen zal zijn. De lach hoort van nature bij ons, maar de traan is een vreemdelinge die over ons gelaat trekt. Louter blijdschap, storelooze vreugd, genieting zotider einde zal het eens eeuwiglijk wezen; en zoo óók had het onder de kinderen der menschen op aarde moeten zijn. Van blijdschap te trillen kan uw menschelijk hart een eeuwigheid lang uithouden. Daar bezwijkt het niet onder. Daar stérit het niet van. Maar droefenis put uit, mat af, verkeert de ziele. En het menschelijk hart, dat al te lang en al te bang gefolterd wierd, voelt dat er aan zijn leven wordt geknaagd. Droefenis is als een krankheid, die u ondermijnt tot ge het niet meer kunt uithouden, en u het hart breekt van innerlijken weedom, en uw levenskracht u begeeft en ge sterft.

Blijdschap en vreugde doen opleven, maar hartzeer delft u het graf.

En vooral zoo die smart zich niet uiten kan, zoo uw droefenis zich in zich zelf moet opsluiten, is de verwoesting des lijdens nauwelijks af te meten, die door het vreugdeloos wegkwijnen in somberheid en bange benauwing in uw menschelijk aanzijn wordt aangebracht.

En toch, hoe bitter de droefenisse onze natuur ook tegen zij, toch kunnen er oogenblikken komen, dat een Jeremia uitroept: »Mi/n verkwikking is in droefenisse; " dat de smart begeerd wordt; het geschrei en het geween welkom is; en er zaligheid wordt gesmaakt in bangen weedom der ziele.

Want wel was de lach, en niet de traan het stempel, dat God in het paradijs pp Adam's gelaat afdrukte; maar ab de oorzaak voor het lachen u ontgleed, en kwade dagen over u kv/amen, dan is niet te kunnen weenen nog banger dan niet te kunnen lachen.

Onaandoenlijk te midden van uw ongeluk te verkeeren, is het hardste, dat u als mensch overkomen kan.

Dit teekent zich bij gewonen tegenspoed reeds af in het verschil tusschen den éénen mensch en den anderen, al naar zijn jaren zijn en zijn aard is.

Een kind lacht snel, maar is even gul met zijn tranen. De minste tegenspoed in zijn jeugdig leven is soms toereikend om een kind te doen snikken van het huilen, dat er geen bedaren en geen stelpen aan is; en zelfs in later jaren, als het kind een rijper leeftijd tegengaat, blijft het niet zelden het voorrecht der jeugd om zoo echt hartstochtelijk, zoo met beide volle oogen overvloediglijk te kunnen uitweenen, dat de smart zich op eens ontlast; en soms een dag later de lach weer even gul en overvloedig op dat zelfde gelaat speelt, dat gisteren nog zoo troosteloosL, verzwolgen scheen in doodelijke droefenis.

En zij het al niet zoo sterk, toch vindt ge ook bij volwassen personen soms sterke neiging tot hartstochtelijk betoon van droefheid. Maar hier scheelt de een veel bij den ander. De één zal zeer aandoenlijk zijn, en bij de minste oorzaak uitbundig in zijn vreugd of overstelpend in zijn tranen wezen, terwijl de ander maar nooit tot uiting van zijn gevoel kan komen; bijna nooit uitgelaten in zijn blijde oogenblikken, maar ook bijna nimmer tot weenen bekwaam.

Toch is daarom de man, die huilen kan, lang niet altoos de mnn van het diepere gevoel. Eer zijn de personen die steeds hun lach en hun traan bij de hand hebben, minder diep en meer oppervlakkig aangelegd. De spiegel van den stroom huns levens rimpelt zich bij het minste zuchtje.

Zij kennen dan ook de verkwikking van hun droefenis niet. Wel doet het weenen hun goed en ontlast zich hun droefheid snel in haar tranen. Maar dit gaat zóó van zelf, dat ze niet anders weten of hét hoort zoo, en de vreugde ervan kennen ze niet.

Maar die anderen kennen die vreugde te beter.

Die niet weenen konden, en toch zoo tot aan de keel toe vol waren, en zoo telkens geroepen hadden: »o. Kon ik maar eens uitweenen!", en bij wie het dan eindelijk tot dat stille uitweenen van de smart hunner ziele kwam, ja, waarlijk, die merkten het wel, wat weelde er in die tranen, wat zaligheid er in die uitgieting hunner ziele school, en die verstaan wel wat Jeremia uitriep: -t^iMijn verkivikking was iji mijn droefenis r

Toch is ook hiermee deze gedachte niet tot op den bodem gepeild.

Immers de geestelijke onaandoenlijkheid is van nog erger natuur,

Onaandoenlijkheid is altoos iets, dat een edele ziel tegen de borst stuit. Als ge hoort van een zedelijken gruwel die plaats greep, en ge voelt niet sterk genoeg de verontwaardiging er over in u opkomen; als u een kostelijke zegen van uw God in uw huis of in uw beroep wierd geschonken, en ge voelt er u niet warm genoeg dankbaar voor; als er één bedenkelijk krank ligt onder uw vrienden of van uw eigen lieven in uw huis, en de angst en de zorg voor het leven spant u te weinig; of erger nog, als er een gang naar den doodenakker wordt gedaan, en ge in het huis der rouwe verkeert, en u toch niet genoeg onder den indruk van den dood voelt, en de rouwe uw eigen hart niet diep genoeg wondt, o, dan toornt wie edeler van ziel is op zich zelf, en dan sloeg meer dan één zich tegen het voorhoofd, roepende: Wat is mij toch, dat ik zoo koud, zoo koel, zoo onaandoenlijk kon wezen, waar toch alles mij drong, om innerlijk geschokt en bewogen te zijn.

In oude tijden huurde men dan soms rouwklagers, die door gebaren en geluiden opzettelijk den rouw konden opwekken, en nog is het bij Oostersche volken gewoonte, om dagen lang door allerlei misbaar de rouwdragende stemming der ziel gaande te houden. En zeker, daar lag en ligt nog overdrijving in; maar toch, als ge soms kinderen vindt, die met een droog oog hun moeder naar het graf dragen, of een man, die, zonder een traan te laten, in het isStetfhai-s, . vaii zijn vrouw/ pver alles anders dan over de doode, die straks wordt uit-' gedragen, spreekt, en ge ziet dit kwaad in onze sterfnuizen hand over hand toenemen, dan rijst toch soms de vraag wel eens, of dat misbaar en die rouwklagers niet een plaats vervulden, die nu ledig blijft.

Maar ook dit is toch nog dé geestelijke zijde van deze verkwikking in droefenis niet, '

Daaraan komt ge eerst toe, zoo ge ook de geestelijke zijde der droefenisse aanraakt, en u afvraagt, of in u wel die weet, dat diepe gevoel van smart, die innerlijke zuigin^ van droefenisse if, die het besef van uw geestelijke ellende in u teweeg moest brengen.

Want, helaas, ook op dat geestelijk etf woedt thans de pestilentie der onaandoenlijkheid maar al te bitter.

En dan klaagt, niet het kind der wereld, maar juist het kind van God, dat het door die geestelijke krankheid en onaandoenlijkheid zich innerlijk zoo aangeklaagd, zoo beschuldigd, zoo beticht voelt.

Immers, Gods kind weet van zijn zonde, kent iets van zijn diepe breuke met zijn God. En nu is wel die zonde hem verzoend en die breuke geheeld. Neen, waarlijk hij verwerpt de genade niet die in Christus is. Marr dit hindert Gods kind, dat hij in die genade zoo onaandoenlijk berust

Wat hij zou willen is, dat eiken morgen en eiken avond de ontzettendheid van zijn verlorenheid en van zijn opstand tegen zijn God hem klaarlijk voor oogen stond. Wat hij zou afbidden is, dat hij eiken morgen en eiken avond door een hartgrondig berouw over zijn zonde en ongerechtigheden mocht v.'-rden aangegrepen. En w; , t hem zalig zou zijn, het is, zoo hij eiken morgen en eiken avond, met deze bittere rouw in zijn ziel begenadigd en gebenedijd mocht worden met "een versche overgieting van het heil zijns Heeren.

En dit nu te derven is hem een gemis. Het althans zoo weinig diep, zoo weinig aanhoudend te kennen, is een leemte die hem onbevredigd laat.

Hij gelooft ook wel, en zou er ook wel op sterven kunnen. Ja, als het aan hem toekwram, zou het vuur en de gloed voor zijn Heere wel weer in geestdrift op waken.

Maar, o, de gevoelige bevinding van deze droefenisse over eigen zonden zou hem zoo kostelijk zijn.

Zóó was het in het zoet der eerste bekeering. Zóó zou hij het telkens weer willen.

En daarom, als God de Heere hem de ziel soms weer eens week maakt, dat er van binnen weer iets geschokt en geroerd v/ordt, en het ijs smelt, en de onaandoen lijkheid weggaat, en de ziel weer eens bitterlijk bedroefd kan zijn, zooals de ziel van een Petrus na de verloochening zijns Heeren was, neen, dan schuwt hij die droefenisse niet; dan is veeleer die smart hem weelde voor de ziel geworden, en dan verstaat hij beter dan iemand wat Jeremia uitriep: In mijn droefenisse was mij verkwikking.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 14 juli 1889

De Heraut | 2 Pagina's

,,Mijne verkwikking is in droefenis.''

Bekijk de hele uitgave van zondag 14 juli 1889

De Heraut | 2 Pagina's

PDF Bekijken