Bekijk het origineel

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

"Deze zal groot zijn!"

13 minuten leestijd

[fCERSTFBESTJ.

Deze zal groot zijn, en de Zoon des AUerhoogsten genaamd worden; en God de Heere zal hem den troon van zijnen vader David geven. Lukas I : 32.

Ook Gods engelen hebben een maatstaf voor wat klein is of groot. Ook voor hen verliest zich het leven in den hemel en het leven op aarde niet in een chaos zonder waardemeter. Neen, ze hebben het bekend, bekend van de ure der Schepping af, dat God alleen groot was, en al het schepsel tegenover Hem, den Eeuwige, in zijn niet wegzonk. Slechts op één punt greep dat verschil tusschen groot en klein henzel ven aan. Immers, onder dat jubelen: „God alleen groot en alle schepsel als niets geacht voor zijn aangezicht!" moest al Gods engelenheir zichzelven bij dit nietig schepsel insluiten. En dat kon, dat wilde Satan en wilden met hem zijn trawanten niet. Vandaar hun opstand en het verlaten van hun eigen woonstede. En zoo viel uit Gods engelenwacht een heele heirschare weg, die omsloeg in het duivelenwezen, en deswege voor redding en terugbrenging onvatbaar is.

Maar niet allen bezweken. Slechts het kleiner deel der engelenwereld volgde Satan na, en de groote menigte des hemelschen heirlegers bleef trouw aan zijn God, trouw ook dadrin, dat ze voor Gods majesteit het aangezicht met vleugels dekten en als schepselen in hun niet wegzonken voor zijn goddelijke glorie; ja, zóó wegzonken, dat ze niet alleen Gods majesteit hulde baden; maar, veel meer nog, van nu af geen andere ievcnsaaiidrifc keaden, dan dm dta Ndam huns Gods a/^röö^^^te maken, eneenigüjk te bestaan en te leven voor zijns Naams eer.

Toch zou die vroomheid van Gods engelen op nog sterker proef gesteld worden.

Met gedoken aangezicht zich voor Gods majesteit neder te buigen kon den Seraf en den Cherubijn nog in heilige geestdrik ontsteken; maar hoe geheel andere gewaarwording moest niet in Gods engelen opkomen, toen zij in den mensch een schepsel ontdekten, dat God de Heere eerst wel een weinig beneden hen gesteld had, maar dat bestemd was al het engelenheir eens te oordeelen en in wezensstand boven hen uit te gaan.

En toch ook in die harder proef bezweken Gods goede engelen niet. Omdat God lust had in barmhartigheden en zich naar ons gevallen geslacht in ontferming nederboog, gleed iets van het goddelijk mededoogen ook in hun gewaarwording, en aanstonds waren Gods engelen bereid, om als „dienende geesten uitgezonden te worden, om dergenen wil, die de zaligheid beërven zouden."

Niet hun natuur, niet de natuur der engelen zou de Tweede Persoon in het Heilige Wezen aannemen. Zij zouden buiten die heerlijke glorie staan; en al hun roem zou zijn, om in dat bedienen van het heil voor ons gezonken geslacht door God gebruiktte worden. En toch morren ze niet, en klagen ze niet, maar zijn aanstonds bereid om tot dien dienst gebruikt te worden, en vergeten zoo geheel zichzelven en bannen derwijs elk valsch esprit dg corps, dat Gods heilplan hen zelfs in verrukking brengt, en dat ze slechts één ding begeeren, „om in deze verborgenheid der godzaligheid in te zien."

En zoo bespieden ze dan het werk der genade; en wachten op Gods hoog bevel, om in dit werk der genade hun dienst te mogen bewijzen; en ze trekken uit op het goddelijk wachtwoord en verschijnen aan Gods heiligen op aarde; altijd uitziende naar dat doorluchtig oogenblik, als eindelijk het volle heil op aarde zal doorbreken, God self zich onder menschen zal openbaren, en het Vleesche^eworden Woord voor eeuwig op ons menschelijk geslacht het stempel van goddelijke eere zal drukken.

Eindelijk komt die lang beloofde, lang verbeide ure. De kribbe van Bethlehem zal haar heerlijken schat ontvangen. En nu trekken Gods engelen uit; eerst een enkele naar Zacharias en naar de begenadigde onder de vrouwen; tot straks de doorbreking van het heil 'va den hemel wordt ingeluid, en al Gods heirscharen bevel ontvangen, om naar de aarde af te dalen, en in Eirata's velden hun lang gesmoorden lofzang aan te hefifen vun: „Eere zij God in de hoogste hemelen, vrede op aarde, in de menschen een welbehagen!"

In dien lofgang klonk een lied van triomf.

Want vergeet niet, de engelen hadden in menigte hun broederen verloren, die eens met hen om Gods troon jubelden, maar zich daarna in weerstand tegen hun God hadden gekeerd, en nu voor eeuwig aan hun glorie waren ontzonken.

En dat duivelenheir had duivelsch ook op aarde gewerkt.

Satan was in ons geslacht geslopen; had Eva verleid; daardoor Adam ten va.1 ge-Li/acht; c.. z.> o heel uas 0ieasshel; jk gesla; ï: ht meegesleurd in dood en verderf.

Satan en zijn engelen hadden niet opgehouden God tegen te werken. En loen Satan bespeurd had, dat zijn gewonnen spel in het Paradijs toch Gods raad niet verijdeld had, en ia stede van op Gods smaad en 's menschen ondergang, nog op hooger en rijker openbaring van Gods ontferming, en op nog hooger en rijker gelukstaat voor Adams nakroost, zou uitloopen, had duivelsche woede de hel van onderen op bewogen, om met inspanning van alle satanische en demonische kracht dat goddelijk raadsplan tegen te werken en, kon het, Gods heiligen raaJslag te verijdelen.

Vandaar al de bitterheid waarmee Satan het leven van Gods heiligen overgoot. Vandaar de worsteling op leven en dood, die hij tegen Gods kerke ondernam, i.ij had het gehoord, hij had het beluisterd, dat heilig Evangelie in het Paradijs, dat eens het Zaad der vrouw hem den kop zou vermorzelen. En zonder geloot, zonder liefde, zonder hoop, met niets dan zijn duivelschen aard in zich, had Satan gezworen bij zichzelf, dat hij liever dan onder te liggen, al zijn woede zou uitbraken, om de komst van den Messias, "het opbloeien van Gods Koninkrijk en het bestand zijner kerk te verijdelen.

Zoo wierd het een strijd tusschen de engelen die van God afvielen, en de engelen die Gode trouw bleven.

De gevallen engelen zich inspannend, om alle hope des menschen te verderven, en Gods goede engelen al hun krachten leenend en al hun ijver te werk stellend, om den Raad Gods tot behoudenis te verhaasten en te dienen.

En nu eindelijk die ure van Bethlehem toch kwam, en het Kindeke Gods d^dr in de kribbe lag, nu zongen Gods goede engelen victorie en jubelden ze het lied van triomf en zegepraal uit: „Eere zij God in de hoogste hemelen!" wat ook wilde zeggen, dat zij, Gods trouwe engelen, in hun bange worsteling met de booze engelen, door Gods hulpe en genade hadden getriomfeerd.

En bij dien strijd ging het altijd om de „grootheid; " om den maatstaf en den waardemeter, waarmee wat waarachtig groot is, zou gemeten worden.

Want Satan bleefhet nog altoos ^•; 'ÖÖ^ noemen, zoo het schepsel zich onderwond tegen God in opstand te komen, en den strijd tegen zijn God vol te houden; en zij, Gods goede engelen, bleven het wa-re grootheid noemen, zoo het schepsel zich vernederen dorst en zich diep voor zijn God nederboog in het stof.

Dien strijd had Satan dan ook op aarde overgebracht.

Om dien strijd alleen was het hem te doen. Ook wel prikkelde hij den zinnenlust en den lust naar genot, maar toch, dit was hem bijzaak, een genot, dat hij zelf niet kende; en hoofdsaak bleef het hem, in 's menschen borst de hoovaardij te ontsteken, en den mensch met zich in opstand te zetten tegen zijn God. Let er maar op. Hij prikkelde Eva niet, door haar het schoon van den boom der kennisseaan te prij^cen, maar eeniglijk door haar de boozc gedachte in te fluisteren: „Gij, schepsel Gods, zult als God zijn." Entis sicuti Deus!

En van toen af was ook op aarde de booze strijd over ware - «P. v'i'lsche groot heid begonnen. Eenerzijds een pogen en streven ook in den mensch, om op valsche wijs, naar valschen maatstaf, zich een schijngrootheid te verwerven, waardoor hij zich zelf ophief en ophield en groot wierd, in eigen oogen en m het oog van wie met hem dien valbchcn waardemeter aanvaard had-' den. En anderzijds tiet vroom bedoelen van enkelen aan wie God het in de ziel gaf, om die valsche grootheid te verachten, in dienen en toewijien hun glorie te zoeken, en die geen andere grootheid kenden dan de grootheid van hun God.

Die laatsten noemt de Schrift , , de zachtmoediger". Mannen en vrouwen, die vlak tegen het woelen en bedoelen der wereld ovtrstonden. Om wie de wereld lachte. Die ze op den aschhoop bespotte of vaischelijk troosten kwam. Eenvoudigeu van hart, die bij de wereld voor niets werden geacht, en die de wereld achtervolgde met heur spot en hoon.

Maar, mannen en vrouwen, die dit ééne hadden, dat ze geloofden in den rijkdom van de Majesteit des Heeren; en dit met Gods goede engelen gemeen hadden, dat ze ijsden voor het boos opzet van Satan, en hun hope niet op deze wereld stelden, maar op het Jeruzalem dat eenmaal in onvergankelijken luister blinken zou.

En als er dan een vorst of geweldenaar verrees, die land aan land trok, en leger na leger versloeg, en schat bij schat verzamelde, en al het volk boog voor hem de knie en al de heirscharen der wereld dienden hem, dan riep de groote menigte uit: .„Deze is groot.'"

Of als er een man van machtige kennisje opstond, die door zijn vondsten de menigte verbaasde, en dieper dan één vóór hem ia wetenschap indrong en voor een wijze onder de menigte gold, dan ging ook van zulk een de roep in verre landen uit: T> Deze is groot!'

Of ook, als er in de stad of op het land een machtige was, die rijk van herkomst, zijn schatten nog steeds vermeerderde, en goud en zilver in menigte verzamelde, en uitbrak; in overvloed van kemelen en schapen en allerlei vee, en voor wien een ieder opstond in de poorte, en wiens ongenade iemands leven verdierf, dan heette het ook van zulk een geweldige in dien kleinen kring: ^.^Deze is groot!"

Groot was en heette al wat schitterde, al wat verbaasde, al wat uitbrak in macht en heerschappij en mogendheid; en al het draven en sloven van de kinderen der menschen was maar, om die grootheid deelachtig te worden, en kon het zelf eens in dien tastbaren zin groot onder de kinderen der menschen zijn.

En die valsche grootheid verleidde er velen. Want bedenk wel, die grootheid van den troon, en die grootheid van den wijze, en die grootheid der rijken op aarde, sprong zoo sterk in het oog. Men zag ze; ze blonk u tegen; ge kondt ze tasten; en soms deed ze zich zoo ontzettend wreed aan wie anders dacht gevoelen.

Dan stond de drijver op en joeg Gods volk. En als dat volk dan niet buigen wilde, deed die grootheid der wereld aan Gods arme volk een wreeden bitteren dood aan.

En toch hield dat volk des Heeren vol.

De H-ere zond zijn genade uit. Zijn boojschappcrs en profeten onderhielden den moed. Hij gaf zijn teekenenen wonde ren, om zijn macht voor elks oog te toonen. Gods engelen verschenen keer op keer. En het eind was, dat de waarlijk getrouwen, ook na dik lijls gestruikeld ie hebben, toch stand hielden, tot er eindelijk een gehee e „wolkc van getuigen" was, die weer s.eun aan de enkelen bood. Ja, zelfs lotn een Elia moeoclofs inzonk en schier bezweken Mss, had God de Heere m het ééne kleine land van Palestina nog zijn Zcven duizend.

Maar de strijd was bang.

Want het toefde zoo lang Het duuide jaren en eeuwen, dat er wel een profeiie was, maar de vervulling uitbleef. En de geslachten stierven weg en vervingen elkander, zonder dat de Hope der vaderen gezien was.

En dan sloop de verleiding zoo vaak in het eigen hart. Want naar valsche hoovaardij drong ook een valsche prikkel daarbinnen. En zoo wierden ze geslingerd, de getrouwen des Heeren, dat ze soms geheel schenen te bezwijken, en een Jeremïa zelfs uitriep: „Ik wil niet meer profeteeren in zijn naam!"

En toch maakte God de Heere de proef nóg harder, toen eindelijk ook de profetie zweeg, en het arme Israël bijna vier eeuwen lang heeft voortgetobd, onder bange vervolging en zonder een star die aan den donkeren hemel flonkerde, tot alles onderging en heel zijn volkstaat verdween, en er maar één roep in heel de wereld was, de roep over den keizer te Rome.

Dat was de machtige man. Die keizer van Rome zou groot sij'n!

Doch hoor, daar daalt bij GenesaretLsi meer Gods engel tot Maria neder.

Eindelijk, eindelijk is de ure der verlossing ziangebroken. De Heere komt zijn volk bezoeken. De Hope der vaderen komt. De Messias, van wien alle eeuwen getuigden, staat geboren te worden.

En Maria, een dier zachtmoedigen en vertredenen, een prinses van vorstelijken bloede, maar nauwelijks gewend aan het ruim bezit van het dagelijksch brood, ze hoort die sprake van den engel Gabriel aan, en verstaat het niet.

Het wonder is haar te machtig, het mysterie te overstelpend. Hier vloeit een eeuwigheid van ontferming op eenmaal in een maagdelijk hart.

En toch het is geen droom; het is geen zinsbegoocheling; het is volle waarheid en werkelijkheid. Daar staat Gods heilige engel. Hij is uit den hoogen hemel neergedaald. Hij is ingekeerd tot deze vergetene vrouw.

En haar spreekt hij gelukzalig boven alle vrouwen m Israël, ja boven de keizerin die in Rome op den troon schittert.

En hij kondigt haar het Kindeke aan, dat komen zal. Een Kindeke dat verschijnen zal niet in pracht noch in sierlijken luister. Och, in windselen gewikkeld zal het straks op een beestenkribbe in een stal nederhggen.

En toch van dat Kiddeke getuigt de engel van uit Gods zaligen hemel: „DEZE ZAL GROOT ZIJN."

Waat hier verschijnt nu de waarachtige grootheid. Een grootheid, die klein begint en uit een dorren wortel opschiet, maar een grootheid, die wassen en klimmen zód, en steeds hooger zal stijgen aan den hemeliraiis; tot dit Kindeke eenmaal in glorie de hemelen doorgaat, en ontvangen zal macht en heerschapf ij en heerlijkheid, niet over één land en niet over vele landen, maar alle macht in den hemel en op aarde.

En nu is het uit!

Nu ligt Satan geoordeeld, en neergeworpen alle hoovaardij, en in het srof alle hoogheid onaer menschen.

Of wat is Augustus op zijn keizerlijken troon, vergeleken bij dit Kindeke, dat straks in de kribbe wordt neergelegd? Wat djn alle scha< ^ten, wat is alle weelde der aarde bij de glorie, waarin die Christus ten hemel opvoer en nu schittert aan de rechterhand der h erlijkheid? Waar is ooit een liefde en gehechtheid gevonaen als de liefde, sterker dan de dood, waarmee nu reeds achttien eeuwen lang miliioenen bij millioenen onder alle natiën en volkeri^n der aarde voor dit Kindeke zijn neergeknield en hem hun hul ie boden en de toewijding van hun hartJ

De bloem van alle andere grootheid valt af, en het blad van alle menschelijke heerlijkheid verdort, maar hier is een grootheid die steeds wies en toenam, en waarvan de edelsten onder de kinderen der menschen altoos sterker de innerlijke kracht en hemelsche waardij bewonderd hebben.

Want zie, hier is een grootheid, die zich geeft, die dient, die zich toewijdt, die tranen droogt, die balsem in de bittere wonde drupt, die redt, die troost, die zaligt.

Een gouden spoor van grootheid, niet door menschenvindingrijkheid uitgedacht, maar door goddelijke erbarming in ons menscheljjk aanzijn gedreven.

Een grootheid, waarover Gods engelen nooit zijn uitgezongen, en die al ons menschelijk bevatten te boven gaat.

En daarom een wezenlijke grootheid; groot getoetst aan den echten waardemeter, die ook op dit uw Kerstfeest alle valsche grootheid verachtelijk in uw oogen make, en den dorst in uw ziel doe branden, om er één druppel van in te drinken; en alzco groot, niet in de schatting der wereld, maar zedelijk groot in het aanschijn van uw God te zijn.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 22 december 1889

De Heraut | 4 Pagina's

Bekijk de hele uitgave van zondag 22 december 1889

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken