Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Van de rechtuaardigmaking.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Van de rechtuaardigmaking.

15 minuten leestijd

ZONDAGSAFDEELING XXKI.

II.

Ze zijn door ongeloof afge broken. (Rom. 10:20.)

Teruggebracht tot de oorspronkelijke gerechtigheid in onze menschelijke natuur, schittert het wezen des geloofs dus nu weer in zijn merk van goddelijken oorsprong. God de Heere, die ons schiep als zijn schepselen naar zijn beeld, van Hem geheel afhankelijk, en uit Hem alle volmaakt en geestelijk goed ontvangende, plantte ons hiervan ook het bewtistzijn in, en het ademen der 2iel uit dit bewustzijn of dit zielsbesef is het geloof. Wel te verstaan, geloof, niet in zijn zaligmakende, maar meest algemeene grondbeteekenis.

Te gelooven is te weten en te erkennen: ik besta niet uit en door mijzelf, maar ben van iemand en hoor bij iemand en besta alleen door diens daad en werk. God zelf kan niet gelooven, omdat Hij zich zelf genoegzaam is, uit en om en door zich zelven bestaat en alle volmaakt goed in zich zelf bezit en uit zich zelven voortbrengt. Ware dus de mensch als God, dan zou er ook bij den mensch van geen geloof sprake kunnen zijn. Maar nu de mensch schepsel en geen Schepper, afhankelijk en nietixya. eigen meester, innerlijk van alles ontbloot en niet zelfgenoegzaam is, nu moet er geloof in hem zijn, d. w. z. nu moet hij inzien en erkennen, dat hij niet om zich zelven noch door zich zelven, maar alleen om en door God bestaat, en evenzoo dat alle goede gave niet uit hem zelf als uit een fontein opwelt, maar uit God ais een Fontein aller goeden hem toevloeit.

Niet alsof dit alles anders zou worden, zoo de mensch weigert te gelooven. Dit toch kan niet. Kaïn was en bleef even afhankelijk van God als Adam vóór zijn val. De kracht in zijn spier, waarmee hij Abel doodsloeg, was kracht uit God in hem gewerkt, ja zelfs de kracht in de tongspier en de kracht der redeneering, waarmee hij Gods vergevende liefde lasterde, was kracht Gods die hij misbruikte. Of wij dus gelooven of niet gelooven, dit verandert in het wezen der zaak niets. Ook een goddeloos zondaar blijft in Gods hand en kan zich zonder zijn wil niet verroeren noch bewegen. Ook de ruwste spotter leeft dag aan dag bij Gods gratie. En zelfs bij de ontzettendste zonde wordt nooit een kracht aangewend, dan die God voortbracht. Het hout voor den kruispaal, waaraan Gods lieve Zoon genageld is, had God en niet Satan laten groeien.

Maar, en hier moet wel op gelet. God schiep den mensch naar zijn beeld. En overmits nu God de Heere geen onbewuste kracht, maar een zelfbewust Wezen is, zoo hoort het ook tot het wezen van den mensch om te weten waar hij aan toe is, in te zien hoe hij bestaat, en zijn gedachten en overleggingen met dezen zijn v/aren toestand te vereenigen. Het hoort dus bij den mensch en is eisch van zijn wezen, dat hij niet alleen als schepsel Gods, in diepe afhankelijkheid van Hem besta, en uit Hem alleen leve, maar ook, dat hij dit alles wete, erkenne, wille en zijn innerlijk bewustzijn daarmee in overeenstemming brenge.

En dit nu juist is het onderscheid tusschen den goddelooze en dien die God vreest. Beiden én de goddelooze éa de Godvreezende zijn beide schepselen, beiden even afhankelijk van God, en beiden geen kracht bezittend dan die uit de Fontein aller goeden gevloeid is. Maar hierin staan ze lijnrecht tegenover elkander, dat de Godvreezende dit alles weet, erkent, inziet, wil en er zich naar richt, terwijl omgekeerd de goddelooze het bestrijdt, er tegen ingaat, het niet wil en er een leugen tegenover stelt. Bij beiden werkt dus wel het bewustzijn, maar bij den rechtvaardige i.s de werking van dat bewustzijn dat hij het inziet en erkent zooals het is, en dus gelooft, terwijl de goddelooze het betwist, het ontkent, het loochent, en nu de waarheid zooals zij bestaat niet gelooft, maar er een leugen voor in de plaats fantaseert, de leugen namelijk dat hij niet afhankelijk, dat hij zijn ei^en meester is, en dat de kracht waarmee hij leeft en werkt niet uit God is. Want of hij nu zijn steunpunt en de bron zijner kracht zoekt in de natuur, in de rede, in zich zelf of in Satan, dit is al om het even. De wrarheid dat hij alleen uit, door en voor God bestaat, gelooft hij niet, en de leugen dat hij uit, door en voor iets anders bestaat, neemt hij aan. Dat is zijn ongeloof, en in dat ongeloof is zijn zonde.

Nu echter dient er wel op gelet, dat dit geloof en dit ongeloof terstond een geheel gewijzigd karakter aanneemt, zoodra ge niet meer met den mensch, maar met dén zondaar te doen hebt.

Is toch ons geloof in algemeenen zin de wetenschap en de erkentenis dat God onze God, d. i. onze Schepper en Heere en de eenige Bron onzer kracht is, dan spreekt het vanzelf, dat de zonde dit bewustzijn breekt en verstoort Immers de zonde snijdt den geleiddraad, die ons zielsbesef met God verbindt, door. Zoodra de zonde in ons levendig wordt gevoelen we ons niet meer met God vereend maar van Hem afgestooten, en er komt een besefin ons, dat wel die God er nog is, en dat die God nog even machtig is, maar we leven onder den indruk, dat die Fontein aller goeden haar springader voor ons toestopt, en dat de macht des Heeren HEEREN niet meer zegenend, maar eer verdervend naar ons uitgaat. Hiermee is dus het geloof in ons gestoord en vernietigd. Het is nog wel alzoo, dat in God de Fontein aller goeden is, maar naar ons vloeit dat goed niet meer af. Eer is het of de wateren die ons toevloeien en die ons drenken moesten, als een verzwelgende stroom voor ons wierden en ons bedelven.

Uit dien hoofde nu moet het geloof, zoo het in den zondaar leven zal, een geheel ander en eigenaardig karakter aannemen. Was het voor den oorspronkelijken mensch genoeg dat hij wist: „Ik als schepsel ben in de hand van mijn Schepper, in dien Schepper is de Fontein aller goeden, en met die Fontein heeft mijn ziel gemeenschap om er dat goed uit in te drinken, " — thans, in den toestand zijner zoude baat hem dit niet meer. Nu toch komt het er op aan te weten, niet wie de Schepper voor zijn schepsel, maar heel anders, wie de heilige God voor den zondaar is; welke werking er van dien God op den zondaar uitgaat; en op wat wijs er voor den zondaar weer herstel van gemeenschap met die Eeuwige Majesteit mogelijk is.

Op deze vragen nu geeft God de Heere het antwoord in zijn Christus. De Middelaar treedt tusschenbeide. Het Evangelie wordt openbaar gemaakt. En dit Evangelie heeft geen anderen inhoud, dan het antwoord op de vraag: hoe een zondaar die in zonde viel weer tot een zalig leven in zelfbewuste gemeenschap met de-hoogen God kan geraken. Zelf kan de zorttaar hier niets aan doen. Nu eenmaal door zijn zonde de geleiddraad die zijn zielsbesef met zijn God verbond was afgesneden, waren alle zondaren saam niet meer in staat, dien draad weer aan te binden. Juist omdat naar den grondslag der schepping, alle kracht van den Heere naar het schepsel moet uitgaan, kon ook deze kracht om de zielsgemeenschap met den Eeuwige te herstellen, nooit uitgaan van den afgesneden mensch. Deze toch had geen kracht uit zich zelf en ontving geen kracht meer ter beschikking van zijn God, en voor zooveel hij nog over kracht beschikt, was dit ju'st het noodlottige der zonde dat hij door een duivelsche noodzakelijkheid al deze kracht verspilde en misbruikte. Alleen van God kon dus het heil komen. God zelf moest zich weer naar den mensch toe bewegen. Van Hem moest de zoekende liefde uitgaan. Hij, onze God, moest zich verklaren, en het openbaren, of er voor een zondaar die Hem ontviel, nog een weg kon geopend, om hem weer tot de zielsgemeenschap met Hem, zijn God, te brengen. Kortom, het moest door God zelf geopenbaard, of dat zalige bewustzijn, dat in het geloof werkte, hersteld kon worden in een mensch die zondaar wierd en dus het oorspronkelijk geloof afsneed.

Hierop nu was de Christus het antwoord. Ia den Christus toch werd dit Evangelie gewrocht, getoond en geopenbaard, dat er in God is barmhartigheid, ontferming en Goddelijk mededoogen. Daarvan kon in' het paradijs natuurlijk geen sprake zijn. Zoolang er niemand is, die mij iets in den

weg legt, kan niet openbaar worden, of ik vergevingsgezind ben. En eerst als er iemand is die mij grieft, verdriet en beleedigt, kan ik juist aan dien vijand doen zien, of de zachte zin van verzoening in mij is. Zoo nu ook bij den Heere. Zoolang Adam in stil geloof voor Gods aangezicht wandeldCj kon er van Gods liefde, van Gods heerlijkheid, van Gods almacht, van Gods wijsheid veel in en voor zijn ziel schitteren, maar vergeven en hem in ontferming genadig zijn kon de Heere niet.

De vraag stond dus open, en Adam wist het niel en geen zondaar wist het, of God de Heere een zondaar opeens en zonder hope voor eeuwig afsnijdt, dan wel of er in God den Heere nog gedachten des vredes zijn; of Hij wil den dood eens zondaars, of dit, dat hij leve.

En dit nu is in Christus openbaar geworden. Een weg des heils is ontsloten. God de Heere is openbaar geworden, als barmhartig, genadig en groot van goedertierenheid, en tot den mensch is de sprake uitgegaan, dat hij ook als zondaar weer bewuste zielsgemeenschap met zijn God kan erlangen, want dat uit die Fontein aller goeden niet alleen alle overige geestelijk goed welt, maar dat van den Vader der lichten óók afdaalt de glans zijner verzoenende, verlossende en herstellende genade; kortom dat ook een zondaar, omdat God een genadig God is, tot geloof aan God komen kan.

Dit laatste echter altoos zoo, dat ook hierbij de grondslag der schepping blijft doorgaan, en ook dit geloof in den zondaar niet als vrucht van eigen inspanning, maar alleen als Gods gctve openbaar kan worden.

De aard toch van ons wezen als schepsel en van onze ontaarding als zondaar, is dat wij altoos als Kaïn blijven roepen: „Mijne zonde is grooter dan dat ze vergeven worde." Niet natuurlijk in die oogenblikken, dat we met God niet rekenen, aan onze zonden niet denken, en niet eens vermoeden, dat we verzoening van ncode hebben. Och, in die gedachtelooze oogenblikken zinken we nog ver beneden Kaïn weg. Maar als er onrust in het gemoed komt, als God ons aanspreekt gelijk Hij Kaïn aansprak, en de vraag van vergeving of niet-vergeving voor onze ziel treedt, dan zegt de conscientie in den zondaar altoos: Het kan niet, en is zijn zielsbesef onbekwaam, om de aangebodene verlossing aan te nemen, eenvoudig omdat hij niet gelooft dat er in God zulk een ondoorgrondelijke barmhartigheid is. Dan zijn de armen der eeuwige ontfermingen wel onder hem, en is Gods verborgenheid wel over zijn tente, maar hij heeft er geen gemeenschap meê. Zijn ziel stoot ze af.

Daad Gods blijft het dus, niet alleen om ons den Christus te schenken, en in dien Christus zich als een God van goedertierenheid vol ontferming te openbaren, maar ook om in den zondaar door zijn Heiligen Geest het zielsbesef weer zoo om te zetten, dat hij deze waarheid niet van zich stoote, maar aanneme, en krachtens de aanneming van deze waarheid weer in zielsgemeenschap met zijn Vader in de heiiaelen trede.

Dit nu is het in den grond der zaak, dat de mensch gerechtvaardigd wordt door het geloof, en dat de rechtvaardige, gelijk Habakuk jubelt, uit dit geloof leeft.

Op die wijs wordt dus het verloren geloof in den zondaar hersteld, maar nu toont het zich dan ook op een heel andere wijze, het is nu geworden: het qeloof in den Heere Jezus Christus.

Niet om dit te blijven, maar als overgang.

Het doel is om te maken, dat de zondaar eens geen zondaar meer zij. Het moet naar het paradijs terug, en dan boven het paradijs uit. De zonde en heugenis der zonde zelfs moet uitgeroeid. Er mag niets, geen spoor zelfs van den opstand tegen God overblijven. Satans werk moet geheel en al verbroken. Maar dit gaat niet opeens. De reddende genade begint met den zondaar nog als zondaar te vinden; moet hem dus nemen zooals hij daar in zijn afval en zelfwegwerping ligt; en moet hem van dit punt af overbrengen naar een staat van eeuwige gelukzaligheid op vlekkelooze heiligheid gegrond.

Dit vordert dus een tusschenperiode. Een periode dat de verlossing werkt, maar haar werk nog niet voleind heefc. Dit nu duurt bij den één een korte wijle, bij den ander vele jaren, maar eischt altoos zekeren tijd. Tot eindelijk de dood komt en met dien dood de volkomen afsterving der zonde, de verlossing uit het lichaam der zondeen des doods. En zoo gaat het dan die eeuwigheid tegen, waarin het werk der verlossing zijn doel bereikt heeft, en wel dit doel, dat de zondaar in den zondaar geheel vernietigd zij; geheel van hem zij afgesneden, en hij in niets meer iets met den zondaar uitstaande heeft, dan alleen dit, dat hij eenmaal tot hem behoord heeft.

Zal nu eenmaal dit heerlijice bereikt zijn, dat de zondaar én in-én uitwendig van alle nawerking en gevolg der zonde bevrijd is, zoodat hij niet alleen als Adam, weer onzondig, maar meer nog dan Adam voor zonde onvatbaar zij, dan natuurlijk zal ook het geloof weer zijn oorspronkelijken vorm herwinnen, en niets dan bewuste zielsgemeenschap met het Eeuwige Wezen zijn.

Maar in dien tijd van overgang, terwijl de genade haar werk nog werkt, kan het tot dien voleinden vorm nog niet komen. Al dien tijd is er geen gemeenschap met den Eeuwige dan door den Middelaar, en zoo moet dan het geloof in God wel den vorm aannemen van het geloof in den Heere Jezus Christus. Niet alsof hier het geloof in God bij ontbrak. Dit kan alleen opkomen bij den twijfelaar, die de heerlijkheid niet belijdt van den God geopenbaard in het vleesch. Neen, in Christus' eigen wezen dringt het geloof des zondaars tot het geloof in God door. Anders zou het schepselvergoding zijn, en alle ziel die in Christus zegt te gelooven en toch ook maar iets afdingt op zijn volstrekte eenswezensheid met den Vader, eert niet God in Christus, maar aanbidt in den Zaligmaker het schepsel, wat een gansch goddelooze afgoderij is, de zonde van het Arianisme.

Maar dit is dan toch voor den zondaar noodzakelijk, dat de band der zielsgemeenschap niet rechtstreeks van zijn ziel op God ga, maar als we ons zoo mogen uitdrukken, loope over en door den Middelaar. De Middelaar is daartoe besteld, alleen in hem opende God den weg der behoudenis, alleen door dien Middelaar heeft Hij zich als een gaarne vergevend en verzoenend God, als een God van alle barmhartigheid geopenbaard.

Niet bij den onzondigen mensch, maar bij den zondaar moet dus alle geloof in God van geloof in den Heere Jezus Christus uitgaan, en dit is de oorzaak en grond van den stelregel des Evangelies: Geloof in den Heere Jezus Christus en gij zult zalig worden, , d. w. z. zoodra uw zielsbesef op zulk een wijs aan den Christus is aangesloten, dat ge aan geen ander heil ten eeuwigen leven dan door hem geloofc; gelooft dat ge bij dit werk uwer verlossing geheel van hem afhankelijk zijt; en dat hij de Fontein des heils is, uit wien alleen de afwassching uwer zonde en de toevloeiïflg van eeuwig leven u kan toekomen, — zoodra ge er zoo aan toestaat, dan ja, richt uw ziel zich weer uit haar verlorenheid en afgesnedenheid op, en zult ge door den Middelaar weer gemeenschap erlangen met de eeuwige Majesteit des Heeren HEEREN. Ge zult door dit geloof gerechtvaardigd zijn.

Doch nu ook omgekeerd, niet in den Christus te gelooven, is dan nu ook de schrikkelijkste openbaring en verharding van het ongeloof.

Het ongeloof toch begint wel met nog alleen van God af te vallen, maar als de Christus verschijnt moet het openbaar worden, dat deze afval van God zoo schriklijk en ontzettend is, dat zelfs waar die genadige God zijn grenzenlooze barmhartigheden openbaart, de ziel onmachtig is om haar God terug te vinden, en veeleer nog te boozer zich tegen God aankant.

Als eindelijk de Christus Gods verschijnt, knielt al wat zondaar is niet voor hem neder, maar ze roepen hem na, zeggen dat hij uit den duivel is, ze willen hem steenigen, en eindelijk maakt de rechter der aarde zich op, om hem te kruisigen, terwijl al het volk roept: Zijn bloed kome over ons!

Ziedaar, de ontzaglijke zonde van het ongeloof, waarin de wereld door haar afval van God verzonk. Als God zijn Christus aan de wereld schenkt, hangt de wereld dien Christus aan het vloekhout. En datzelfde nu wat op Golgotha door heel de wereld geschied is, datzelfde herhaalt zich bij eiken zondaar, die met den Christus in aanraking komt. Dan wil de zondaar den Christus niet. De Christus is hem een hinder. Heel die verschijning van den Christus is hem een beleediging voor den hoogen dunk waarin hij omtrent zichzelven omwandelt. En het einde is dat hij dien Christus verwerpt.

Wel te verstaan, zoo doen alle zondaren, en zoo heeft ook elk kind van God gedaan.

Niet één is er die God zocht, niet één die goed deed, niet één die den Christus aannam. Allen zijn ze afgeweken, allen hebben ze den Christus verworpen. En het eenige verschil tusschen hen die Christus zijn ingelijfd en hen die in hun ongeloof en verwerping van den Christus volharden, bestaat hierin, dat God de Heere door een gansch ongehoudene genade in die verlosten nog bovendien door een wonder die inlijving van Christus gewrocht heeft en evenzoo door een wonder hun het geloove in den Heere Jezus Christus heeft ingeplant.

, fétd tran uwxjn Knfi()t un üfr$tatiötg fjart."

Dit artikel werd u aangeboden door: Vrije Universiteit Amsterdam

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 8 september 1889

De Heraut | 4 Pagina's

Van de rechtuaardigmaking.

Bekijk de hele uitgave van zondag 8 september 1889

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken