Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Dan de Genademiddelen.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Dan de Genademiddelen.

16 minuten leestijd

ZO!t!»AGSAFDEELl.\G XXV.

En ziet, ik ben met ulieden al de dagen tot de voleinding der wereld. Amen. Matth. 2S:20.

X.

Tan het Sacrament (5).

Over de „Teekenen" in het Sacrament (Water, Brood en Wijn) is dusver genoeg geaegd; komen we thans tot de vraag, welke genade door middel van het Sacrament ons toekomt. Rekent toch het Sacrament onder de twee „genademiddelen", dan volgt hieruit noodzakelijk, dat er uit het gebruik van het Sacrament een verrijking in genade moet kunnen voortvloeien.

Reeds hierom moet met de oppervlak» kige voorstelling, als beeldde het Sacrament de genade slechts af, voor altoos gebroken worden. Wat baat het den dorstige, of ge hem al op een schilderij een kabbelenden stroom laat zien? Hij wd geen water zien, maar drinken. En zoo ook is het bij het Sicrament. Een afbeelding van genade kan uw ziel niet vet maken; wat ge behoeft is de zalfolie der genade zelf.

Bij Doop en Avondmaal beide moet het dus steeds de hoofdvraag blijven, wat ons door deze Sacramenten aan genade toekomt. Niet alsof we waanden dat in den Doop het op ons gesprengde water, of bij het Avondmaal het brood en de wijn, die men ons toereikt, op zichzelf ons eenige genade zouden kunnen aanbrengen. Noch ook als stelden we ons voor, dat de bedienaar des Woords een soort miraculeus persoon was, die genade van zijn vingertoppen kon laten vloeien. Tegen al zulke vermenging van een geestelijk met een lichamelijk goed komen we uit beginsel op. Ons lichaam en onze ziel staan zeer zeker met elkander in het nauwste verband; maar toch is het lichaam iets anders dan de ziel en de ziel dan het lichaam; en daarom kan iets bloot lichamelijks of stoffelijks, gelijk water, brood en wijn immers zijn, ons op zichzelf jiooit het geestelijk goed der genade toevoeren. „Genade" is Goddelijke genade, en kan ons daarom alleen van Godswege toekomen. Onder „genade" verstaat de kerk van Christus de ons toegekeerde gunste onzes Gods. Deze gunste onzes Gods neemt voor den zondaar meer bepaaldelijk het karakter aan van ontferming en barmhartigheid. En deze genade die God aan den arondaar bewijst, bestaat in tweeërlei: i". in hetgeen God over ons denkt en oordeelt; «n 2'. in hetgeen God aan en in ons doet of werkt. Deze beide moeten gelijkelijk vastgehouden, en er mag volstrekt niet enkel gerekend met hetgeen God in of aan ons ^7erkt of doet.

In de eerste plaats zelfs komt het aan op hetgeen in het hart en in de gedachten Gods over ons omgaat; op de vraag wat God in zijn raad over ons bepaald heeft; of Hij ons als goddeloozen verdoemt of als rechtvaardigen in welgevallen aanziet; of Hij ons zich ten vijand stelt of aanneemt als zijn kinderen. Hierin schuilt de eerste genade en de wortel van alle genade. En daarna eerst komt de tweede genade, die uit de eerste voortvloeit, en alsnu een heraelsch werk in ons tot stand brengt, beginnende met onze wedergeboorte en eindigende met onze volkomene verheerlijking.

Nu staat het Sacrament met deze beide graden van genade in rechtstreeksche betrekking. Het staat in betrekking niet de eerste genade, die in het harte Gods over ons is, én in zooverre uit die genade de instelling van het Sacrament voortkwam, én in zooverre het ons die gezindheid Gods te onswaarts betuigt en verzegelt, én in zooverre het Sicrament alleen zaligmakend werkt op dengene, naar wien het harte Gods in genade is toegekeerd. En evenzoo staat het Sacrament in verband met de tweede genade, doordien God het als middel gebruikt, om in de zielen dergenen, aan wie Hij in gunst denkt, een genadekracht te werken.

Alles komt er dus bij het Sacrament maar op aan, dat ons oog voor die door het Sacrament gewrochte genade geopend zij. Heelt men daar een oog voor, dan zoekt men het Sacrament wel. Maar blijft men wanen, dat het Sacramant slechts een schilderij of een tableau vivant is, om de genade voor te stellen, dan is het volkomen natuurlijk, dat men denkt: „Die schilderij behoef ik niet meer. Ook zonder hulp van die afbeelding kan ik mij de zaak evengoed voorstellen." En ook, maakt men zich diets, |dat men bij het Sacrament slechts veischijnt, fom zijnerzijds belijdenis te doen of te verjklaren, dat men een uitverkoren en veran-'derd mensch is; dan is ten volle begrijpelijk, hoe men jarenlang voor zulk een belijdenis terugdeinst en soms tot zijn dood toe zonder het heilig Avondmaal blijft voortleven. Ziet men daarentegen in, dat het Sacrament een middel is, dat door God i verordend is, om ons een heerlijke genade toe te voeren, dan zal een iegelijk, die naar genade dorst, en voelt dat het hem aan genade ontbreekt, drang en behoefte gevoelen, om het Sacrament te zoeken. Het groote middel, om der gemeente, die het Sacrament verwaarloost, weer liefde voor het Sacrament in te storten, bestaat niet daarin, dat men de leden der kerk, als met de zweep naar het Sacrament toedrijft, maar wel dat men hun de overtuiging schenkt, dat er door en in het Sacrament een heerlijke genade voor hun ziel verkrijgbaar is. Voelen ze dat eens, dan komen ze vanzelf wel. Het moet altoos snaar den regel gaan: „o, Alle gij dorstigen, Ikomt tot de wateren!"

Vraagt men nu waarin deze genade bestaat, dan sta op den voorgrond, dat het Sacrament nooit strekt of dient, om een ongeloovige geloovig te maken of een dood mensch ten leven te brengen. Onze Catechbmus spreekt het zoo duidelijk mogelijk ! uit: het Sacrament dient niet om het ge-•Üoof in u te werken, maar om, als ge gehooft, dat geloof in u te sterken. Als ge aan het Sacrament toekomt, moet dus de genade, die u van dood levend maakt, vooraf zijn gegaan. Iemand, die nog geheel natuurlijk is, niet enkel voor zijn eigen besef, maar ook in zijn innerlijk verborgen we^en; d. w, £, .'• ten persoon in wiens ziel God de Heere nog geen genade gewerkt heeft; rekent bij het Sicrament niet meê; voor zulk een kan het Sacrament geen voertuig van genade zijn; hij heeft aan het Sacrament niets; eer zal het Sacrament hem het oordeel verzwaren.

Omdat de roeping en het doel van het Sacrament is, het geloof te sterken, kan het niet anders dan voor de geloovigen zijn. Iets wat natuurlijk voor beide Sdcramenten gelijkelijk geldt, zoowel voor het heilig Avondmaal als voor den heiligen Doop. Op dit beide leggen we vollen nadruk. Als we aan de behandeling van den heiligen Doop zijn toegekomen, zullen we omstandig aanioonen, dat ook het kleinste kind alleen gedoopt wordt in de onderstelling, dat God de Heere reeds de kiem des geloofs in zijn hart heeft gewerkt. Th^ns kunnen we daarover nog niet uitweiden. We bespreken nu de Sacramenten slechts in het algemeen. Maar juist daarom dringen we & c op aan, dat men al hetgeen hier van het Sacrament in het algemeen gezegd wordt, toch goed en deugdelijk van Avondmaal en Doop beide versta. Dit moet er ter voorkoming van misverstand wel nadrukkelijk bijgevoegd. Immers niets is meer gewoon, dan leden der kerk te ontmoeten, die heden ten dage over den Doop heel anders oordeelen dan over het Avondmaal. Ten Doop brengt ieder zijn kind, en bekent daarmee dat het een „kind der geloovigen" is; maar '.als men aan het Avondmaal toekomt, Sdeinst diezelfde man en diezelfde vrouw 'plotseling terug. Dit nu is een meten met twee maten, wat niet aangaat. Komt men zijn kind ten Doop presenteeren op grond dat men het aanziet voor een kind uit „geloovige ouders" geboren, welnu dan komen die „geloovige ouders" ook aan het Avondmaal. Ot wel verklaren die ouders bij het Avondmaal geen geloovigen te zijn, dan natuurlijk mogen ze hun kind ook niet ten Doop presenteeren, want kinderen van ongeloovige ouders mogen niet gedoopt worden. Het één sluit het andere uit. De regel voor den Doop moet ook de regel . voor het Avondmaal zijn; want beide zijn Sacramenten, en het komt juist op het algemeen karakter van het Sacrament hieraan.

Hieruit volgt dan ook, dat de genade die God door het Sacrament in zijn geloovigen werkt, zoowel in den Doop werkt, als in het heilig Avondmaal. Nu wordt dit van het heilig Avondmaal nog wel beseft. Wie het brood nam en uit den heiligen beker dronk, kwam soms wonderbaar gesterkt in zijn geloof van den Disch des Heeren terug, ot merkte soms lang daarna wat verborgene en ongemerkte genade de Heere hem aan de Tafel des Nieuwen Vetbonds bewezen had. Maar van den Doop is dit er bij verreweg de meeste leden onzer kerk uit. Als men zijn kind |van den heiligen Doop thuis brengt en Iweer in de wieg legt, denkt bijna niemand jer aan, dat er een werking van God op de ziel van dat kindeke kan zijn uitgegaan. Men vat het meer op in den zin, dat het kindeke nu ook plechtiglijk in de kerk is ingelijfd; en dat het bij zijn later opgroeien er aan denken kan, hoe God het reeds als kindeke zijn Evangelie betuigde; ook dat vader en moeder nu te zorgen hebben, dat het Christelijk op worde gevoed. Maar dat God de Heere door zijn Heiligen Geest in dat kindeke zelf onder den Doop zou werken, dat is uit het bewustzijn der gemeente bijna meest geheel uit. Ter voorkoming van misverstand, herinneren we er daarom opzettelijk aan, dat Doop en Avondmaal beide genademiddelen zijn, en dat een genademiddel altoos een middel is, waardoor God de Heere genade toebrengt. Daarom moet bij een Sacrament steeds gevoeld en beseft, dat het niet in water, brood of wijn ligt, en dat het eigenlijke ook niet van den dienaar des Woords komt, maar dat het wezenlijke in het Sacrament uitgaat van den Heere in den hemel en zijn werking doet niet op ons zinlij k oog, maar in onze ziel. Gelijk het genademiddel van het Woord zonder vrucht blijft, zoolang er niets dan het woord van den prediker in ons oor is, en die vrucht eerst komt, zoo de Heere uit den hemel het Woord begeleidt met een werking, die door den Heiligen Geest in ons binnenste werkt, zoo ook staat het met het Sacrament. Ook bij het Sacrament, is het God Drieëenig, die de zaak doorzet en uitwerkt in het verbor gene van uw hart.

Wagen we nu een poging, om in het Sacrament deze werking van God Drie-^ëenig toe te lichten, dan is hiermee geenszins ontkend, dat de pertinente werking van het Sacrament van den Middelaar uitgaat. De Sacramenten hooren niet bij den zondeloozen engel, noch bij deontzondigde kinderen Gods in den hemel, maar bij de geloovigen op aarde, die in zonde ontvangen en geboren waren. Vandaar dat ons Doopsformulier dan ook opzettelijk vraagt: »0f gij niet bekent, dat wij met onze kinderen in zonde ontvangen en geboren zijn? " en dringt het tormulier van het heilig Avondmaal er op aan, dat in de eerste plaats „een iegelijk overdenke zijne zonde''

Op dien grond is het dan ook niet aan |te raden om van Sacramenten in het paradijs vóór den val te spreken. De Heilige Schrift doet dit nergens. En het kan nooit anders dan in overdrachtelijken, nimmer in eigenlijken zin geschieden. De genademiddelen zijn voor den gevallen mensch, en dus ook het Sacrament. Want evenmin als er ooit een Heilige Schrif.uur zou gekomen zijn, zoo Adam niet ware gevallen, evenmin zou er een Sacrament van Doop of Avondmaal zijn geweest. Reeds hieruit I volgt dus, dat de werking van het Sacrament van den Messias moet uitgaan, overmits alle genade Gods den zondaar door den Middelaar loékomt. Daarover zij dus geen geschil.

Maar al is het, dat wij de vergeving onzer zonden door den Middelaar hebben, toch voegt en betaamt het ons, van den Middelaar altoos op te zien tot God Drieëenig, die hem als Mddelaar voor ons bestelde en zond. En zoo is het dan ook betamelijk dat we bij het Sacrament tot God Driegenig opzien, gelijk in ons Doopsformulier zoo schoon geschiedt. Vandaar dat ook de Catechismus zegt, dat de Sacramenten „van God ingezet zijn"; niet van Christus. Want wel wist de Catechismus zeer goed, dat Christus ze ingesteld had, maar hij wdde aanduiden, dat de Middelaar dit slechts deed krachtens den last en den wil van het Eeuwige Wezen. Al wat Christus als f Middelaar in het Sacrament doet, doet hiji dus als uitvoerder van de opdracht die| God zelf hem gaf. Hij blijft Middelaar; diel in en door hem werkt is God Driefienig.

Wenscht men nu, gelijk ons Doopsformulier dat waagt, nog ten schrede verder te paan, en het Sacrament ook onderscheidenlijk met de werking van de Drie Personen in het Eeuwige Wezen in verband te zetten, dan manen we tot de uiterste omzichtigheid, omdat geen onderwerp heiliger en teederder en voor ons menschelijk oog meer omsluierd is. Ook wij bepalen ons daarom tot die algemeene aanduiding, die uit de gemeene ondetsche'ding der Drie Personen kan worden afgeleid. En dan is het duidelijk, dat van God den Vader meer bijzonderlijk wordt afgeleid: ten eeïstê de ordinantie van het Sacrament als schakel in den raad des heils; ten tweede de schepping van de elementen van water, brood en wijn, die in de Sacramenten voorkomen; en ten derde de bestelling van den Middelaar, door wien de Sacramenten zouden worden aangericht. Wat aangaat den Tweedgn Pejrggon in het Eeuwig Wezen, zoo leert de Heilige Schrift ons, dat alle dingen zijn uit den Vader, maar door den ' Zoon, die als het Eeuwige Woord de ge-j dachte in alle schepsel draagt. Nu is er' ook, gelijk een vorig artikel aantoonde, in water, brood en wijn, van de grondlegging der wereld af een gedachte, een woord, t. w. de gedachte van de reiniging, de voeding en de verhooging van onze levenskracht. Draagt nu de Zoon ook ons geestelijk leven in de gedachte, die in dit geestelijk leven schuilt, dan begrijpt men waarom bij het Sacrament altoos het Woord bijkomt, om aan de sprake, die in de elementen ligt, deze geestelijke sprake, toe te voegen. En wat aanbelangt den Derden Persoon in het Drieëenig Wezen, zoo leert ons de Heilige Schrift, dat God de Heilige Geest zoowel in het lichamelijk als geestelijk leven de Bezieler is. Toen nog de elementen in den chaos scholen, zweefde de Heilige Geest er over. Ook in water, brood en wijn is dus de Heilige Geest degene, die de hun ingeschapen kracht in werking brengt. En overmits nu diezelfde Heilige Geest ook de Bezieler is van ons geestelijk leven, zoo verstaat men, hoe ook de Heilige Geest in het Sacrament werkt, zoowel in het element als in onze ziele. En hoe weifelend deze aanduidingen dan ook nog zijn mogen, toch spreekt het vanzelf, dat men minder dan ergens bij het Sacrament verzuimen mag, den blik der geloovigen op het Drieëenig Wezen te richten. Immers bij de instelling van den heiligen Doop doet de Christus dit zelf met zooveel nadruk, als hij ons beveelt te doopen in den Naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes. Het SiCrament daalt niet ai in de vertakking van de Christelijke belijdenis, maar blijft in het groote middelpunt er

van, dat juist uitgesproken ligt in de aan alle Christelijke kerken gemeene belijdenis van Vader, Zoon en Heiligen Geest.

Toch mag daarom de bijzondere werking, ' die bij het Sacrament aan den Middelaar toekomt, onzerzijds niet uit het oog verloren worden. Van God Drieëenig gaat de bestelling van het heil en van den Middelaar uit, en onder al het werk van den Middelaar gaat het eigen werk van Vader, Zoon en Heiligen Geest naar de heilige Scheppingsordinantie in lichaam en ziel door. Maar voorzoover er rechtstreeks en bijzonderlijk moet gehandeld, is in heel het genadev.'erk de Middelaar de uitvoerder van Gods Raad. En dit nu geldt ook van de Sacramenten.

Desaangaande merken we op. Ten eerste I dat de Middelaar wel in Israël door typen, ; ceremoniën en plaatsvervangende priesters en profeten werkte, maar dat hij eerst door zijn Vleeschwording dié wondere vereeniging tusschen den Eeuwige en onze natuur, zoowel naar ziel als lichaam, tot stand bracht. In zooverre nu elk Sacrament in zekeren zin diezelfde vereeniging van een Goddelijke zaak met een aardsch teeken tot stand brengt, zoo is Christus zelf „een I Teeken", gelijk de Heilige Schrift hem herï haaidelijk noemt, zelf het Brood, het Water I en de Wijnstok, zelf het Sacrament, j en is eerst door zijn Vleeschwording het I eigenlijke, wezenlijke Sacrament, in vollen zin, mogelijk geworden. Ook Israël had wel zijn Sacramenten van Besnijdenis en Pascha, maar deze droegen, gelijk heel Israels bedeeling, toch altoos een schaduwachtig karakter, en mogen nooit met de volle Sacramenten van Doop en Avondmaal geheel gelijk worden gesteld. In de tweede plaats is ! door Christus als Middelaar, zoowel het I Sacrament van den heiligen Doop als het j Sacrament van het heilig Avondmaal \ ingesteld. En wel ingesteld, ' niet gelijk een heraut den last van zijn zender meedeelt, maar ingesteld in verband met zijn persoon en leven. Het heilig Avondmaal toen hij zijn bloed vergieten zou tot vergeving der zonde; en den heiligen Doop, toen hij de aarde verliet, en dus de wereldkerk losbrak uit de windselen derlsraëlietische bedeeling. Ten derde heeft de Mid-/ delaar den vorm zijner Sacramenten bepaald. f Hij gaf niet maar last, om twee Sacramenten aan te richten; maar toonde en bepaalde, wat deze Sacramenten zijn zouden, - zoo in het teeken, als in het woord en in de handeling. Wilkeur sloot hij uit. Ten vierde heefc da Middelaar deze Sacramen-|ten zoo ingesteld, dat hij_zelfze alle eeuwen Idoor bedient. Dat hij ze niet enkel gaf, gelijk sommigen beweren, voor dien tijd, maar voor alle eeuwen, blijkt klaarlijk uit zijn zeggen tot de apostelen: „Gaat heen en doopt alle volken"., waar toch de twaalf Apostelen onmogelijk alle volken doopen konden, en ze in de meeste landen, waar thans de hoofdzetel van Gods kerk is gevestigd, zelfs nooit zijn geweest. Maar dit is niet al. Zoo dikwijls er gedoopt wordt, doopt niet de Dienaar of de Kerk, maar Christus zelf. Alleen maar, omdat hij opvoer ten hemel, gebruikt hij hiervoor thans zijn Dienaren. Daarom zijn de Dienaren dan ook niet eigenmachtig opgetreden, maar is hij het, de Middelaar, die er alle eeuwen door sommigen tot leeraren enz. stelt, j Zij zijn dus geen priesters, die plaatsi vervangend doen wat Christus zelf moest doen, maar Christus zelf werkt door hen. Ten vijfde is het de Middelaar, die door zijn regeering, die over zijn kerk gaat, de booze raadslagen bestrijdt en verijdelt, waardoor Satan zijn Sacrament zoekt te vernielen of onzuiver te maken, en die het ƒ zóó leidt, dat altoos weer ten slotte de zuivere bediening der Sacramenten gehandhaafd blijft. En ten zesde eindelijk is het de Middelaar, die als het Sacrament, nu door zijn Dienaren, als zijn instrumenten bediend wordt. Iegelijk met zijnen Heiligen Geest in de zielen werkt, 't zij om genade aan te brengen, zoo het Sacrament genoten wordt door zijn geloovigen, 't zij om toorn te wekken, zoo het Sacrament genoten wordt door ongeloovigen, die den Geest van Christus niet hebben, en dus hem niet toekomen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 2 maart 1890

De Heraut | 4 Pagina's

Dan de Genademiddelen.

Bekijk de hele uitgave van zondag 2 maart 1890

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken