Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Van de Genademiddelen.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Van de Genademiddelen.

17 minuten leestijd

ZONDAGSAFDEËLIM XXV.

Het brood, dat wij breken, is dat niet eene gemeenschap des Uchaams van Christus? I Cor. 10 : i6.

XII.

Van het Sacrament (7).

Staat eenmaal vast, dat het Sacrament niet ingesteld is, om een ongeloovige geloovig te maken, maar om een geloovige in zijn geloof te sterken, dan dient thans onderzocht, wat we onder deze sterking van het geloof te verstaan hebben. Een onderzoek dus naar de genadewerking die in of door het Sacrament plaats grijpt.

Velen loochenen feitelijk die genadewerking. Zwingli ging hierin voor. Ook hier te lande vond hij tal van geestverwanten en navolgers. En nu nog is de kring wijd van hen, die in het Sacrament niets anders zien, dan een zinlijke of zinbeeldige voorstelling van een geloofszaak. Op dat standpunt nu heeft het Sacrament uiteraard geen reden van bestaan. Strekt toch het Sacrament nergens anders toe, dan om onze gebrekkigheid te hulp te komen, en ons de verzoening door het bloed van Christus nog eens duidelijkheidshalve in beeld voor te stellen, dan kan ditzelfde doel door heel andere middelen nog veel beter worden bereikt. Op zich zelf, zonder meer toch, geven Doop en Avondmaal voor dit doel zeer weinig. Wie, zonder er meer van te weten, een Doop ziet bedienen of een Avondmaal ziet houden, zal daaruit op zichzelf nooit het mysterie der Verzoening raden. Menig kunststuk van het penseel deed dan veel beter dienst. En zelfs indien men door een zinbeeldige handeling dit mysterie wilde voorstellen, kon die veel zinrijker, duidelijker en meer uitgedrukt in haar vorm zijn. Doch er is meer. Zulk een zinbeeldige voorstelling toch van zoo hoogst eenvoudigen aard, als onze Sacramenten dan zouden zijn, geeft men wel aan eerstbeginnende, maar niet meer aan geoefende personen. Aan kinderen geven we zoo boeken met platen, om uit te leeren; maar wie volleerd is, behoeft die niet meer. In dien zin verstaan, zou dus het Sacrament nog wel reden van bestaan voor pasbeginnenden kunnen hebben, maar geestelijk geoefende leden der kerk zouden boven het Sacrament verheven zijn. Ze zouden allengs aan het Sacrament ontgroeid raken. Ook zonder toch den Doop of het Avondmaal juist te zien bedienen, konden zij zich van die uiterst eenvoudige handeling zeer goed, ook al bleven ze thuis, een duidelijke voorstelling maken, en verkregen daardoor hetzelfde efifect. En wat men zegt, dat zulk een Sacrament dan toch uitnemenden dienst zou doen, als middel ora het geheugen te gemoet te komen en te maken, dat men weer aan Jezus denkt, gaat ook niet door. Immers om naar het Avondmaal te gaan, moet ik vooraf reeds aan Jezus en zijn lijden gedacht hebben, anders ga ik er niet heen. En is het enkel te doen, om te midden van de veelvuldigheden des levens aan Jezus herinnerd te worden, sla dan den Roomschen weg in, en plaats allerwegen een crucifix^ en hetzelfde doel zal nog veel beter bereikt zijn.

Langs dien weg is dus nooit voor het Sacrament een afdoende beteekenis te gewianew.. Want wel voegt men er dan bij, dat God ons door dit Sacrament weer van zijn ontferming getuigenis geeft en van zijn genade verzekert. Maar ook hiermee komt men niet uit. Immers, diezelfde betuigingen en verzekeringen heb ik ook reeds in het Woord, en voorzoover het Sacrament heeten zal mij die te geven, moet ik ze er toch uit het Woord bijhalen. Bovendien kan een door menschen aangerichte plechtigheid, zonder meer, mij reeds daarom nooit deze verzekering van Gods zijde brengen, omdat een verzekering, die ik mijzelven verschaf, nooit een verzekering van Godswege zijn kan. De uitkomst heeft dan ook geleerd, dat, allerwegen waar deze opvatting doordrong het Sacrament almeer verlaten en verwaarloosd wierd, tot het ten slotte geheel in onbruik raakte.

Het is om deze reden, dat Calvijn zoo dringend ernstig tegen deze Sacramentvernietigende voorstelling is opgekomen, en er zoo met hand en tand voor gestreden heeft, dat toch de genadewerking' in het Sacrament voor onze ziele leven mocht.

Richt de mensch het Sacrament aan, en is wat de mensch aanricht, heel het Sacrament, dan nut het niet en baat het niet en is het een ijdele, onbeduidende vorm. Maar is hetgeen de mensch aanricht en doet slechts de vorm van het Sacrament, en bestaat het wezenlijke van het Sacrament in de werking die Christus door zijn Heiligen Geest uit den hemel in onze harten werkt, dan natuurlijk komt de zaak heel anders te staan. Dan strekt de eenvoudige vorm van het Sacrament slechts om voertuig te zijn voor de Goddelijke werking; en hangt bij het Sacrament alles aan het geloof in ons, waardoor we die Goddelijke werking aannemen en gelooven.

Op die genadewerking, die door den Heiligen Geest van Christus, die in den hemel is, naar onze zielen uitgaat, komt het dus bij het Sacrament eigenlijk aan. Heeft Christus het eenmaal zoo verordend, dat hij deze bijzondere sacramenteele genade verbonden heeft aan de gehoorzaamheid, waarmee zijn kerk deze plechtigheden zou aanrichten, dan verkrijgt de eenvoudige aanrichting van en toetreding tot het Sacrament reeds als zoodanig de beteekenis van een daad van gehoorzaamheid; en ziet wie het Sacrament aanricht of gebruikt, niet op het Sacrament alsof het heil daaruit komen moet, maar ziet hij van het Sacrament opwaarts naar zijn Heere in den hemel, van wien de geheimzinnige genadewerking naar zijn ziel moet uitgaan. Zoo bij Doop als Avondmaal is die genadewerking van Christus dus de hoofdzaak, en moet in die daad van Christus het eigenlijke en v/ezenlijke van het Sacrament worden gezocht.

Algemeen uitgedrukt kan men nu zeggen, dat deze genadewerking daarin bestaat, dat Christus door zijnen Heiligen Geest bij en onder het Sacrament ons geloof versterkt; en ook wie niets meer weet, noch dieper ziet, vindt hierin reeds oorzaak te over, om het Sacrament te zoeken. Immers ons geloof is gedurig zoo zwak, en de worsteling, om aan ons geloof niet te ontzinken, is soms zoo overweldigend, dat ge reeds uit dien hoofde dankbaar elk middel moet aangrijpen, dat u door uw Heiland geboden wordt, om dit zwakke geloof sterker tfi maken. Al weet ik dus niets meer (mits ik ht% slechts oprechtelijk geloot) dan dat \itï~7-i-< jf.dxa.Q'a.'iidaarto dienstig is, dan is dit reeds drangreden te over, om tot aan mijn dood toe het Sacrament op het ijverigst te zoeken. Want natuurlijk, wie dan het Sacrament verwaarloost, betuigt daardoor één van deze twee: óf dat hij geen geloofssterking noodig heefc, óf wel dat hij geen geloofssterking begeert. Twee dingen, die beide even goddeloos zijn.

Toch kan de denkende geest ook hierin nog niet rusten, maar stelt zich de natuurlijke vraag, waarin het eigenaardig karakter van deze sacramenteele geloofssterking gelegen is. Lmmers het kan ontkend noch geloochend, dat Christus ook op allerlei andere wijze ons geloof versterkt. Hij doet het door den Dienst des Woords; hij doet het door eigen lezing van de Heilige Schrift; hij doet het door en onder de gebeden; hij doet het door anderer toespraak en vermaan; hij doet het door de gebeurtenissen in anderer en ons eigen leven; hij doet het ook door allerlei genadige inwerking van zijnen Heiligen Geest. Er moet duf|ln het Sacrament, zal het wezenlijk redeh van bestaan hebben, een eigenaardige, een eenigszins andere sterking van ons geloof tot stand komen, die juist omdat ze een eigenaardig karakter draagt, op zoo buitengemeene wijze plaats grijpt.

Vraagt men nu, waar dit bijzondere, dit eigenaardige, dit ongewone en onderscheidende van de geloofsterking door het Sacrament in gelegen is, dan moet dit ongetwijfeld gezocht in de gemeenschap aan het Lichaam van Christus. De heilige Doop leidt ons geloof in deze gemeenschap in, en het heilig Avondmaal voedt ^noiiderhoudt deze gemeenschap. De noodzakelijkheid nu om ook deze bijzondere sterking aan ons geloof toe te brengen, vloeit rechtstreeks uit den aard van het geloof voort. Ons geloof toch is niet maar een persoonlijke betrekking van ons hart tot onzen God, maar een betrekking tot onzen God, die ons met anderen gemeen is en alleen in die gemeenschap zich ten volle onderscheidt. Gelijk wij in Adam één geslacht uit éénen bloede vormen, en dus saam als één geheel, als ééne menschheid, als één organisch verbonden menschelijk geslacht, voor onzen God staan, en daarom lotgemeen in vloek en zegen zijn, zoo ook is het in de nieuwe menschheid, die Christus tot haar Hoofd heefc. De Heilige Schrift legt er telkens nadruk op, dat we niet als geloovigen los op ons zei ven staan, maar saam levende, saam van eenzelfde geestelijk huis zijn, saam bij elkaar hoorende leden van één geestelijk lichaam. Het geloof is dus niet voor elk kind van God iets afzonderlijks, waardoor hij apart staat en een eigen bestaan voor God heeft. Neen, Gods kinderen bestaan allen saam in den éénen Christus, onder hem als hun Hoofd saamgevoegd, en zóó eerst vormen ze dat ééne mystieke Lichaam des Heeren, dat hij eens als de Bruid aan zijnen Vader zal voorstellen. Vandaar de gemeenschap der heiligen. Vandaar de Verbondsgenade. Vandaar het saamleven in de ééne kerk van Christus. Het spreekt dus vanzelf, dat ook ons geloof niet op zich zelf kan staan, maar dat het geloof van den één met het geloof van den ander moet zijn saamgeweven, en dat het geloof e van Gods kind eerst in die heilige gemeenschap zijn ware voeding en besproeiing erlangt, waardoor het kan opbloeien en vrucht dragen. Wel heett ieders geloof e&amp; n^persoonlijke kern; anders zou hij niet kunnen gelooven; maar toch dat persoonlijke mag nooit een los, afgezonderd en op zich zelf staand geloof worden. Dan kwijnt het en kan het niet tieren.

Nu ligt het echter in den aard der zaak, dat onder de nawerking der zonde het geloof in ons juist het meest te kampen heeft met de verzoeking, om op zichzelf te gaan staan. De zonde heeft ons eigen ik losgemaakt uit het organisch verband, waarin God de Heere het naar zijn scheppingsordinantiën gezet had. De zonde is zelfzucht, het zoeken van ons eigen ik, het niet achten der liefde, die dringt naar gemeenschap. Uit dien hoofde was het dus niet vreemd, dat onze Hsere en Heiland juist tegen dit kwaad een medicijn zocht, en tegen dit gevaar ons een middel ter beveiliging bood. Het geloof in ons had behoefte aan allerlei sterking, maar bovenal, en in geheel bijzonderen zin, aan die bepaalde sterking, waardoor het uit zijn eenzelvigheid wierd uitgehaald en in de gemeenschap der heiligen ingeleid en gehouden. En dit nu is de oorzaak, w? arom het Sacrament ons juist deze eigenaardige versterking van ons geloof toebrengt. Er moet tusschen ons persoonlijk geloof en dat van 's Heeren Lichaam gedurig en gestadig een band geweven. Dien band legt en weefc niet een mensch, ook niet een Dienaar, maar de Heere uit den hemel. En het middel dat hij bezigt om dien band te leggen en in stand te houden, is het Sacrament van Doop en Avondmaal.

Dit versta men echter niet mis. Er is toch niet mee bedoeld dat eerst het Sacrament ons in gemeenschap met het Lichaam van Christus zou brengen. Dit kan niet; want een ieder die eenig Sacrament, welk ook gebruikt, wordt ondersteld vooraf wedergeboren te-zijn, en dus krachtens die tweede geboorte in levend verband met het Lichaam van Christus te staan. Onze kinderen, zegt het Doopsformulier, worden als lidmaten van Christus gedoopt, d.w.z. omdat ze beschouwd en ondersteld worden als zijnde reeds lidmaten van Christus, daarom worden ze gedoopt. Ze worden niet gedoopt, opdat ze eerst daardoorlidmaten van Christus worden zouden; maar in de onderstelling dat ze het vooruit reeds wierden, en dus als ze ten Doop komen, reeds zijn, ontvangen ze het Sacrament des Doopsels. En ook beduidt het niet, dat ze door het Sacrament eerst het geloof ontvangen, want hoe zou het Sacrament een geloof sterken kunnen, dat niet vooraf reeds aanwezig was.?

Gelijk de hoogleeraren uit de dagen der Dardsche Synode het uitdrukten: „wij vereischen van hen, die een Sacrament ontvangen zullen, het vooraf aanwezig zijn én van het geloof én van de boete; en waar dit niet mag ondersteld worden, mag geen Sacrament worden toegediend of uitgereikt. Immers de Bondszegelen zijn uitsluitend voor de geloovigen."

Neen, de sterking van het geloof door het Sacrament ziet uitsluitend hierop, dat de Heere uit den hemel door zijnen Heiligen Geest, onder en door hetgebruik van het Sacrament, ons zulk een innerlijke, verborgene en geheimzinnige bewerking doet ondergaan, als waardoor ons geloofsbewustzijn van zijl. iondige eea-elvigheid worde afgebracht en in de gemeenschap der heiligen worde ingeleid of bevestigd. Zoolang uw geloof op zich zelf staat, is het zwak. Door geloofsgemeenschap met Gods heiligen wordt het krachtig. En nu komt de genadewerking . des Heeren in het Sacrament op verborgene wijze dit te weeg brengen, dat het in die geloofsgemeenschap steeds meer inga en daardoor gesterkt worde. Het is dus niet zoo, alsof eerst door het Sacrament de Heilige Geest aan onze ziele toekwame. Dit kan niet, want wie niet reeds des Heiligen Geestes deelachtig is, is niet wedergeboren, bezit geen geloof, en kan dus het Sacrament niet ontvangen. Maar terwijl de Heilige Geest allerlei onderscheidene genadewerkingen in ons te weeg brengt, oefent de Heilige Geest nu in het Sacrament deze eigenaardige en bijzondere werking, dat hij ons geloofsbewustzijn losmaakt uit zijn zondige eenzelvigheid en verrijkt en sterkt door de geloofsgemeenschap der heiligen.

Dit vatte intusschen niemand op, ais ware hiermee bedoeld, dat een kind van God door het Sacrament leert, om ook met zijn broederen en zusteren te rekenen. Van zulk een uitwendige opvatting kan geen sprake zijn. Immers op heilig erf mag noch kan iets uitwendigs gelden. Alles moet uit den wortel opgebracht, en die wortel is hier de Christus zelf. Gelijk ge uw eenheid met uw medemensch gevoelt, niet door aan A, B en C te gaan denken, maar alleen door tot in Adam terug te zinken, en in dien wortel van uw geslacht de gemeenschap met uw geslacht te beseffen, zoo ook is het op dit heilig erf. Uw gemeenschap met het Lichaam des Heeren gaat niet bij den tel. Dat ware veel te eng genomen, en zou alleen tot een gemeenschap met enkele kinderen Gods in de plaats uwer inwoning leiden. Neen, om uw gemeenschap met het Lichaam van Christus te beseiïen, en in die gemeenschap met uw ziel in te dringen, moet ge ook hier op den Christus teruggaan ; in hem uw Hoofd erkennen; om den wille van dit Hoofd het Lichaam minnen; en met al de leden dés Lichaams u in hem één gevoelen. En daar genietals volmaakte heiligen maar als verloste zondaren toetreedt, moet gij den Christus aangrijpen in datgene, wat de verlossing van zonde en daardoor de oprichting en afzondering van zijn mystiek Lichaam te weeg bracht, t.w. in zijn verzoenend sterven. Dit is het wat de Catechismus zegt, dat de afwassching door het bloed van Christus op den voorgrond treedt. Immers juist deze afwassching door het bloed van Christus, maakt al het onderscheid tusschen het Lichaam van Christus en de wereld, en er kan zoomin persoonlijk geloof als gelooisgemeenschap ontstaan of bestaan, tenzij als vrucht van dit zoenoffer en op het Lam Gods, dat als zoenoffer stierf, gericht.

Voor zoover er dus licht op zulk een verborgene en geheimzinnige genadewerking vallen kan, mag gezegd, dat het Sacrament aan wedergeborenen en geloovigen bediend wordt, opdat Christus uit den hemel

door zijnen Heiligen Geest hun deze genadewerking doe: dat hij hun geloofsbewustzijn in de geloofsgameenschap met Gods heiligen inleide, door het te richten op hem, die aller Hoofd is, en uit wien heel het Lichaam, als vrucht van zijn lijden en sterven, is saamgevoegd.

Slechts ééne vraag blijft hierbij nog over, of namelijk deze genadewerking zich van de bestanddeelen van het Sacrament (water, brood en wijn) als voertuig bedient. Tweeerlei is toch denkbaar, óf dat de Heere ons beveelt deze teekenen aan te richten, en daardoor onze gehoorzaamheid te betoonen, onderwijl hij nu uit dien hemel, buiten deze teekenen om, ons zijn genade in de ziele werke. Of wel, dat hij dit water, dit brood en dezen wijn bezigt als middelen, waardoor hij ons deze genade doet toekomen. Het laatste nu beweren de Roomschen en de Lutherschen, zij het ook elk op onderscheidene wijs. Volgens de leer der Roomsche kerk is het Doopwater zelf drager en voertuig van de wederbarende genade, en het brood en de wijn zelf voertuig van de genade die ons Cristus ten eigendom maakt. En ook de Luthersche kerk leert, wel niet zoo sterk, maar dan toch in gelijken zin, dat de genade in en onder het water werkt, en dat we bij het heilig Avondmaal de genade Christi door onzen mond ons toeëigenen, en in, onder en met het brood en den wijn aan onze ziel toevoeren. Tegen geheel deze voorstelling nu zijn de Gereformeerden van meet af met kracht opgekomen, en aan Calvijn komt de verdienste toe, deze magische voorstelling geheel gemeden te hebben. Water, zoo leerde hij, bleef gewoon water, zoo vóór als onder het Sacrament, en het brood en de wijn bleven brood en wijn, zoo vóór als onder en na de Bediening; en de genadewerking van Christus, die door den Heiligen Geest gewerkt wierd, had noch met dat brood en dien wijn, noch met dat water eenige de minste vermenging of gemeenschap. Het was de muziek, die in heilige harmonie de stem van den zanger ondersteunde, maar de zangstem kwam niet uit het orgel, maar wierd er slechts door begeleid. En al ontkennen we nu niet, dat onze oude godgeleerden de scheiding soms wel wat te sterk dreven, en vaak in gebreke bleven, om de harmonie tusschen het teeken en het genadewerk genoegzaam in het licht te stellen, toch is er oorzaak van dank, dat onze Gereformeerde theologen zich op dit puntzooklaar en duidelijk uitspraken. Waren de Luthersche kerken williger geweest, om dit in te zien, dan zou het nooit tot zoo finale breuke tusschen hen en ons gekomen zijn. Nu van achteren, na drie eeuwen, erkennen de meeste Luthersche theologen wel, dat Calvijn in hoofdzaak gelijk had, en er is onder hen nog slechts een •kleine groep, die „het eten van de genade met den mond" volhoudt; maar dit neemt het gewerkte kwaad niet meer weg. De kerken zijn nu beiderzijds eenmaal uiteengescheurd. Beider leer en overtuiging heeft zich in eigen paden ontwikkeld. Eii ons Gereformeerden, rest niet anders, dan dankbaar de verplichting te erkennen, die voor ons uit het zuiverder licht dat ons reeds sinds de i6e eeuw bescheen, blijft voortvloeien. En in die verplichting nu zijn we maar.

al te zeer te kort geschoten.

II Van Calvijn is men veelal op Zwingli teruggezonken, of heeft in Dooperschen en Labadistischen zin, het Sacrament van het Verbond Gods losgemaakt, en op persoonlijk keur van menschen gesteld. Gevolg hiervan is, dat het Sacrament in onze kerken almeer in beteekenis verloor; dat de Formulieren voor onze Sacramenten niet meer verstaan worden; en dat tal van kinderen Gods jaar in jaar uit voortleven, zonder te gedenken aan het vermaan van hun Heere, dat ze zijn dood gedenken zouden totdat hij komt.

De eerste Christenen gebruikten eiken dag het heilig Avondmaal. Toen deed men het eiken Zondag. Bij verslapping liep het op de maand. Toen op het jaar.En nu is het zoover gekomen, dat ge godvruchtige belijders vinden kunt, die van hun achttiende tot hun tachtigste jaar zonder Sacrament hebben voortgeleefd. Een verwildering waarvan de wrange vrucht dan ook niet uitbleef.

Er bleef wel geloof, maar er ontbrak geloofsgemeenschap, omdat de sacramenteele genadewerking des Heeren versmaad wierd. En vandaar dat de liefde kwijnde en het kwaad van scheuring en verdeeldheid steeds verder voortsloop.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van Sunday 16 March 1890

De Heraut | 4 Pagina's

Van de Genademiddelen.

Bekijk de hele uitgave van Sunday 16 March 1890

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken